Orhan Pamuk – De andere kleuren. Beschouwingen en een verhaal (fragment)

Orhan Pamuk schrijft niet alleen romans, hij schrijft ook over romans: zijn gedachten bij het lezen van romans van andere auteurs, zijn ideeën over het schrijven van een roman heeft hij door de jaren heen uitgewerkt in artikelen en lezingen.

Een deel van die teksten is verzameld in de bundel De andere kleuren. Beschouwingen en een verhaal. Sommige gaan over bekende romans uit de wereldliteratuur, zoals De broers Karamazov van Dostojevski, Lolita van Nabokov of De vertellingen van duizend-en-één-nacht. In andere beschrijft Pamuk hoe hij het werk van (ook in het Nederlands vertaalde) Turkse auteurs leest: de romans van Yaşar Kemal, Oğuz Atay en Ahmet Hamdi Tanpınar.

Behalve leeservaringen zijn er in de bundel aantekeningen opgenomen die Pamuk maakte tijdens het schrijven van zijn romans, en interviews die hij over zijn werk gaf. Een thema dat de laatste jaren steeds belangrijker is geworden in zijn literaire werk, de relatie tussen afbeelding en tekst, vormt een zelfstandige sectie in het boek.

Literatuur is daarmee het belangrijkste onderwerp van De andere kleuren. Maar niet het enige. Of toch. Want voor Pamuk is literatuur onlosmakelijk verbonden met het dagelijks leven en met identiteit. Dat het literaire deel geflankeerd wordt door de secties ‘Leven en bekommernissen’ en ‘Politiek, Europa en andere problemen om jezelf te zijn’ is dan ook een logisch uitvloeisel van zijn literatuuropvatting.

De andere kleuren bevat vijfenzeventig beschouwingen, en een kort verhaal.

Een fragment kiezen uit zo’n gevarieerde bundel is niet eenvoudig. Hieronder volgt een passage uit een van mijn favoriete teksten in het boek: ‘Dostojevski’s Aantekeningen uit het ondergrondse: het genot vernederd te worden’.

 

We kennen allemaal het genot vernederd te worden. Goed, laat ik het dan zo zeggen: we hebben allemaal wel eens periodes meegemaakt dat we ontdekten wat een genoegen, wat een opluchting het is om onszelf te vernederen. Wanneer we onszelf woedend inwrijven wat voor verachtelijk, waardeloos mens we zijn, alsof we onszelf daarvan willen overtuigen, dan weten we dat ons dat in één keer verlost van die hele morele last om te zijn zoals iedereen, van die verstikkende zorgen om ons aan wetten en regels te houden, van de verplichting onze tanden op elkaar te zetten om maar op iedereen te lijken. Vernederd worden door anderen, of anderen vóór zijn en onszelf vernederen voordat iemand anders daartoe komt, brengt ons uiteindelijk op hetzelfde punt: de plek waar we ineens met het grootste gemak onszelf kunnen zijn, waar we ons heel tevreden kunnen wentelen in onze eigen geur, onze eigen beroerde gewoontes en gedrag, waar we afzien van pogingen om een beter mens te worden en positieve gedachten te koesteren over de rest van de mensheid. Dit eindpunt is zo comfortabel dat we onze woede en zelfzuchtigheid, die ons op dit punt van vrijheid en eenzaamheid hebben gebracht, bijna dankbaar zijn en er geregeld aan terugdenken.

 

Dat is het eerste wat Aantekeningen uit het ondergrondse van Dostojevski me iedere keer dat het lees weer laat zien. Toen ik het dertig jaar geleden voor het eerst las, was ik niet zozeer opgewonden over het genoegen dat het ondergaan van vernederingen schenkt en de logica die daarin schuilt, als wel over de woede van de hoofdpersoon, zijn eenzaamheid in een grote stad, in Sint-Petersburg, en zijn sarcastische en vermakelijk scherpe tong. Ik vatte de man uit het ondergrondse op als Raskolnikov uit Misdaad en straf, maar dan zonder schuldgevoel. Zo had het personage dankzij zijn cynisme een heel vermakelijke taal en logica. Ik was op mijn achttiende erg onder de indruk van Aantekeningen uit het ondergrondse omdat het een hele hoop dingen expliciet verwoordde die ik in Istanbul meemaakte, voelde, wist zonder te weten dat ik het wist.

 

Het kostte me in mijn jeugd bovendien geen enkele moeite om mezelf te herkennen in een groot aantal karaktereigenschappen van dit personage, dat uit het maatschappelijk leven vlucht. In de allereerste plaats zijn uitspraak dat ‘langer dan veertig jaar leven niet netjes’ is, dat het ‘vulgair, immoreel’ is (toen Dostojevski zijn veertigjarige personage deze woorden in de mond legde, was hij zelf drieënveertig), zijn oordeel dat hij was afgesneden van het leven in zijn land omdat hij zich met westerse boeken had vergiftigd, zijn idee dat een te groot bewustzijn, zelfs ieder soort van bewustzijn een ziekte is, zijn observatie dat zijn leed afnam als hij zichzelf dingen verweet, zijn overtuiging dat zijn eigen gezicht er behoorlijk dom uitzag, zijn spelletjes of hij ‘de blikken van deze of gene daar wel zou verdragen’… Die persoonlijke eigenschappen, die ik ook bij mezelf zag, bonden me aan dit personage en zorgden ervoor dat ik me zonder verdere vragen identificeerde met zijn ‘eigenaardigheid en vervreemding’. Misschien voelde ik op mijn achttiende wel aan wat het nog diepzinnigere gegeven was waar het boek en het personage op zinspeelden, en wat ze mij op een nog persoonlijker manier toefluisterden, maar omdat ik daar niets van moest hebben, er zelfs bang voor was, vergat ik dat weer zonder er verder al te lang bij stil te staan.

 

Nu ik het boek in de loop van de jaren vele malen heb gelezen, kost het me echter minder moeite om te formuleren wat voor mij het eigenlijke onderwerp is, het onderwerp waaraan het boek zijn energie ontleent: dat is de jaloezie, de woede en de trots geen Europeaan te kunnen zijn. Maar ondanks al die vertrouwde eigenschappen waar ik mezelf heel eenvoudig mee identificeerde, verwarde ik op mijn achttiende die woede van de man uit het ondergrondse met een maatschappelijke vervreemding uit persoonlijke motieven. Omdat ik, net als alle verwesterde Turken, mezelf maar al te graag Europeser vond dan het geval was, dacht ik dat het een filosofische eigenaardigheid was die deze mij zo vertrouwde man in het ondergrondse opgesloten hield, in plaats van het te beschouwen als een psychisch probleem dat verband hield met Europa. De Europese gedachte zoals die van Nietzsche tot Sartre werd geformuleerd, of het existentialisme, dat aan het eind van de jaren zestig ook in Turkije populair was, verklaarde deze eigenaardigheid van de man uit het ondergrondse met concepten die mij heel ‘Europees’ in de oren klonken en daardoor raakte ik nog verder verwijderd van de dingen die het boek mij speciaal toefluisterde.

 

Uit: Orhan Pamuk, De andere kleuren. Beschouwingen en een verhaal. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2008. Oorspronkelijke titel: Öteki renkler. Seçme yazılar ve bir hikâye (1999). Vertaling uit het Turks: Hanneke van der Heijden.