Nawoord bij ‘De lanterfanter’ – roman van Yusuf Atılgan

Gisteren is bij Uitgeverij Jurgen Maas De lanterfanter verschenen. Voor iedereen die niet bij de presentatie kon zijn of meer wil weten over Yusuf Atılgan en zijn roman, hieronder het nawoord dat ik bij De lanterfanter schreef.

Tekst: Hanneke van der Heijden.

De romankunst wordt door bijvoorbeeld Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk opgevat als de kunst om je in een ander te verplaatsen: om je eigen leven te beschrijven als was het dat van een ander, het leven van een ander als dat van jezelf. Dat is een optimistische opvatting, want ze gaat uit van de vooronderstelling dat begrip van de ander, van zijn leven, zijn gedachten en drijfveren, daadwerkelijk mogelijk is.

Zo’n omschrijving laat goed zien hoe ongewoon het is wat Yusuf Atılgan (1921-1989) in zijn debuut ondernam, want als schepper van C. verplaatst Atılgan zich paradoxaal genoeg in een personage dat zich juist niet in anderen wil of kan verplaatsen, in een man die ervan overtuigd is dat het onmogelijk is je in die mate in een ander in te leven. ‘Ze zouden het toch niet begrijpen,’ zegt C. Het is de allerlaatste zin van de roman, C. doet er verder het zwijgen toe.

Het vraagstuk hoe zich tot ‘de ander’ te verhouden is wat C. op zijn lange wandeltochten het meest bezighoudt. En de stad biedt vele gelegenheden voor confrontaties met ‘de ander’. Zich bewegend tussen de drommen mensen op straat, zijn stappen steeds weer herhalend, beziet C. het moderne stadsleven, ondergaat de werking van de anonieme massa’s, wordt gedwongen in het sociale gewoel zijn plaats als individu te bepalen.

De stad waar Atılgans hoofdpersoon doorheen loopt krijgt net als hijzelf geen naam. Maar de wijken wel, en de routes van C. zijn zo realistisch beschreven dat je ze haast kunt na lopen. Het is dan ook niet moeilijk te achterhalen dat De lanterfanter gesitueerd is in het Istanbul van de jaren vijftig. Met zo’n miljoen inwoners was de stad weliswaar vele malen kleiner dan nu, de massale migratie van het Turkse platteland was nog maar net op gang gekomen, maar ook toen al was Istanbul de grootste stad van het land. Lees verder…

Het huis van Ahmet Hamdi Tanpınar

Een van de opvallendste gebouwen aan de İstiklâl Caddesi, de lange winkelstraat in het centrum van Istanbul, is Narmanlı Han. Vergeleken met de meeste andere oude panden in de straat heeft het een zeer lange en opvallend sobere gevel. De winkelstraat verwerkt per dag zo’n miljoen passanten. Maar wie de ruime binnenplaats van het gebouw oploopt waant zich in een dorp. Weg herrie. In de lente staan er zelfs een paar bomen in bloei.

Het pand, dat dateert uit 1831, diende oorspronkelijk als ambassade van Rusland. In de jaren dertig van de vorige eeuw ging het over in particuliere handen. De nieuwe eigenaars verhuurden sommige woningen later als ateliers en ‘vrijgezellenonderkomens’. Ahmet Hamdi Tanpınar was in de jaren vijftig een van de huurders. Hij schreef er zijn beroemde roman Het klokkengelijkzetinstituut. Een bordje aan de gevel herinnert daaraan.

Maar sinds een paar dagen hangt er aan diezelfde gevel nog een bord: ‘Particulier eigendom’. Inmiddels is er ook een stalen poort geïnstalleerd. De binnenplaats op wandelen kan niet meer.

De actiegroep Beyoğlu Kent Savunması (‘Stadsverdediging Beyoğlu’) protesteerde gisteren tegen de maatregelen, waarmee de binnenplaats wordt afgesloten voor het publiek. De groep vreest dat het pand gebruikt wordt voor speculatie. Projectontwikkelaars zien meer brood in hotels en winkelcentra dan in cultuur. De laatste jaren zijn er al veel bioscopen en boekhandels uit de centrumwijk Beyoğlu verdwenen. De etage waar Oğuz Atay ooit Tutunamayanlar (‘Het leven in stukken’) schreef wordt inmiddels verhuurd aan toeristen. Particulier eigendom of niet, Narmanlı Han moet behouden blijven als cultureel erfgoed, vindt de actiegroep.

 

Prachtige ogen

Giftig van jaloezie en tegelijkertijd vervuld van het gevoel een sukkel te zijn loopt Mümtaz, de hoofdpersoon in de roman Sereen, op een koude, miezerige avond naar Taksim, naar het appartement in het centrum van Istanbul waar zijn geliefde Nuran naar hij wel zeker weet zich zonder hem zit te vermaken. Maar als hij eenmaal in het portiek staat, klaar om aan te bellen, zakt de moed hem in de schoenen en kan hij alleen nog denken aan de funeste uitwerking die het op Nuran zal hebben als hij bij het gezelschap binnen komt stuiven, met een doodongelukkig gezicht en geen ander doel dan haar te vinden. De auteur, Ahmet Hamdi Tanpınar, vervolgt:

‘Langzaam liep hij bij de huisdeur vandaan. Hij liep verder zonder op straat iemand aan te kijken, als om niet te weten wie de verlate gasten waren, haast in een poging niets van de omgeving te zien.

Op een van de onderste verdiepingen ging een radio aan. En van het ene op het andere moment vulde het volksliedje van Mustafa Çavuş de winternacht en de straat: ‘Prachtige ogen, o zo prachtig…’ Mümtaz voelde een steek in zijn hart. Het was een van Nurans lievelingsliedjes.’

Voor wie wil horen hoe het lied klinkt dat Mümtaz door de ziel snijdt: hier is een opname te beluisteren van ‘Şahane gözler’, zoals het lied in het Turks heet. Het wordt vertolkt door Müzeyyen Senar. De ‘diva van de republiek’ stierf vorige week op 97-jarige leeftijd.

 

Tanpınars roman ‘Het klokkengelijkzetinstituut’ vertaald in het Italiaans

Na het Duits, Frans, Bosnisch, Macedonisch, Pools, Albaans, Kroatisch, Servisch, Georgisch, Hebreeuws, Bulgaars, Roemeens, Azeri, Arabisch, Nederlands, Spaans, Engels en nog zo’n twintig talen is de roman Saatleri Ayarlama Enstitüsü (‘Het klokkengelijkzetinstituut’) van Ahmet Hamdi Tanpınar nu ook vertaald in het Italiaans. Voor wie in Istanbul is: Tanpınars vertaler, Fabio Salomoni, wordt ter gelegenheid van de publicatie op woensdag 11 februari om 19.00 uur geïnterviewd in het Italiaans cultureel centrum. Voor meer informatie, zie de website van het instituut.

Enkele omslagen van vertalingen van Tanpınars roman (voor meer voorbeelden, klik hier):

 

 

 

 

 

 

 

Voor een fragment uit de Nederlandse vertaling, klik hier.

Nawoord bij ‘Sereen’ van Ahmet Hamdi Tanpınar

In 2013 verscheen Sereen, mijn vertaling van de roman Huzur van Ahmet Hamdi Tanpınar. Hieronder het nawoord dat ik bij deze roman schreef.

