Istanbul als ballingsoord – De brieven van Fritz Rudolf Kraus

‘Ich bemerke, daß Stambul auf guten Aufnahmen unwirklich schön erscheint, während es, wenn man hier ist, meistens störende Erscheinungen gibt, welche die Schönheit trüben, auf dem Bild aber zum Glück nicht sichtbar werden.’ Dat schrijft de Duitse assyrioloog Fritz Rudolf Kraus op 20 februari 1938 uit zijn ballingsoord Istanbul. Hij is dan zeven maanden van huis en worstelt met huisbazen, bureaucratische molens, een nieuwe taal en cultuur en de eenzaamheid van een baan tussen 70.000 kleitabletten.

Kraus’ verzuchting staat in een van de vele honderden brieven die hij in de loop van zijn leven aan zijn familie en collega’s schreef. De turkoloog Jan Schmidt bracht de brieven uit Kraus’ Istanbulse periode (1937-1950) onlangs bijeen: twee dikke delen, die Schmidt van een register en een uitstekende inleiding voorzag. De brieven zelf schetsen niet alleen een portret van een markante wetenschapper, die zelf zo af en toe ook in spijkerschrift correspondeert, een historicus, wiens eigen leven hevig door de loop van de geschiedenis is getekend. Kraus geeft in zijn brieven, die lezen als een spannende roman, vooral ook een beeld van het leven in Istanbul vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.

Erg gemakkelijk is dat Istanbulse leven niet, niet voor de mensen die altijd al in de stad woonden, en niet voor Kraus. En wanneer hij na een tweedaagse reis met de Oriëntexpres op 28 juli 1937 in Istanbul arriveert is dat toch al niet uit vrije wil. Als zoon van een joodse vader is het hem in nazi-Duitsland verboden als ambtenaar te werken. Een academische carrière in de oude talen van het Nabije Oosten is in Duitsland daarmee onmogelijk. Zijn promotor (en levenslange correspondent) Benno Landsberger, die dan al behoort tot het kleine groepje Duitse wetenschappers van joodse afkomst dat zijn toevlucht in Turkije heeft gezocht, helpt Kraus een baan te vinden bij het Archeologisch museum in Istanbul.

Kraus wordt er opgewacht door een overdonderende hoeveelheid kleitabletten uit Mesopotamië, een streek die tot 1923 deel uitmaakte van het Osmaanse Rijk. In de dertien jaar die hij in Istanbul zal blijven, werkt hij dag in dag uit in grote eenzaamheid aan de catalogisering van de op één na grootste collectie ter wereld. Hij is een van de eersten die zich daarmee bezighoudt. De Osmanen hadden de tabletten eind negentiende eeuw weliswaar enthousiast naar Istanbul overgebracht om net als zoveel andere Europese landen een nationaal museum op te richten, maar voor de bestudering ervan hadden ze weinig gelegenheid. Met alle politieke problemen die het Osmaanse Rijk plaagden, hadden ze dringendere zaken aan hun hoofd. Bovendien waren er nauwelijks specialisten die het schrift konden lezen. De collectie bleef ingepakt liggen.

Het lot van de tabletten verandert met de stichting van de Turkse republiek in 1923, zoals er in die periode heel veel verandert. Voor Atatürk en zijn volgelingen, de oprichters van de prille republiek, zijn de kleitabletten juist een uitgelezen kans om te laten zien dat het hen menens is met hun afkeer van het Osmaanse verleden. De kemalisten richten zich weliswaar het liefst op de toekomst, maar gaat het om het verleden, dan bij voorkeur de pre-Osmaanse, pre-islamitische geschiedenis. Sommige nationalisten rond Atatürk zien daarin de bron van het Turkse volk. De kleitabletten kunnen langzamerhand in kaart worden gebracht. Kraus, die vanaf 1938 ook een universitaire aanstelling krijgt, levert met zijn werk een belangrijke bijdrage aan de Turkse studie van de oude talen en culturen van het Nabije Oosten.

Ook in Ankara, dat als hoofdstad van de republiek de kemalistische idealen nog veel meer moet uitdragen, worden initiatieven ontplooid. En ook daar zijn het Duits-joodse academici die het vak een plaats in het universitaire curriculum zullen geven. Kraus’ promotor en mecenas Benno Landsberger wordt op de pas opgerichte Faculteit voor Talen, Geschiedenis en Geografie, aangesteld als soemeroloog, een van zijn studenten als professor hittitologie.

Ondertussen is in West-Europa de Tweede Wereldoorlog uitgebroken. Het betekent niet alleen een steeds grotere schaarste in Istanbul aan van alles en nog wat (Kraus moet geregeld in publieke ruimten opwarmen en beschrijft de vellen papier zo dicht dat er haast geen letter meer bij kan). Ook de situatie van buitenlanders wordt steeds precairder. Kraus kampt met voortdurende problemen rond zijn arbeidscontract en zijn verblijfstatus. Verlenging van zijn aanstelling blijft verschillende keren uit, waardoor hij geen salaris krijgt, en er is de voortdurende dreiging dat hij naar Duitsland zal worden uitgewezen. Zijn wetenschappelijke ambities raken gefrustreerd doordat hij zijn bevindingen nauwelijks mag publiceren. Tegelijkertijd maakt hij zich grote zorgen over het lot van zijn familie: een deel van zijn joodse verwanten woont in Wenen, zijn overige familie in het oosten van Duitsland.

