Yusuf Atılgan – Hotel Moederland (fragment)

In oktober 2017 verscheen bij Uitgeverij Jurgen Maas Hotel Moederland, mijn vertaling van de roman Anayurt Oteli, geschreven door Yusuf Atılgan. Hieronder een fragment uit de roman.

 

Hij werd wakker. Het was schemerig in de kamer. Hij strekte zijn hand uit naar het zware Omega-zakhorloge, dat een collega van zijn vader, toen die nog klerk bij de burgerlijke stand was, hem in ruil voor twee gouden munten had gegeven, pakte het van de hutkoffer bij het hoofdeind en hield het naar het raam: kwart voor zes. Hij wond het op, legde het neer. Zijn onderbroek vertoonde aan de voorkant een zwelling; hij duwde er met zijn linkerhand op. Hij kwam overeind; rook aan zijn hemd, stapte uit bed. Voordat hij naar de wc ging zette hij een ketel water op het petroleumstel. Toen hij naar buiten kwam waste hij zich; hij droogde zich af, sloeg de handdoek om zich heen en liep terug naar zijn kamer. Hij pakte schoon ondergoed uit de hutkoffer, kleedde zich aan. Voor de kleine spiegel aan de muur kamde hij zijn haar: zijn snor zat op zijn plek. Hij stopte het horloge in zijn vestzak, deed het raam open. Dekte zijn bed. Liet zijn sokken en handdoek in de douchecel achter. Hij ging de kamer van de werkster in, deed het raam open, wekte haar.

Eenmaal beneden haalde hij de ijzeren dwarsbalk voor de buitendeur weg; hij pakte de sleutel uit zijn linkerzak en draaide het slot open. In de zijkamer vulde hij de theepot voor twee glaasjes en bracht het water aan de kook; schonk het op. Op een dienblad maakte hij een ontbijt voor zichzelf klaar. Tegen zevenen ontbeet hij aan zijn bureau. Hij had altijd één klontje suiker in zijn thee. Boven klonk gekraak en gestommel. Een boerenman van middelbare leeftijd met een borstelsnor kwam de trap af. Gisteravond had hij het hem gevraagd; hij kwam niet uit dat dorp.

‘Smakelijk.’

‘Zegt u het maar.’

‘Bedankt. Wat krijgt u van me?’

De man betaalde, vertrok. Hij at maar het smaakte hem niet, hij dronk nog een glas thee, ruimde het dienblad op. Hij poetste zijn tanden, ging terug naar zijn plek. Stak een sigaret op. De laatste drie dagen had hij nu en dan zonder de rook te inhaleren een sigaret gerookt. Vrijdag ook? Vrijdag was een nevelige dag geweest. ’s Middags was hij ingedommeld terwijl de man die officier buiten dienst zei te zijn kranten had zitten lezen, hij had een tijdje geslapen. Toen er op het bureau werd geklopt was hij wakker geworden, had opgekeken: voor hem stonden een jonge vrouw en een jonge man; ze glimlachten. Had hij soms gesnurkt? Het was het echtpaar, een leraar en lerares, dat dinsdag aangekomen was; ze waren op het lyceum benoemd; hadden gezegd dat ze in het hotel zouden blijven tot ze een woning hadden. ‘Bent u ziek?’ ‘Nee, ik heb alleen wat hoofdpijn.’

Hij legde zijn sigaret in de asbak; opende het dikke hotelregister dat voor hem lag. Turend naar het formulier van gisteren schreef hij de namen van de hotelgasten in het boekwerk over. Zijn handschrift was niet vloeiend maar wel leesbaar. Op iedere pagina was ruimte voor twee dagen met per dag vakjes voor de kamers 1 tot en met 9, en per kamer ruimte voor de afzonderlijke bedden. Hij bladerde terug naar donderdag. Er stonden twaalf namen genoteerd; het leek of de kamer van de vrouw die met de vertraagde trein uit Ankara was gekomen leeg was geweest. Niet dat het veel uitmaakte, hij gaf die kamer tenslotte maar een paar keer per jaar aan iemand, en bovendien deed hij een keer in de veertien dagen alsof een of twee bedden onbezet waren geweest, en hevelde dan, wanneer iedereen weg was en hij het ’s ochtends binnengekomen geld uit de la haalde en in de kluis legde, steeds een lira van de hotelrekening naar zijn eigen rekening over; toch wilde hij vaststellen dat de vrouw die nacht in die kamer had verbleven. Maar haar zomaar een naam geven kon hij niet.

 

Fragment uit: Yusuf Atılgan, Hotel Moederland. Amsterdam: Uitgeverij Jurgen Maas, 2017. Vertaald uit het Turks en van een nawoord voorzien door Hanneke van der Heijden. Oorspronkelijke titel: Anayurt Oteli (Istanbul: 1973).