Een roman fleuve stond Ahmet Hamdi Tanpınar (1901-1962) voor ogen toen hij zich na zijn eerste gedichten, korte verhalen en kunstbeschouwingen in de jaren veertig waagde aan het schrijven van romans. Sereen, dat in 1948 als feuilleton in de krant Cumhuriyet verscheen en een jaar later uitkwam als boek, zou het middelste deel van een trilogie vormen, geflankeerd  door zijn debuutroman Mahur Beste (‘Lied in Mahur’, 1944) en de roman Sahnenin dışındakiler (‘Buiten het toneel’, 1950). Het was een literaire vorm die in de Turkse literatuur nog niet was uitgeprobeerd. Het plan laat zien hoezeer Tanpınar de ontwikkelingen in de westerse literatuur volgde, en hoezeer hij probeerde wat hij daar zag met de Turkse literatuur te verenigen. Het pakte anders uit: Sereen is inmiddels ingelijfd bij de Turkse canon, maar de beide andere romans van Tanpınars trilogie worden nauwelijks meer gelezen.

Een roman fleuve in de eigenlijke betekenis van het woord is Sereen daarom niet geworden. Maar de grote rol die is weggelegd voor de brede waterweg die dwars door Istanbul stroomt maakt het boek in een heel andere zin alsnog tot een ‘rivierenroman’. En omgekeerd: als er één Turkse roman is die met de Bosporus wordt geassocieerd, dan is het wel Sereen, waarin de geliefden Mümtaz en Nuran voortdurend varen, zwemmen en vissen, langs het water lopen en erover uitkijken. De Bosporus is de hele roman lang bijna altijd in de buurt. Overigens niet alleen als het decor voor een liefde die precies één Bosporusseizoen duurt. De Bosporus verplaatst zich in de geliefde, vereenzelvigt zich met de muziek die in de villa’s wordt gespeeld. De stroming, de kleuren, het licht op het water fluctueren als de gevoelens van de hoofdpersonen.

Buiten Turkije is de Bosporus tegenwoordig vooral populair als zinnebeeld voor de scheiding tussen Oost en West: twee culturen, of beschavingen, zoals Tanpınar dat pleegt te noemen, die volledig in elkaars zicht liggen, haast binnen handbereik, maar elkaar nergens raken en gescheiden zullen blijven zolang het water uit twee zeeën door de Bosporus blijft stromen.

Hoewel Tanpınar zich zijn leven lang intens met de Oost-Westproblematiek heeft beziggehouden, schildert hij in Sereen de Bosporus juist als een in zichzelf besloten eenheid: het toneel van een verfijnde cultuur – de ‘Bosporusbeschaving’ zoals zijn tijdgenoot en collega-schrijver Abdülhak Şinasi Hisar die noemde. Een cultuur waarin de Osmaanse kunstmuziek en de klassieke divanpoëzie van dichters als Bâkî en Nedim een belangrijke plaats vervullen. Een homogene cultuur ook, waarin iedereen het min of meer eens is over wat mooi is en wat niet. Een cultuur waarin traditie belangrijker is dan vernieuwing, het kunstwerk belangrijker dan de kunstenaar, bescheidenheid belangrijker dan ‘zichtbaar’ en een individu te willen zijn. En een gesloten cultuur. Niet alleen in praktische zin: van de kustwegen die tegenwoordig de vroegere Bosporusdorpen verbinden was in Tanpınars tijd nog geen sprake, en zelfs toen de veerboten halverwege de negentiende eeuw eenmaal met hun lijndiensten begonnen was het vervoer van oever naar oever nog een hele onderneming, zoals men in Sereen verzucht. De wereld van de villa’s langs het water was vooral in sociaal opzicht maar heel beperkt toegankelijk. Een universum, alles bij elkaar, dat aan zo weinig verandering onderhevig is dat de tijd lijkt stil te staan, dat zo gesloten is dat zelfs het licht afkomstig lijkt uit haar binnenste, uit het donkere gebladerte van de bomen, uit de diepte van het water.

Daarmee was de wereld aan de oevers van de Bosporus veel homogener en constanter dan die in het centrum van de stad – we spreken over een tijd waarin de beide gebieden nog niet tot één reusachtige conglomeratie aan elkaar gegroeid waren, zoals nu het geval is. In de stadswijken rond de Gouden Hoorn, waar de grote meerderheid van de Istanbulse bevolking woonde, stond het leven veel meer bloot aan culturele invloeden van buitenaf. Ten zuiden van die smalle waterarm, op het historisch schiereiland, waar İhsan woont en Mümtaz met zijn geliefde tussen de oude gebouwen dwaalt, was die beïnvloeding vooral het gevolg van de handel en de economische bedrijvigheid, waarin iedere politieke of culturele ontwikkeling onmiddellijk voelbaar is. Het gedeelte op de noordelijke oever, met Beyoğlu, het moderne centrum van de stad, stond al van oudsher in contact met West-Europa. Hier liggen de wijken waar de ambassades waren gevestigd, chique buitenlandse winkels hun filialen hadden, reizende schrijvers uit Europa overnachtten, en scholen stonden zoals het Galatasaraylyceum, waar de leerlingen ook in een westerse taal worden onderricht. Het is het gedeelte van de stad waar Mümtaz en Nuran met haar familie in de winter naartoe verhuizen, als het seizoen aan de Bosporus ten einde is.

Ook voor ons, lezers nu, is die Bosporusbeschaving een moeilijk toegankelijke wereld. De plaatsen aan de oevers zijn inmiddels eenvoudig te bereiken, de muziek wordt overal in de stad nog uitgevoerd, en er zijn nog altijd mensen die de klassieke gedichten declameren. Maar van de cultuur waarin dat alles was ingebed op de manier zoals Tanpınar die beschrijft resteert maar weinig. Zelfs schriftelijke bronnen zijn er nauwelijks, op memoires van de laatste vertegenwoordigers van die wereld na: Abdülhak Şinasi Hisar bijvoorbeeld, die in de jaren vijftig zijn herinneringen aan de villa’s langs het water en de boottochten bij maanlicht publiceerde. Het zijn verslagen die een zekere nostalgie ademen, omdat de auteurs zich wel realiseren dat ze schrijven over een wereld die teloorgaat. Ook in de tijd waarin Tanpınar zijn roman situeert was die Bosporusbeschaving al grotendeels verdwenen: naar de verhalen over het leven in de villa’s luisteren Mümtaz en Nuran als naar de vertelling van een sprookje of een droom. En als ze ’s nachts uit varen gaan, en hun avondmaaltijd op het water willen eten, is dat, weten ze, een imitatie van de roemruchte boottochten over de maanverlichte Bosporus zoals die eens, ver vóór hun tijd, werden gemaakt.

Al werd ook Tanpınar te laat geboren om die wereld zelf in volle glorie te kunnen meemaken, hij kende haar wel. Zijn kennis en belezenheid hadden er in 1939 voor gezorgd dat hij, zonder voorafgaande academische carrière, werd aangesteld als hoogleraar Osmaanse literatuur van de negentiende eeuw. Maar zijn interesse bestreek van jongs af aan een periode die veel langer was dan één eeuw, veel meer disciplines omvatte dan de literatuur alleen, en een veel groter geografisch gebied verkende dan Istanbul, de hoofdstad en het culturele centrum van het Osmaanse Rijk – hoewel Istanbul voor Tanpınar altijd het standpunt zou blijven van waaruit hij naar andere gebieden keek. De cultuur ten oosten van Istanbul, in Anatolië, het Aziatische deel van Turkije, kende hij omdat hij er als kind en later als docent in een groot aantal steden had gewoond. Het vormde de basis voor zijn bundel Beş şehir (‘Vijf steden’, 1946), een verzameling beschouwingen waarin hij de culturele geschiedenis van de vijf voormalige Osmaanse hoofdsteden beschrijft.  Maar ook met de wereld ten westen van Istanbul – Europa,  met name Frankrijk, en daarin vooral Parijs – was Tanpınar vertrouwd. Zo zeer zelfs dat de Turkse schrijver en criticus Enis Batur Parijs Tanpınars ‘zesde stad’ noemt: een plaats die altijd in zijn bewustzijn aanwezig is, een plaats waarvan hij de literatuur en muziek al lang kende voordat hij die, in 1953, eindelijk kon bezoeken.

