Het huis van de griplozen

Ingrijpende bouwwerkzaamheden aan panden in de binnenstad van Istanbul zijn vaak aanleiding voor gemor en protest – meestal omdat een historisch pand vertimmerd wordt tot hippe residans of luxe apart otel. Het gaat bij die zogenaamde stadssanering niet alleen om het verbeteren van vervallen huizen; ook Turkse binnenstadsbewoners willen graag een kookeiland of bubbelbad. Zo zag een journaliste dit voorjaar het dak van alweer een pand in centrumwijk Taksim verdwijnen, vermoedde hoe het zou aflopen, en schreef een verontwaardigd stuk. Een stroom van instemmende reacties volgde.

 

Toch is het pand in kwestie niet meteen historisch te noemen: de zakelijke grijze gevel van vijf verdiepingen dateert uit de jaren zestig. Het ging dan ook niet zozeer om de waarde van het pand als pand. Hier had, veertig jaar geleden, achter de ramen op de tweede verdieping, een schrijver zitten typen aan een boek dat inmiddels een icoon is: Oğuz Atay componeerde in dit huis Tutunamayanlar (‘Het leven in stukken’). In zijn roman gaat Atay (1934-1977) onder andere tekeer tegen de burgerlijke moraal, waar de ‘griplozen’ het tegen af moeten leggen. Juist de Turkse wooncultuur wordt door Atay, zelf ingenieur, als symbool voor dat burgerlijke leven opgevoerd. Dat nu net dit pand moest worden aangepast aan de eisen van de trendgevoelige medemens was dan ook wel erg ironisch.

Onder de vele reacties die het artikel opriep was ook een briefje van de nieuwe eigenaar van het appartementengebouw. De jonge directeur van een grote onderneming haastte zich te verzekeren dat het slechts om herstelwerkzaamheden ging. En nee, het voormalige woonhuis van Atay zou niet als luxueuze hotelruimte verhuurd worden. Het was overigens een bescheiden ruimte, zei hij, ‘precies het formaat voor een griploze’.

De reacties op het krantenartikel laten niet alleen zien hoe geliefd Atay’s roman nog steeds is; ze tonen ook hoe persoonlijk de lezers zich door Atay voelen aangesproken – de lezers die zich aan het pand willen vastketenen om sloop te voorkomen, de nieuwe eigenaar die zich ongemakkelijk voelt omdat hij er in zijn vergaderpak ‘wel erg griphebbend’ uitziet, en de journaliste die als doorgewinterde Atay-liefhebber over al die andere fans enigszins schamper schrijft. De echte Atay-liefhebber is een jaloerse lezer, die zijn idool het liefst voor zichzelf houdt, merkte een Turkse literatuurwetenschapper ooit op. En echte Atay-liefhebbers zijn er veel. Maar anders dan de massale respons op het krantenartikel doet vermoeden, is in Turkije belangstelling voor het leven van auteurs over het algemeen een uitzondering.

‘Ik kan me niet herinneren dat we ooit een beweging hebben gehad die de herinnering levend houdt aan wie waar welk boek heeft geschreven,’ klonk het een paar dagen later verbaasd uit de mond van een tweede, veel oudere journalist. En inderdaad, Turkije telt vele Atatürkhuizen, maar nauwelijks schrijversmusea, of zelfs maar bordjes die aangeven waar de vele auteurs die iets met Istanbul te maken hebben, geboren zijn, gewerkt hebben of zijn doodgegaan.

De nieuwe eigenaar van het pand ziet weinig in een schrijversmuseum in de ‘klassieke zin van het woord’, maar vraagt zich hardop af of lezers misschien tips hebben voor het inrichten van een ‘specifieke Oğuz Atay-ruimte’. Met een beetje geluk is Atay straks een van de weinige Turkse auteurs wiens naambordje ook lang na zijn dood bij de voordeur blijft staan – zoals hij nu al een van de weinige schrijvers uit Turkije is wiens persoonlijk leven in een biografie beschreven is. Atay en zijn lezers laten elkaar niet los: zo diep als Atay tot het leven van zijn lezers weet door te dringen, zo graag raken die lezers het leven van hun schrijver.

Dit bericht is in augustus 2011 verschenen op Schwob.