Nawoord bij ‘Sereen’ van Ahmet Hamdi Tanpınar

In 2013 verscheen Sereen, mijn vertaling van de roman Huzur van Ahmet Hamdi Tanpınar. Hieronder het nawoord dat ik bij deze roman schreef.

Een roman fleuve stond Ahmet Hamdi Tanpınar (1901-1962) voor ogen toen hij zich na zijn eerste gedichten, korte verhalen en kunstbeschouwingen in de jaren veertig waagde aan het schrijven van romans. Sereen, dat in 1948 als feuilleton in de krant Cumhuriyet verscheen en een jaar later uitkwam als boek, zou het middelste deel van een trilogie vormen, geflankeerd  door zijn debuutroman Mahur Beste (‘Lied in Mahur’, 1944) en de roman Sahnenin dışındakiler (‘Buiten het toneel’, 1950). Het was een literaire vorm die in de Turkse literatuur nog niet was uitgeprobeerd. Het plan laat zien hoezeer Tanpınar de ontwikkelingen in de westerse literatuur volgde, en hoezeer hij probeerde wat hij daar zag met de Turkse literatuur te verenigen. Het pakte anders uit: Sereen is inmiddels ingelijfd bij de Turkse canon, maar de beide andere romans van Tanpınars trilogie worden nauwelijks meer gelezen.

Een roman fleuve in de eigenlijke betekenis van het woord is Sereen daarom niet geworden. Maar de grote rol die is weggelegd voor de brede waterweg die dwars door Istanbul stroomt maakt het boek in een heel andere zin alsnog tot een ‘rivierenroman’. En omgekeerd: als er één Turkse roman is die met de Bosporus wordt geassocieerd, dan is het wel Sereen, waarin de geliefden Mümtaz en Nuran voortdurend varen, zwemmen en vissen, langs het water lopen en erover uitkijken. De Bosporus is de hele roman lang bijna altijd in de buurt. Overigens niet alleen als het decor voor een liefde die precies één Bosporusseizoen duurt. De Bosporus verplaatst zich in de geliefde, vereenzelvigt zich met de muziek die in de villa’s wordt gespeeld. De stroming, de kleuren, het licht op het water fluctueren als de gevoelens van de hoofdpersonen.

Buiten Turkije is de Bosporus tegenwoordig vooral populair als zinnebeeld voor de scheiding tussen Oost en West: twee culturen, of beschavingen, zoals Tanpınar dat pleegt te noemen, die volledig in elkaars zicht liggen, haast binnen handbereik, maar elkaar nergens raken en gescheiden zullen blijven zolang het water uit twee zeeën door de Bosporus blijft stromen.

Hoewel Tanpınar zich zijn leven lang intens met de Oost-Westproblematiek heeft beziggehouden, schildert hij in Sereen de Bosporus juist als een in zichzelf besloten eenheid: het toneel van een verfijnde cultuur – de ‘Bosporusbeschaving’ zoals zijn tijdgenoot en collega-schrijver Abdülhak Şinasi Hisar die noemde. Een cultuur waarin de Osmaanse kunstmuziek en de klassieke divanpoëzie van dichters als Bâkî en Nedim een belangrijke plaats vervullen. Een homogene cultuur ook, waarin iedereen het min of meer eens is over wat mooi is en wat niet. Een cultuur waarin traditie belangrijker is dan vernieuwing, het kunstwerk belangrijker dan de kunstenaar, bescheidenheid belangrijker dan ‘zichtbaar’ en een individu te willen zijn. En een gesloten cultuur. Niet alleen in praktische zin: van de kustwegen die tegenwoordig de vroegere Bosporusdorpen verbinden was in Tanpınars tijd nog geen sprake, en zelfs toen de veerboten halverwege de negentiende eeuw eenmaal met hun lijndiensten begonnen was het vervoer van oever naar oever nog een hele onderneming, zoals men in Sereen verzucht. De wereld van de villa’s langs het water was vooral in sociaal opzicht maar heel beperkt toegankelijk. Een universum, alles bij elkaar, dat aan zo weinig verandering onderhevig is dat de tijd lijkt stil te staan, dat zo gesloten is dat zelfs het licht afkomstig lijkt uit haar binnenste, uit het donkere gebladerte van de bomen, uit de diepte van het water.