Culturele variatie en verandering, en de implicaties daarvan voor de identiteit en eigenheid van een individu, van een maatschappij, was een van de vraagstukken die Tanpınar tijdens zijn leven het meest hebben beziggehouden. Wat maakt het wezen uit van wie wij zijn? Het is een vraag die zich opdringt in ieder land dat een moderniseringsproces doormaakt. Maar de politieke ontwikkelingen die zich tijdens Tanpınars leven, bij de overgang van het Osmaanse rijk naar de republiek Turkije, voltrokken, en die uiteindelijk bitter weinig ruimte zouden laten voor culturele verscheidenheid, maakten het vraagstuk nog eens zo dwingend.

Vijfentwintig jaar vóór de publicatie van Sereen was met de proclamatie van de republiek Turkije een dikke streep getrokken onder de eeuwenoude Osmaanse geschiedenis, en het Osmaanse erfgoed zo goed als dood verklaard. De nieuwe machthebbers, onder leiding van Atatürk, waren ervan overtuigd dat alleen een nieuwe politieke wind en een nieuwe culturele oriëntatie een eind konden maken aan de neerwaartse spiraal waarin het Osmaanse Rijk aan het eind van haar bestaan was geraakt: een voortdurend verlies van grondgebied en invloed, terwijl wat nog resteerde van het eens zo machtige rijk aan interne verdeeldheid ten onder dreigde te gaan. De staat werd hervormd naar West-Europees model. Een unificatiepolitiek van één land, één taal, één godsdienst moest de dreigende verdeeldheid bezweren. De politiek van Atatürk en zijn medestanders vormde het sluitstuk van een hervormingsbeweging die in de negentiende eeuw met de Tanzimat (1839) in gang was gezet.

Een deel van de stringente hervormingen die werden doorgevoerd, zoals de afschaffing van het sultanaat en de invoering van nieuwe wetboeken, had betrekking op het staatsbestel. De religie werd verdreven uit het politieke leven, de soeficonventen werden gesloten. Andere hervormingen waren vooral symbolisch, zoals het besluit om het Anatolische provinciestadje Ankara de nieuwe hoofdstad te maken, nadat Istanbul eeuwenlang het centrum van de Osmaanse macht was geweest. Maar de veranderingen golden niet alleen de politiek. Veel van de hervormingen grepen tegelijkertijd ook diep in het bestaan van de burgers in en hadden grote gevolgen voor het culturele leven. Dat geldt bijvoorbeeld voor het besluit het Arabische alfabet te vervangen door het Latijnse, en het Turks zo veel mogelijk te zuiveren van de vele Arabische en Perzische leenwoorden en constructies die er in de loop van de eeuwen deel van waren gaan uitmaken. In kort tijdsbestek werd daarmee de literaire erfenis van eeuwen goeddeels ontoegankelijk. Jongeren konden de originele teksten in Arabisch alfabet niet meer lezen. Werden die omgezet in Latijns schrift, dan begrepen ze de vele Arabische en Perzische elementen niet. En werden die elementen verturkst, dan veranderde de betekenis van de tekst.

Hoe strikt die hervormingen op institutioneel niveau ook werden doorgevoerd, in het maatschappelijk leven conformeerde lang niet iedereen zich zonder slag of stoot aan de nieuwe politiek. Juist de periode eind jaren dertig, de periode waarin Sereen is gesitueerd, was bijzonder roerig. In het binnenland verzetten Koerdische groeperingen zich, hun opstanden werden hard neergeslagen. Voormalige tegenstanders van het nieuwe regime werd amnestie verleend, maar degenen die werden verdacht van communistische activiteiten, zoals de dichter Nâzım Hikmet, werden veroordeeld tot lange gevangenisstraffen. Daarbij kwam dat door de dreigende Tweede Wereldoorlog het imago van West-Europa een deuk opliep, terwijl het Europese fascisme tegelijkertijd extreme tendensen in het Turkse nationalisme aanwakkerde. Het liet zien dat het wisselen van beschaving niet zo simpel is als het aantrekken van een nieuwe jas.

De abrupte breuk met het verleden die het nieuwe bewind voorstond, stond haaks op Tanpınars opvatting over tijd, zoals die is terug te vinden in Sereen, en ook in zijn andere beroemde roman, Het klokkengelijkzetinstituut, een ironische vertelling die hij in 1954 publiceerde (een Nederlandse vertaling van deze roman verscheen in 2009 bij Athenaeum–Polak & Van Gennep). Voor Tanpınar, een bewonderaar van de Franse filosoof Henri Bergson, is tijd juist een continue stroom, die niet valt op te delen in kleinere stukken, en waar evenmin zomaar een punt achter gezet kan worden. Die voortgaande stroom is bovendien onlosmakelijk verbonden met de mens, want tijd bestaat slechts bij de gratie van de herinnering, die het verleden steeds weer opnieuw vormgeeft. Daarmee zet het verleden zich voort in het heden en bepaalt het mede de toekomst.

Dat tijdscontinuüm is misschien te vergelijken met de vloeiende overgangen tussen de verschillende kunstdisciplines in Tanpınars wereld, en de gewaarwordingen van onze verschillende zintuigen, die in Sereen zo vaak met elkaar versmelten. Het is in ieder geval precies wat Tanpınar laat zien in de vierentwintig uur die hij in deze roman beschrijft, en die hij, door een groot aantal flashbacks te verknopen met het vertelheden, oprekt tot een periode van jaren. Het maakt duidelijk waarom Tanpınar meteen van zijn eerste romans een cyclus wilde maken die stroomde als een rivier.

 

Sereen. Roman van Ahmet Hamdi Tanpınar. Vertaling en nawoord door Hanneke van der Heijden. Verschenen bij Athenaeum-Polak & Van Gennep. Amsterdam, 2013.

Genres in Turkije (1) – Fictie of: hoe belangrijk is de roman eigenlijk?

Wie de lijst bekijkt van Turkse literatuur die in het Nederlands is vertaald, ziet vooral romans. Maar ga je naar de jaarlijkse boekenbeurs in Istanbul, dan moet je in het overvolle programma met lezingen, interviews en panels hard zoeken naar de naam van een romanschrijver. Hoe belangrijk zijn romans eigenlijk in Turkije?

Drie romans publiceerde de schrijver Mahir Öztaş (1951) in de loop van zijn carrière. Ze kwamen uit bij een gerenommeerde uitgeverij in Istanbul. Maar toen hij in 1973 debuteerde, was dat niet met een roman, of een kort verhaal, maar met een gedicht. ‘In de jaren zeventig begon eigenlijk iedereen met poëzie. Er kwamen weinig romans uit in die tijd. Bestsellers zoals je die nu hebt, had je toen al helemaal nauwelijks,’ zegt hij in een café in het centrum van Istanbul waar we elkaar treffen. Öztaş, van huis uit architect, leest veel en praat graag over literaire vorm. Na een dichtbundel en tussen zijn romans door zou hij ook drie bundels met korte verhalen publiceren.