Dat de uiterlijke schoonheid van Istanbul zoals die te zien is op een foto, voor Kraus nogal eens vertroebeld wordt door de moeilijkheden van het leven in die stad, is dan ook niet verwonderlijk. Kraus zou zich tot zijn vertrek in 1950 een vreemdeling blijven voelen. Maar over dat vreemdelingenbestaan en zijn ballingsoord schreef hij meeslepend.

 

Jan Schmidt (ed.), Dreizehn Jahre Istanbul (1937-1949). Der deutsche Assyriologe Fritz Rudolf Kraus und sein Briefwechsel im türkischen Exil. Leiden/Boston: Brill, 2014. 1753 pp. ISBN: 978 90 04 25774 0.

 

Bodrum als ballingsoord en het woelige leven in Çukurova – Verfilmde boeken op het Rode Tulp Filmfestival (5-9 juni 2013)

Het is moeilijk voor te stellen maar Bodrum, de Turkse badplaats waar ieder jaar tienduizenden toeristen hun vakantie doorbrengen, was tot ver in de twintigste eeuw een ballingoord. Op de plaats waar nu de hotels en resorts zijn neergeplant, stonden nog gewoon bossen. Wegen waren er nauwelijks. De bevolking leefde van de vis en het land. Er was te eten, maar ook niet veel meer dan dat.

Maar misschien was Bodrum ook toen al minder geschikt als ballingoord als de overheid had gedacht. In 1925 arriveert Cevat Şakir Kabaağaçlı (1890-1973), auteur van romans en vooral korte verhalen. Wat bedoeld was als strafmaatregel voor het schrijven van een artikel dat de politieke machthebbers in het verkeerde keelgat schoot, pakte onverwacht heel anders uit: Kabaağaçlı bleek zich in Bodrum als een vis in het water te voelen. De zoon van een pasja, opgeleid in Oxford, getrouwd in Italië, bleef nog vele jaren in het dorp wonen, ook toen zijn ballingschap in 1928 werd opgeheven. Hij legde een tuin aan en ging de zee op. Hij schreef er verhalen en romans over vissers en boeren (een daarvan, over vissers die op een kolkende zee met hun sloep omslaan, staat in Moderne Turkse verhalen). Zijn werk verscheen niet onder zijn eigen naam, maar onder het pseudoniem Halikarnas Balıkçısı, ‘de visser van Halicarnassus’, de naam van de Griekse stad die er ooit lag. Lees verder…

Schrijven aan de rand van de periferie – De romans van Mehmed Uzun

Duizenden mensen ging op 12 oktober 2007 de straat op in Diyarbakır, de grootste stad in Zuidoost-Turkije, met een overwegend Koerdische bevolking. De aanleiding: de uitvaart van de Koerdische auteur Mehmed Uzun (1953). Nog nooit, begon collega-auteur Yaşar Kemal zijn begrafenistoespraak, is een letterkundige door zo veel mensen uitgeleide gedaan. Uzun genoot een grote populariteit in zijn geboortestreek, hoewel veel van zijn Koerdische lezers zijn werk liever in het Turks lazen en hoewel ‘de schepper van de Koerdische roman’ al bijna dertig jaar als vluchteling in Stockholm woonde en werkte.

In een artikel over Vargas-Llosa, opgenomen in De andere kleuren, beschrijft Orhan Pamuk de typische positie van de zogenoemde derdewereldauteur, een schrijver in de periferie van de wereldliteratuur, een schrijver als de Peruaan Vargas-Llosa, een schrijver als Pamuk zelf. Deze positie, zegt Pamuk, wordt meer dan door de feitelijke plaats waar de auteur zijn literaire werk schrijft bepaald door de psychische afstand die de auteur voelt ten opzichte van de wereldliteratuur. De maatschappelijke problemen in zijn land van herkomst nopen de auteur tot een keuze over zijn relatie tot kunst en politiek, tot nationalisme en universaliteit. Tegelijkertijd verschaft de keur aan nieuwe, originele onderwerpen waar de derdewereldauteur uit kan putten hem al bijna vanzelf een zekere oorspronkelijkheid. Wat geldt voor Orhan Pamuk, geldt voor Mehmed Uzun in het kwadraat: als auteur uit Turkije bevindt hij zich in de periferie van de wereldliteratuur. Als Koerdische schrijver staat hij bovendien ook in het perifere Turkije in de marge. Terwijl hij als balling in Zweden tegelijkertijd nauw in contact is met het centrum van de wereldliteratuur. Het is zijn verhouding tot deze drie respectieve literaire gemeenschappen, de Koerdische, de Turkse en ‘de wereld’, die Uzuns schrijverschap heeft gekleurd. Dat komt het duidelijkst tot uiting in de taal die hij koos voor zijn romans, en in zijn literatuuropvatting.

Lees verder…