Daarmee was de wereld aan de oevers van de Bosporus veel homogener en constanter dan die in het centrum van de stad – we spreken over een tijd waarin de beide gebieden nog niet tot één reusachtige conglomeratie aan elkaar gegroeid waren, zoals nu het geval is. In de stadswijken rond de Gouden Hoorn, waar de grote meerderheid van de Istanbulse bevolking woonde, stond het leven veel meer bloot aan culturele invloeden van buitenaf. Ten zuiden van die smalle waterarm, op het historisch schiereiland, waar İhsan woont en Mümtaz met zijn geliefde tussen de oude gebouwen dwaalt, was die beïnvloeding vooral het gevolg van de handel en de economische bedrijvigheid, waarin iedere politieke of culturele ontwikkeling onmiddellijk voelbaar is. Het gedeelte op de noordelijke oever, met Beyoğlu, het moderne centrum van de stad, stond al van oudsher in contact met West-Europa. Hier liggen de wijken waar de ambassades waren gevestigd, chique buitenlandse winkels hun filialen hadden, reizende schrijvers uit Europa overnachtten, en scholen stonden zoals het Galatasaraylyceum, waar de leerlingen ook in een westerse taal worden onderricht. Het is het gedeelte van de stad waar Mümtaz en Nuran met haar familie in de winter naartoe verhuizen, als het seizoen aan de Bosporus ten einde is.

Ook voor ons, lezers nu, is die Bosporusbeschaving een moeilijk toegankelijke wereld. De plaatsen aan de oevers zijn inmiddels eenvoudig te bereiken, de muziek wordt overal in de stad nog uitgevoerd, en er zijn nog altijd mensen die de klassieke gedichten declameren. Maar van de cultuur waarin dat alles was ingebed op de manier zoals Tanpınar die beschrijft resteert maar weinig. Zelfs schriftelijke bronnen zijn er nauwelijks, op memoires van de laatste vertegenwoordigers van die wereld na: Abdülhak Şinasi Hisar bijvoorbeeld, die in de jaren vijftig zijn herinneringen aan de villa’s langs het water en de boottochten bij maanlicht publiceerde. Het zijn verslagen die een zekere nostalgie ademen, omdat de auteurs zich wel realiseren dat ze schrijven over een wereld die teloorgaat. Ook in de tijd waarin Tanpınar zijn roman situeert was die Bosporusbeschaving al grotendeels verdwenen: naar de verhalen over het leven in de villa’s luisteren Mümtaz en Nuran als naar de vertelling van een sprookje of een droom. En als ze ’s nachts uit varen gaan, en hun avondmaaltijd op het water willen eten, is dat, weten ze, een imitatie van de roemruchte boottochten over de maanverlichte Bosporus zoals die eens, ver vóór hun tijd, werden gemaakt.

Al werd ook Tanpınar te laat geboren om die wereld zelf in volle glorie te kunnen meemaken, hij kende haar wel. Zijn kennis en belezenheid hadden er in 1939 voor gezorgd dat hij, zonder voorafgaande academische carrière, werd aangesteld als hoogleraar Osmaanse literatuur van de negentiende eeuw. Maar zijn interesse bestreek van jongs af aan een periode die veel langer was dan één eeuw, veel meer disciplines omvatte dan de literatuur alleen, en een veel groter geografisch gebied verkende dan Istanbul, de hoofdstad en het culturele centrum van het Osmaanse Rijk – hoewel Istanbul voor Tanpınar altijd het standpunt zou blijven van waaruit hij naar andere gebieden keek. De cultuur ten oosten van Istanbul, in Anatolië, het Aziatische deel van Turkije, kende hij omdat hij er als kind en later als docent in een groot aantal steden had gewoond. Het vormde de basis voor zijn bundel Beş şehir (‘Vijf steden’, 1946), een verzameling beschouwingen waarin hij de culturele geschiedenis van de vijf voormalige Osmaanse hoofdsteden beschrijft.  Maar ook met de wereld ten westen van Istanbul – Europa,  met name Frankrijk, en daarin vooral Parijs – was Tanpınar vertrouwd. Zo zeer zelfs dat de Turkse schrijver en criticus Enis Batur Parijs Tanpınars ‘zesde stad’ noemt: een plaats die altijd in zijn bewustzijn aanwezig is, een plaats waarvan hij de literatuur en muziek al lang kende voordat hij die, in 1953, eindelijk kon bezoeken.

Culturele variatie en verandering, en de implicaties daarvan voor de identiteit en eigenheid van een individu, van een maatschappij, was een van de vraagstukken die Tanpınar tijdens zijn leven het meest hebben beziggehouden. Wat maakt het wezen uit van wie wij zijn? Het is een vraag die zich opdringt in ieder land dat een moderniseringsproces doormaakt. Maar de politieke ontwikkelingen die zich tijdens Tanpınars leven, bij de overgang van het Osmaanse rijk naar de republiek Turkije, voltrokken, en die uiteindelijk bitter weinig ruimte zouden laten voor culturele verscheidenheid, maakten het vraagstuk nog eens zo dwingend.