Ander voorbeeld. Sait Faik Abasıyanık, Nâzım Hikmet en Ahmet Hamdi Tanpınar, alle drie geboren in de eerste jaren van de twintigste eeuw, worden unaniem tot de grondleggers van de moderne Turkse literatuur gerekend. Maar geen van drieën had veel op met het romangenre. Sait Faik Abasıyanık legde zich toe op korte verhalen. Zijn tijdgenoot Nâzım Hikmet groeide uit tot een van de belangrijkste dichters in het land. De enkele romans die ze ook schreven bleven in de schaduw van hun andere werk. Tanpınar ontleent zijn roem wél aan zijn romans, met name aan Sereen en Het klokkengelijkzetinstituut, al kwam die laatste roman pas na zijn dood in boekvorm uit. Maar zelf was Tanpınar veel liever de geschiedenis in gegaan met zijn gedichten.

Nog een voorbeeld. Van Refik Halid Karay, een auteur die bekend staat als een van de grootste stilisten, worden nu vooral de korte verhalen en romans gelezen. Van de vracht aan artikelen die hij voor kranten en tijdschriften schreef, wist niemand nog het bestaan – zelfs zijn familie was ze totaal vergeten – tot enkele maanden geleden de letterkundige Tuncay Birkan na enkele jaren archiefwerk twee bundels met terug gevonden teksten uitbracht. Ze vormen het begin van een lange reeks: Birkan heeft achttien delen aangekondigd.

Dat literatuur uit een ander land over andere onderwerpen kan gaan, daarmee houden de meeste lezers wel rekening. Het gaat tenslotte om een andere cultuur, een andere geschiedenis. Maar dat er in een andere literatuur misschien ook andere genres worden beoefend, of dat er met dezelfde genres anders wordt omgegaan, wordt vaak vergeten. Toch was de roman in Turkije aanvankelijk minder belangrijk als we in de eenentwintigste eeuw aan de Noordzee geneigd zijn te denken.

 

De Osmaanse traditie
Dat de Turkse roman enige tijd nodig had om uit te groeien tot een populair fictiegenre heeft ongetwijfeld te maken met zijn relatief late entree op wat toen nog Osmaanse bodem heette (het kernland kreeg pas met de stichting van de republiek in 1923 de naam Turkije). Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, zo’n drie eeuwen later dan in West-Europa, verschenen de eerste romans in Istanbul. Dat waren aanvankelijk vooral vertalingen van populaire Franse titels. In de hoop een oplossing te vinden voor de politieke, militaire en economische verliezen hadden de Osmanen vanaf de achttiende eeuw hun blik namelijk steeds meer op West-Europa gericht. De vele Osmaanse intellectuelen die aan het eind van de negentiende eeuw kortere of langere tijd in Frankrijk verbleven, brachten een stroom aan Osmaanse vertalingen van dat onbekende genre op gang. Daarmee kreeg het Westen ook een grote culturele invloed.

Maar Osmaanse auteurs beperkten zich niet onmiddellijk tot dat nieuwe genre. Er waren wel meer genres te beoefenen. Poëzie bijvoorbeeld, die in tegenstelling tot de roman kon bogen op een eeuwenlange traditie. Aan de traditionele onderverdeling van de divan-poëzie van de elite, de mystieke tekke-poëzie en de volkspoëzie, zouden in de negentiende en twintigste eeuw heel nieuwe vormen worden toegevoegd. Poëzie leefde, en dat doet het nog steeds. Anders dan in Nederland of Vlaanderen is in Turkije poëzie populair onder jongeren. Ze schrijven zelf poëzie, of dromen daarvan. Verzen van Nâzım Hikmet sierden spandoeken tijdens de Gezi-protesten vorige zomer. Maar ook politici die hun toespraken met literatuur willen larderen, kiezen voor een dichtregel, niet voor een citaat uit een roman.

Het korte verhaal arriveerde tegelijkertijd met de roman in de Turkstalige literatuur, eveneens onder Franse invloed. Lange tijd was het verhaal veel populairder dan de roman. Veel verhalenschrijvers probeerden af en toe ook een roman uit (die tot in de jaren vijftig overigens vaak eerst als krantenfeuilleton werden gepubliceerd). Voor sommigen, zoals Sait Faik Abasıyanık, bleef het bij een enkel experiment. Anderen, Tanpınar bijvoorbeeld, werden wel gegrepen door de mogelijkheden van het nieuwe genre en schreven meerdere romans. Maar ook hij bleef zijn leven lang daarbij een hartstochtelijk schrijver van gedichten, essays, studies, brieven en dagboeken. Een romanschrijver schreef niet alleen romans. Mahir Öztaş staat met zijn poëzie, korte verhalen, romans en losse teksten voor verzamelbundels wat dat betreft in een traditie.

 

De schrijver als politiek commentator
Door zijn late entree in de Osmaanse literatuur bekleedde de roman met andere woorden lange tijd een bescheiden plaats binnen het hele scala aan genres. Maar dat niet alleen. De maatschappelijke context gaf de roman ook een aantal bijzondere kenmerken. In de eerste plaats was dat de nadruk op een maatschappelijk geëngageerde inhoud, veel meer dan op allerlei vormexperimenten. De eerste Osmaanse romanschrijvers en vertalers vormden de voorhoede in de politieke strijd die in de nadagen van het Osmaanse Rijk woedde. Het genre was dan ook vanaf het begin sterk gekoppeld aan de politieke debatten in het land. Dat is, niet verwonderlijk, het duidelijkst te zien in de thema’s die gekozen werden. De passie voor auto’s bijvoorbeeld, een bekende roman uit 1898, die vol staat met Franse leenwoorden, gaat over de soms absurde vormen die de liefde voor West-Europa aannam. Maar ook toen de republiek een feit was en de maatschappelijke hervormingen soms tegenvielen, het leven op het verwaarloosde platteland onverminderd hard bleef, de meningen over de relatie tot West-Europa verschilden, werd dat in romans aan de orde gesteld.

Behalve in de inhoud (en in het taalgebruik, want ook de taal was inzet van de politieke strijd) wordt de politieke lading van de roman ook op een abstracter niveau weerspiegeld. Mahir Öztaş: ‘In Frankrijk kun je stelen en tegelijkertijd gevierd zijn als schrijver. In Turkije is het haast ondenkbaar dat een dief, een crimineel, ook een gewaardeerd auteur is. Wat dat betreft lijkt de Turkse houding meer op de Russische. Het morele gedrag van de auteur is bijna belangrijker dan zijn tekst.’ Je ziet het duidelijk terug in de waardering van Orhan Pamuks romans: er zijn veel, heel veel lezers die trots beweren slechts enkele pagina’s van de Nobelprijswinnaar te hebben gelezen, maar desondanks niets van zijn werk willen weten – ze vinden dat Pamuk te commercieel is bijvoorbeeld, dat hij Turkijes vuile was buiten hangt of het Westen te veel naar de mond praat.

Het grote belang van de houding van de auteur is net als de nadruk op de inhoud van de roman te zien als een uitvloeisel van de manier waarop het genre zijn intree maakte. Met dat maatschappelijke engagement hoeft het niet te verbazen dat veel auteurs niet enkel fictie schreven. De maatschappelijke beroeringen van een rijk dat verkruimelde en een republiek die in oprichting was, een land dat in het brandpunt stond van andere naties en verscheurd dreigde te worden door interne tegenstellingen, boden stof genoeg. Lezers hadden in zulke onoverzichtelijke tijden behoefte aan een gids. En auteurs, gewend aan hun rol in de politieke voorhoede, hielden van een rol als uitlegger en commentator.

Refik Halid Karay (1888-1965) was zo iemand. Voor kranten en tijdschriften schreef hij honderden artikelen, deels vanuit Aleppo, waarnaar hij vanwege zijn politieke opvattingen moest uitwijken, deels vanuit Turkije toen hem (en een groot aantal andere auteurs) in 1938 amnestie werd verleend. Zoals veel van zijn collega’s becommentarieerde Karay een grote variatie aan onderwerpen, van het dagelijks leven tot de politiek, en vaak natuurlijk de politiek in de vorm van een dagelijks detail. ‘Voor alles hebben columnisten belangstelling, naar alles zijn ze nieuwsgierig, en over alles willen ze bekvechten,’ schrijft Orhan Pamuk in een artikel dat hij in 1997 over dit genre schreef: ‘Omdat ze de sympathie en het vertrouwen genieten van de lezers, kunnen ze het de ene dag over de liefde hebben, om de volgende dag Clinton of de paus van advies te dienen, kunnen ze met hetzelfde gemak over een corrupte burgemeester schrijven als over de fouten van Freud, en dat maakt hen tot een soort “professor in van alles”. Een populaire professor: ‘Zo’n tien, vijftien jaar geleden [dat wil zeggen, halverwege de jaren tachtig], voordat de televisie een verandering teweegbracht in de gewoonte om de krant te lezen, was het schrijven van columns in de ogen van de lezer het hoogste wat je als auteur kon bereiken.’ (opgenomen in De andere kleuren)

In de roman en het korte verhaal zette de politieke oriëntatie zich in grote lijnen voort tot 1980, al zijn er altijd ook auteurs en stromingen geweest die zich daartegen afzetten (maar daarmee de dominantie van die verwachting impliciet erkenden). De staatsgreep van 12 september 1980 maakte korte metten met iedere politieke activiteit, vooral aan de linkse kant van het politieke spectrum. Daarmee werd ook het culturele leven monddood gemaakt: uitgeverijen en boekhandels werden gesloten, schrijvers werden opgepakt. De repressie en terreur zorgden voor een langdurige depolitisering van het maatschappelijke en culturele leven. Die depolitisering werd nog in de hand gewerkt door internationale ontwikkelingen die zich niet lang na de coup aftekenden: met de val van de Berlijnse Muur brokkelde ook de invloed van de traditionele politieke ideologieën af. In de literatuur won het postmodernisme aan invloed. De Turkse roman is wat dat betreft misschien meer op de moderne Nederlandse gaan lijken.

 

Dit is het (licht aangepaste) eerste deel uit het artikel ‘Verne, verzen en een spandoek. Turkse literaire traditie en moderniteit’. Verschenen in De leeswolf, jrg. 20, nr. 3 (juni 2014).

Voor deel 2 (over non-fictie) klik hier. Voor deel 3 (over genres in vertalingen uit het Turks) klik hier.

 

 

Articles in English

Although most of the articles on this site are written in Dutch, you will from now on also find contributions in English. Just click on “English” on the main bar of this site.

The first post is an article about the novel Huzur (A Mind at Peace) by the Turkish novelist Ahmet Hamdi Tanpınar. The article is based on talks I gave the last three months in De Balie in Amsterdam and at the Netherlands Institute in Turkey.

In the U.S., novelist, essayist and poet Ahmet Hamdi Tanpınar was rediscovered only recently when Penguin Classics published The Time Regulation Institute (Saatleri Ayarlama Enstitüsü; 1954/1961) in a new English translation by Maureen Freely and Alexander Dawe. In a review  in The New York Times the book was praised as a ‘literary discovery from the past’, one of those books that ‘arrive [...], as if to remind us that this thing called literature is much larger than our own little moment.’

 

Istanbul as a map of melodies

Below you’ll find the (slightly revised) text of a talk I held on 23 January 2014 at the Netherlands Institute Turkey on Ahmet Hamdi Tanpınar and his novel ‘Huzur’ (‘A mind at Peace’). 

The translators among you will probably agree with me that after spending several months wandering around in a text one can easily end up cherishing the illusion that the world you happen to be emerged in must be known to everyone else as well. The universe of that particular novel becomes so much of a second home that it is difficult to imagine other people might not inhabit that world. Admittedly, it’s a weird illusion. I assume that not all of you have read Tanpınar’s novel Huzur which in English is called ‘A Mind at Peace’, and ‘Sereen’ in my Dutch translation.

Tanpınar is no doubt one of the best known modern authors in Turkey, a writer who enjoys a high literary prestige. His novel Huzur is also widely known, although not many people have actually read the book. But it’s also true that for a long period Tanpınar was considered a conservative writer, someone who was not particularly popular among the progressive (literary) establishment – I’ll come back to that in a minute. In addition, to many young readers in Turkey today the Ottoman culture Tanpınar refers to so abundantly in Huzur is a far, exotic and foreign world. Huzur is therefore not an easy read, also not for Turkish readers. But as several Dutch critics remarked when the Dutch translation came out a year ago: even though reading Huzur requires an effort, in the end you do get something in return. Maybe we best start with a short summary of the novel.

 

Summary
Huzur is many things but to give you a general idea, it is also the story of the tragic love between Mümtaz and Nuran. The novel is made up of four parts, all of them named after one of the main characters. Despite the length of the novel, the story takes place in a time span of only twenty four hours, in one single day: It is the 31st of August 1939, the day before the outbreak of the Second World War. However, the many flashbacks and memories woven into the novel – Tanpınar was an admirer of James Joyce and Marcel Proust – stretch the boundaries of this single day to a time span of many years.

Huzur starts with Mümtaz walking the streets of Istanbul. He has to run several errands for his cousin İhsan who is tied to his bed because of a severe case of pneumonia. While walking through the city Mümtaz thinks of his childhood remembering the death of his parents during the War of Independence and the time he went to live with İhsan and his wife Macide in the old part of Istanbul on the historical peninsula. İhsan is more than just a relative, to Mümtaz he’s also a mentor, his teacher. İhsan introduces Mümtaz to Ottoman history, together they discuss the political situation in Turkey, the war at hand – and war preparations are going on on every street Mümtaz passes. But Mümtaz also thinks of his relationship with Nuran, which has come to an end because Nuran decided to reconcile with her former husband.

The second part of the novel is called after Nuran and takes us back a year to the spring of 1938, when the love between Mümtaz and Nuran is about to blossom. Their romance which started in spring follows the same course as the seasons on the shore of the Bosporus. Mümtaz had left the banks of the Golden Horn to go and live in the village of Emirgân. Unlike today, in the thirties the shores of the Bosporus were still two green strips of land, spotted with isolated villages and the wooden summer residencies of well-off families. It’s a world far from the city centre in Taksim. They go for long walks on the shores, and for rowing trips on the water. Slowly, they start to make plans for a future together. But the end of summer spreads a sense of doom and foreboding in their relationship.

And in the third part of the novel, which is called ‘Suat’, things do indeed go wrong. Suat is related to Mümtaz and in all respects his opposite. He looks down on women. He’s a nihilist and he slams everything that’s old-fashioned and not modern. When Mümtaz and Nuran organise a dinner party with a concert of Ottoman classical music Suat ruins the evening. He suffers from tuberculosis and will probably die soon but meanwhile he makes it his mission to destroy Mümtaz’ and Nuran’s relationship. At the end of the summer Nuran’s family moves to Taksim, and Mümtaz rents a small apartment close by. He and Nuran want to get married, but Nuran also feels obliged to reconcile with her former husband. Mümtaz feels in limbo, waiting for his love to make up her mind. When she finally agrees to marry him, Suat decides to commit suicide in the hallway of Mümtaz’ apartment. Nuran breaks off their relationship. In her opinion there’s no chance they will ever be happy together. She leaves the city for Bursa, then carries on to Izmir to start a new life with her former husband and her little daughter. Mümtaz stays behind feeling heart-broken and at a complete loss.