Vijfentwintig jaar vóór de publicatie van Sereen was met de proclamatie van de republiek Turkije een dikke streep getrokken onder de eeuwenoude Osmaanse geschiedenis, en het Osmaanse erfgoed zo goed als dood verklaard. De nieuwe machthebbers, onder leiding van Atatürk, waren ervan overtuigd dat alleen een nieuwe politieke wind en een nieuwe culturele oriëntatie een eind konden maken aan de neerwaartse spiraal waarin het Osmaanse Rijk aan het eind van haar bestaan was geraakt: een voortdurend verlies van grondgebied en invloed, terwijl wat nog resteerde van het eens zo machtige rijk aan interne verdeeldheid ten onder dreigde te gaan. De staat werd hervormd naar West-Europees model. Een unificatiepolitiek van één land, één taal, één godsdienst moest de dreigende verdeeldheid bezweren. De politiek van Atatürk en zijn medestanders vormde het sluitstuk van een hervormingsbeweging die in de negentiende eeuw met de Tanzimat (1839) in gang was gezet.

Een deel van de stringente hervormingen die werden doorgevoerd, zoals de afschaffing van het sultanaat en de invoering van nieuwe wetboeken, had betrekking op het staatsbestel. De religie werd verdreven uit het politieke leven, de soeficonventen werden gesloten. Andere hervormingen waren vooral symbolisch, zoals het besluit om het Anatolische provinciestadje Ankara de nieuwe hoofdstad te maken, nadat Istanbul eeuwenlang het centrum van de Osmaanse macht was geweest. Maar de veranderingen golden niet alleen de politiek. Veel van de hervormingen grepen tegelijkertijd ook diep in het bestaan van de burgers in en hadden grote gevolgen voor het culturele leven. Dat geldt bijvoorbeeld voor het besluit het Arabische alfabet te vervangen door het Latijnse, en het Turks zo veel mogelijk te zuiveren van de vele Arabische en Perzische leenwoorden en constructies die er in de loop van de eeuwen deel van waren gaan uitmaken. In kort tijdsbestek werd daarmee de literaire erfenis van eeuwen goeddeels ontoegankelijk. Jongeren konden de originele teksten in Arabisch alfabet niet meer lezen. Werden die omgezet in Latijns schrift, dan begrepen ze de vele Arabische en Perzische elementen niet. En werden die elementen verturkst, dan veranderde de betekenis van de tekst.

Hoe strikt die hervormingen op institutioneel niveau ook werden doorgevoerd, in het maatschappelijk leven conformeerde lang niet iedereen zich zonder slag of stoot aan de nieuwe politiek. Juist de periode eind jaren dertig, de periode waarin Sereen is gesitueerd, was bijzonder roerig. In het binnenland verzetten Koerdische groeperingen zich, hun opstanden werden hard neergeslagen. Voormalige tegenstanders van het nieuwe regime werd amnestie verleend, maar degenen die werden verdacht van communistische activiteiten, zoals de dichter Nâzım Hikmet, werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. Daarbij kwam dat door de dreigende Tweede Wereldoorlog het imago van West-Europa een deuk opliep, terwijl het Europese fascisme tegelijkertijd extreme tendensen in het Turkse nationalisme aanwakkerde. Het liet zien dat het wisselen van beschaving niet zo simpel is als het aantrekken van een nieuwe jas.

De abrupte breuk met het verleden die het nieuwe bewind voorstond, stond haaks op Tanpınars opvatting over tijd, zoals die is terug te vinden in Sereen, en ook in zijn andere beroemde roman, Het klokkengelijkzetinstituut, een ironische vertelling die hij in 1954 publiceerde (een Nederlandse vertaling van deze roman verscheen in 2009 bij Athenaeum–Polak & Van Gennep). Voor Tanpınar, een bewonderaar van de Franse filosoof Henri Bergson, is tijd juist een continue stroom, die niet valt op te delen in kleinere stukken, en waar evenmin zomaar een punt achter gezet kan worden. Die voortgaande stroom is bovendien onlosmakelijk verbonden met de mens, want tijd bestaat slechts bij de gratie van de herinnering, die het verleden steeds weer opnieuw vormgeeft. Daarmee zet het verleden zich voort in het heden en bepaalt het mede de toekomst.

Dat tijdscontinuüm is misschien te vergelijken met de vloeiende overgangen tussen de verschillende kunstdisciplines in Tanpınars wereld, en de gewaarwordingen van onze verschillende zintuigen, die in Sereen zo vaak met elkaar versmelten. Het is in ieder geval precies wat Tanpınar laat zien in de vierentwintig uur die hij in deze roman beschrijft, en die hij, door een groot aantal flashbacks te verknopen met het vertelheden, oprekt tot een periode van jaren. Het maakt duidelijk waarom Tanpınar meteen van zijn eerste romans een cyclus wilde maken die stroomde als een rivier.

 

Sereen. Roman van Ahmet Hamdi Tanpınar. Vertaling en nawoord door Hanneke van der Heijden. Verschenen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Amsterdam, 2013.