In the final part, which is called ‘Mümtaz’, we’re back in August 1939, the day before the outbreak of World War II. İhsan’s health has deteriorated and Mümtaz goes out to fetch a doctor. When they come back, İhsan appears to be in a slightly better state. Mümtaz leaves again for medicine. When he returns, he collapses on İhsan’s doorstep. In a semi-conscious state he fights Suat telling him that he won’t commit suicide like he did and that he will carry the burden of life. When he finally enters the house, Hitler has just given the order to attack.

 

A novel about Istanbul
As can be seen from this short summary Mümtaz is not exactly someone who spends a lot of time at home. Quite the opposite: He is permanently on the move and as a result the city of Istanbul is present on nearly every page of the novel. Very much like Stephen Dedalus and Leopold Bloom who roam the streets of Dublin in James Joyce’s Ulysses, Tanpınar’s protagonist Mümtaz covers big parts of the city he lives in. While writing Huzur in the forties of the last century, Tanpınar also lived in Istanbul, in the district of Kadıköy on the Asian shore where the Bosporus flows into the Sea of Marmara. And Tanpınar knew his home town well.

But then, there are many cities in Turkey Tanpınar knew well. As the son of a judge he lived in places as different as Sinop, Siirt and Antalya. As a teacher of Turkish literature he worked in Ankara, Erzurum and Konya. His travels were complemented by his historical and cultural interest in his country and the vast knowledge he amassed over the years. All of that resulted in a collection of essays called Five cities (‘Beş şehir’), a book about the five different capitals of the Ottoman Empire and the continuity between the various civilisations that were rooted in these cities.

So, one wonders, is it mere coincidence that the novel Huzur is set in Istanbul? Is the choice of Istanbul simply due to the fact that the author happened to live there when he started writing the novel? Is Istanbul, in other words, a random choice of scenery? And could Huzur just as well have been located in one of the many other cities in Turkey? In Bursa, for instance? In Konya? Or in Edirne?

For readers who know that Tanpınar was a scholar of Ottoman history and very much involved in the issues of East and West, of tradition and modernity, and also for those who are familiar with Istanbul’s history, Mümtaz’ walks and rowing trips are not just wanderings on the off chance. If we have a closer look at how exactly Mümtaz moves through the city, we will notice that the Istanbulian neighbourhoods do not serve as a mere décor. On the contrary, Tanpınar skillfully uses the city’s historical layout to show us something else.

In 1938, the year in which Mümtaz falls in love with Nuran, fifteen years had passed since Istanbul had stopped being a capital. With the proclamation of the Turkish republic in 1923, Ankara replaced Istanbul, the city which had been the capital of the Ottoman Empire for almost 500 years. It was only one of many steps Atatürk and his followers, the Kemalists, decided to take in order to turn the Ottoman past into a closed book.

As is often the case with common knowledge, one tends to forget the actual implications of such measures. Or let me speak for myself, I never actually realised the impact this decision had on Istanbul until I read a text written by my friend and colleague Tuncay Birkan. For some years now, Tuncay Birkan has been busy tracking a huge amount of lost articles written by Refik Halid Karay, another of Turkey’s prominent authors. Karay and Tanpınar were contemporaries. This collection of articles written by Karay for newspapers and magazines will be published in 18 volumes. The first two came out just last week.

In his preface to the first volume which is dedicated to Istanbul, Tuncay Birkan points out how for the new Kemalist regime Istanbul was a synonym for the past, whereas Ankara stood for the present and the future. With its many visible features reminiscent of the religious and cosmopolitan Ottoman past, Istanbul was thereby turned into Ankara’s ultimate ‘other’. The new capital was to become nationalist, contemporary and secular in order to represent the new ideals.

In addition, the images that were created for the old and the new capital soon took on a moral dimension as well. This may have been facilitated by the double meaning of the Turkish word ‘temiz’ meaning both ‘clean’ and ‘decent’. From the dust and dirt of ages that were felt to cover Istanbul it was only a small step to endowing it with a character which wasn’t decent. Ankara’s brand new wide and straight boulevards, on the other hand, were associated with being straight forward and open minded. Thus, whereas Istanbul came to be identified with the traditions of the Ottoman Empire and the sultans’ family, with cosmopolitan pollution and degeneration, Ankara became the symbol of purity, moral superiority and idealism.

This was more than the hollow rhetoric of men who had just come to power. It directly affected the allocation of state budgets for housing and public works. In the first Five-Year-Plan for the development of the country the budget for public works in Istanbul was staggeringly low when compared to the budgets available for Ankara and other much smaller towns in Anatolia. With hardly any money to spend, the former capital started to fall into disrepair: there was a lack of drinking water, the infrastructure was in no way capable of meeting transportation needs, historical buildings were neglected or disappeared behind clusters of barracks and ramshackle sheds, public transport was carried out by slow busses and streetcars and dilapidated ferries. In other words, the Kemalist government in Ankara resorted to a deliberate, ideologically charged policy of neglect. As the sociologist Hakan Kaynar puts it: ‘Rather than making itself visible in Istanbul, the republic preferred to make Istanbul and its past invisible.’

In 1938, the year before the story of Huzur takes place, the author Refik Halid Karay was allowed to return to Istanbul after fifteen years in exile. According to a well known anecdote, soon after his arrival in his sorely missed city, Karay who was known for his biting pen, was summoned to a police station. There he was told not to even think about writing an article with the title ‘Miserable Istanbul’. It shows how pitiful the city had become, and how much the state was aware of the results of its policy.

When we look at Huzur from this perspective, Tanpınar’s choice of Istanbul and the book’s reminders of the Ottoman past were indeed a statement and a direct reference to the dominant political discourse in the thirties and forties. But as the former capital of the Ottoman empire and the ultimate ‘other’ of the young republic’s new capital, Istanbul was the city of choice to write a novel about the country’s past and its relationship to its present and future as well as about the debate on tradition vs. modernity.

The country’s past, present and future are not only present in the storyline of the novel but also in the many political discussions by its protagonists and not least in the areas and neighbourhoods chosen by Tanpınar as a location for Mümtaz’ lodgings and walks.

Huzur starts on the historical peninsula, south of the Golden Horn. The house where İhsan and Macide live, Mümtaz’ new home when he arrives in the city, is located in the oldest part of Ottoman Istanbul. When Mümtaz leaves home after finishing school, he moves from the historical peninsula to the northern part of the Bosporus, to the village of Emirgân. His beloved Nuran lives right across from him – on the Anatolian shore, in a mansion in the village of Kandilli. Together they go for rowing tours on the Bosporus, just as the well-off Ottomans used to do in the Empire’s cultural Golden age. When winter sets in, first in the city and soon after in their relationship, they move to Taksim, the modern city centre by Kemalist standards. In the novel’s last part, Mümtaz is back with İhsan on the Ottoman peninsular. Thus, Mümtaz’ respective residencies in the city represent the development of both the Ottoman Empire and Turkey: from the old Ottoman part on the Golden Horn to the Bosporus and the Ottoman Golden Age and eventually to Taksim, the symbol of the new republic.

The final part reads like an afterword: When Mümtazgoes back to the historical peninsular after Nuran has left him, it feels like an attempt to come to terms with the past, to say good-bye and to make up his mind about the future. The novel’s focus is on the contrast between the Bosporus, the place where Mümtaz and Nuran first fall in love, and Taksim, where their love comes to such a tragic end.

Tanpınar depicts the Bosporus as a homogeneous and secluded environment, the scenery for a refined culture – the ‘Bosporus civilisation’ as it was called by one of Tanpınar’s friends, the author Abdülhak Şinasi Hisar. This ‘Bosporus civilisation’ goes back to the seventeenth and eighteenth century when the Ottoman elites left the shores of the Golden Horn and started to build their summer residencies on the banks of the Bosporus. Ottoman culture, the music by composers such as Dede Efendi and divan poetry by poets like Bâkî and Nedim played an important role. It was a culture in which tradition was more important than modernism, in which the work of art had greater significance the artist and in which modesty was considered more important than being visible as an individual. At the same time it was a secluded culture. Not only in a practical sense: when Tanpınar wrote Huzur there were no roads connecting the villages along the shores. In a social sense access to the world of the yalı’s, the villas on the waterfront, was at least as restricted. It was a universe in its own right, one that was so little subject to change that time seemed to have come to a standstill, a world so secluded that even the light seemed to glow from its inner self, from within the dark foliage of the trees and the depths of the water.

In this respect the Bosporus is the exact opposite of Taksim – the district which for centuries had been open to foreign influences, and especially to the influence of European culture. From an early age on the merchants, artists and ambassadors from Europe settled in this part of the city which was then called Pera. At the turn of the nineteenth and twentieth century reformist Ottomans started to swap their villas on the Bosporus for an apartment in modern, European oriented Taksim: a part of the city which was not submerged in the silence of the centuries, but buzzing with theatres and cafés and the frantic life of business and trade.

 

Music and time
The cultural contrasts exemplified by the parts of Istanbul Tanpınar chose as a setting for his story, are mirrored in music. Mümtaz’ walks through the city are very often accompanied by musical compositions: classical Ottoman music, but also songs from the nineteenth century and traditional folk songs. The music coming to Mümtaz’ mind is evoked by the historical buildings he sees on his way. It changes Istanbul’s landscape into ‘a map of melodies, of dream images’ as Tanpınar puts it. The melodies on the map connect the different places to each other and to history. In this respect, the Ottoman compositions and songs are almost like songlines, or dreaming tracks as they were called by Bruce Chatwin in his well-known book about aboriginal creation myths in Australia.

In Huzur Tanpınar also contrasts Ottoman music with Western classical music. A dinner party given by Mümtaz at his house on the shore of the Bosporus, is followed by a concert of Ottoman classical music. Yet, when Suat decides to commit suicide in the Taksim apartment he first sits down to listen to some music. Instead of a record by Dede Efendi he chooses a violin concert by Beethoven. In Tanpınar’s view this discord in music represents a more encompassing cultural issue. Istanbul is coined by two cultures, in Tanpınar’s words by two civilisations. The question is how the two should be related to one another.

But there’s still more to say about Huzur and music. Huzur not only quotes the musical compositions going through Mümtaz’ mind but the structure of the novel itself bears similarities with a musical composition. With Mümtaz’ voices being simultaneously in the present and in different periods of the past, the novel is a piece of music in its own right. Not a piece of Ottoman music for one voice, but a polyphonic symphony by Beethoven or Wagner.

With every new voice added to the novel, time is stretched a little more. Music ís time. In Mümtaz’, or Tanpınar’s words:

[Muziek is geen goed voertuig voor de liefde... dacht hij.] Want muziek werkt op de tijd. Muziek is de ordening van de tijd. Ze vernietigt het heden. [Terwijl geluk zich juist in het heden bevindt.]’

‘[Music is not a good medium for love’ he thought.] ‘Because music has an effect on time. Music structures time. It destroys the present. [Whereas happiness    takes place in the moment].’ [p.357]

Just as life itself, a musical composition is confined in length. Only the elevator music played in shopping malls and supermarkets can go on forever. Any other composition ultimately grows silent. And just as life itself, music not only has a length, but also a width: Perhaps one could describe it as the sum of tones you hear simultaneously. Yet, no matter how confined a composition may be in length, the width of music, and thus the width of time, can be stretched infinitely. The polyphony of a musical composition, or of a novel like Huzur, is a way of ‘leven in de breedte’ to use a term coined by the Dutch novelist A.F.Th. van der Heijden, which could be translated as leading a life which stretches the width of the moment.

In other words, in Huzur music is not only connected to space, but also to time. More than that: place is time. With their architectural characteristics the magnificent old buildings, the historical mosques, the public baths encountered by Mümtaz on his walks and rowing trips not only refer to a certain historical time or era. Due to their capacity of evoking music and the memories associated with it, they are time, curdled time, solidified time. Substance that is, something which enables us to re-experience a past moment or period over and over again. This idea of space and objects as solidified time may sound familiar to the readers of Orhan Pamuk’s last novel. In The Museum of Innocence (‘Het museum van de onschuld’ as it is called in Dutch) the protagonist Kemal eagerly collects objects that have been touched by Füsun, his unattainable love. The end of a cigarette, a hair pin, tens of small dog shaped figurines. They are chunks of solidified time, a substance which allows Kemal to re-experience the time he spent in her presence. They are exhibited in the museum Kemal dedicates to his beloved.

In Tanpınar’s work time is a key concept. In his other famous novel: The Time Regulation Institute (‘Het klokkengelijkzetinstituut’) it is even included in the title. This novel was published in 1954 , five years after Huzur. It first came out as a series in a newspaper and as a book in 1961, only two months before Tanpınar’s premature death (for those who want to read it in English: a new translation by Alexander Dawe and Maureen Freely was just published by Penguin). The Time Regulation Institute is about an institute which is established with the aim of regulating all the clocks in the country. Quite contrary to Huzur, it is written in a freewheeling and ironical style. The stylistic differences between these two novels are so big that most readers in Turkey either like Huzur or The Time Regulation Institute. Readers who are a fan of both are rare. But no matter how much these two novels may differ in tone, thematically they are closely related: both of them are about time, the essence of time and the way it is experienced.

As an adept of the French philosopher Henri Bergson, Tanpınar considers time to be a solid, uninterrupted stream – a stream which is generated by humans, by every single individual. Time owes its existence to human memory and its capacity to recreate the past again and again. Without this permanent process of reinventing the past, the future simply wouldn’t exist. This implies that by cutting off the past we cut off the future as well. And this is not only true for individuals and their relation to the past, but also for society as a whole. In Tanpınar’s view denial of the Ottoman cultural heritage is therefore bound to lead to nothing. Reforms which are adopted from the West yet lack any substrate in Turkey are destined to fail. You can’t take on another culture the way you put on a new shirt. Instead, the past should be integrated in both the present and the future: the Ottoman past as an integral part of the modern republic designed along western lines. Or, in the imagery of Huzur: an Ottoman motive in a Western symphony.

To us, readers in the 21st century – and this could be especially true for readers from outside of Turkey – the concept of a continuum of time may seem somewhat self-evident. But in Turkey at the beginning of the 20th century Tanpınar’s concept of time and history was not exactly common sense. Tanpınar, who was a specialist in Ottoman literary history, saw with his own eyes how the political and ideological climate in his country changed, and how the door to the past was eventually firmly shut. As a teenager he witnessed how the Ottoman Empire became a shadow of its former mighty self. When he was in his twenties, he heard the proclamation of the republic of Turkey which was to replace it. In his thirties Tanpınar was surrounded by the zeal of Atatürk’s followers in trying to implement their ideals for the future. And in his forties and fifties he lived among the increasing numbers of critical voices raised to express their disappointment. Throughout the years Tanpınar spent writing, the past was systematically wiped out from public life. It was expected of artists and authors to propagate the new ideals of the republic either with a certain amount of enthusiasm, or to at least be engaged with the future. Tanpınar’s interest in the Ottoman past didn’t earn him a lot of approval and was even considered suspicious. His fiction was often thought of as being reactionary, food for conservative and religious circles, for people who didn’t want to have anything to do with Kemalist reforms.

It’s only in the last two decades that this image has started to change. Today, Tanpınar is considered an author who wanted to stay in touch with the influences of two major cultures, with ‘the East’ and ‘the West’ as they’re often labeled. Since the increasing recognition of the influences of both these cultural spheres, Ahmet Hamdi Tanpınar has become one of the icons of modern Turkish literature. This is not only due to the fact that times have changed. In part Tanpınar owes his new status also to his younger colleagues, Turkish authors who refuse, just as he did, to commit to a single ideological camp but instead, make Turkey’s cultural discord their topic. Oğuz Atay, the author of the novel Tutunamayanlar [‘The Disconnected’] which ridicules Kemalism among many other political ideologies, is one example. Orhan Pamuk is another. I already mentioned that in The Museum of Innocence Pamuk was inspired by Tanpınar’s idea of substance as solidified time. Mümtaz’ walks through Istanbul are echoed in Pamuk’s novel The Black Book, in which the protagonist Galip goes for endless walks in Istanbul in search of his wife Rüya. Pamuk never made a secret of his admiration for Tanpınar, neither in his novels nor in his interviews.

 

Fleuve
In Tanpınar’s work the concept of a synthesis, of an uninterrupted continuum is not restricted to time. In his fiction the boundaries between thought and speech vanish, lines between different disciplines of art become blurred, different sensory perceptions blend into one: a novel can at the same time be a musical composition, sounds can have colours. And outside the realm of Huzur, in the wider context of the body of work left behind by Tanpınar, literary genres seem to merge too. Tanpınar’s oeuvre is not confined to novels. He also wrote short stories, and poems, he’s the author of a famous literary history, he wrote essays like his Five cities, and studies and reviews of other disciplines such as the theatre, sculpture, and of course, music.

We could relate this to a mystical experience in which the whole world is felt to be one undivided whole and the individual as a mere drop in the ocean of time. This is exactly what Mümtaz and Nuran experience on the shores of the Bosporus when they listen to the Prelude in Ferahfezâ, a composition by the Mevlevi composer Dede Efendi. This is at the same time one of the key scenes in the novel.

In this sense, it is telling that Tanpınar conceived his novel as a roman fleuve – a ‘river novel’ as it translates literally – an idea to which he was inspired by the French novelist Marcel Proust. Huzur was actually the second novel in a trilogy, however, things didn’t work out exactly the way Tanpınar had intended. Today, the first novel, Tanpınar’s debut Mahur Beste [‘Composition in Mahur’] and his third novel, Sahnenin dışındakiler [‘Those off-stage’] are known to just a very small group of readers. Huzur is the only book of the trilogy with a still fairly large readership, and it is increasingly translated into other languages.

 

References

Atay, Oğuz, Tutunamayanlar. Istanbul, 1971/1972.
[Dutch translation] Het leven in stukken. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van   Gennep, 2011. Translated by Margreet Dorleijn & Hanneke van der Heijden.

Chatwin, Bruce, The Songlines. London: Franklin Press, 1986.

Heijden, A.F.Th. van der, De tandeloze tijd. Amsterdam: Querido / De Bezige Bij. [Series of novels, still to be continued, the first of which was published in 1983]

Karay, Refik Halid, Hep İstanbul. İstanbul: İnkılap, 2014. Compiled and edited by Tuncay Birkan.

Kaynar, Hakan, Projesiz Modernleşme: Cumhuriyet İstanbul’undan Gündelik Fragmanlar. İstanbul: Pera Müzesi Yayınları, 2012.

Pamuk, İstanbul. Hatıralar ve Şehir. İstanbul: Yapı Kredi, 2003.
[Dutch translation] Istanbul. Herinneringen en de stad. Amsterdam: De Arbeiderspers / De Bezige Bij. Translated by Hanneke van der Heijden.
[English translation] Istanbul. Memories and the City. New York: Vintage, 2006. Translated by Maureen Freely.

Pamuk, Orhan, Kara Kitap. İstanbul, İletişim, 1990.
[Dutch translation] Het zwarte boek. Amsterdam: De Arbeiderspers / De Bezige Bij. Translated by Margreet Dorleijn.
[English translation] The Black Book. New York: Vintage. Translated by Maureen Freely.

Pamuk, Orhan, Masumiyet Müzesi. İstanbul: İletişim, 2008.
[Dutch translation] Het museum van de onschuld. Amsterdam: De Arbeiderspers, 2009 / De Bezige Bij, 2012. Translated by Margreet Dorleijn.
[English translation] The Museum of Innocence. New York: Knopf, 2009. Translated by Maureen Freely.

Tanpınar, Ahmet Hamdi, Beş şehir. İstanbul, 1946.

Tanpınar, Ahmet Hamdi, Huzur. Istanbul, 1949.
[Dutch translation] Sereen. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2013. Translated by Hanneke van der Heijden.
[English translation] A Mind at Peace. New York: Archipelago, 2008. Translated by Erdağ Göknar.

Tanpınar, Ahmet Hamdi, Mahur Beste. İstanbul, 1944.

Tanpınar, Ahmet Hamdi, Saatleri Ayarlama Enstitüsü. İstanbul, 1961.
[Dutch translation] Het klokkengelijkzetinstituut. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2009. Translated by Hanneke van der Heijden.
[English translation] The Time Regulation Institute. New York: Penguin, 2014. Translated by Maureen Freely & Alexander Dawe.

Tanpınar, Ahmet Hamdi, Sahnenin dışındakiler. İstanbul, [1973].

Istanbul as a map of melodies (announcement)

Rowing on the Bosporus and strolling through the streets of Istanbul, to Mümtaz, the protagonist of Ahmet Hamdi Tanpınar’s novel Huzur (‘A Mind at Peace’) the city becomes a map of melodies. Like James Joyce’s Leopold Bloom, Mümtaz goes for endless walks in his hometown, the former capital of the Ottoman Empire, thus traversing large parts of the city, not only on 31 August 1939, the day that is described in the novel, but also in flashbacks taking the reader on a journey through time.

Istanbul, music and time are recurring themes in the work of the author Ahmet Hamdi Tanpınar (1901-1962). They will be the topic of an (English) lecture I’ll give on Thursday 23 January at 18h30 in the Netherlands Institute in Turkey, Istanbul.

For more information please click here.

Een landkaart van klanken

Zo ervaart Mümtaz Istanbul als hij door de stad loopt en roeit, en bij de aanblik van allerlei gebouwen herinnerd wordt aan liederen en composities uit de klassieke Osmaanse muziek.

Net als Leopold Bloom in Ulixes van James Joyce, loopt de hoofdpersoon van Ahmet Hamdi Tanpınars roman Sereen voortdurend door zijn woonplaats, de voormalige hoofdstad van het Osmaanse Rijk. Hij ziet grote delen van de stad, niet alleen op 31 augustus 1939, de dag die in roman wordt beschreven, maar ook tijdens de vele flashbacks, die de lezer mee terug in de tijd nemen.

Istanbul, muziek en tijd, dat zijn terugkerende thema’s in het werk van de schrijver Ahmet Hamdi Tanpınar (1901-1962). Ze zijn het onderwerp van een lezing die ik donderdag 23 januari om 18u30 geef in het Nederlands Instituut in Turkije, Istanbul. Klik hier voor meer informatie.