Sema Kaygusuz – Wilde wijnruit (kort verhaal)

Te midden van ronddwarrelend roet en in een geur van brandhout trok Canan alles wat ze aan had uit en smeet het in de droogste hoek van de badkamer. Haar huilen was net gestopt. Ze draaide het kraantje van de ketel in de houtkachel open, het borrelende water begon tegen de koperen ketel te tikken. De badkamer mocht er volgestouwd en provisorisch uitzien, altijd rommelig wat je er ook aan deed, het was de enige ruimte waar geen geluid van buiten te horen was en de geluiden van binnen binnen bleven, de plek waar Canan zich het meest op haar gemak voelde.

Ze ging op het lage krukje zitten. Al snel vulde de gloeiende stoom die van de ketel opsteeg de ruimte. Dat allereerste moment waarop je begint op te warmen! Zelfs het geprik van haar tranen was ze vergeten. Haar wangen kleurden meteen rood, er verschenen zweetdruppels tussen haar roze-witte borsten – meisjes bij wie de borsten uit elkaar staan schenen hun geboortegrond te verlaten, zij was maar niet weg gekomen –, eindelijk liet ze haar strak tegenelkaar geknepen benen ontspannen openvallen, keek naar die ontloken bloem, streek vluchtig over het haar, maar trok haar hand weg voordat ze iets gevoeld had. Ze begon de vlechten los te knopen, die als een zware hand op haar schouders rustten. Met iedere lus die ze loshaalde wikkelde nóg een vastgesnoerde haarstreng zich als een rok rond haar heupen. Een pijnlijke opluchting voelde ze, een lichtheid in haar hoofdhuid. Ze wreef in haar ogen, geeuwde lang en diep, hield op met snikken en begon op haar lip te bijten. Haar wimpers plakten aan elkaar, haar wenkbrauwen zakten, het dunne lijntje haartjes dat naar haar navel liep werd diepzwart als een uitgeschoten potloodstreep. Het gaf haar nog meer nadruk.

Ze had net de eerste voorzichtige aanstalten gemaakt voor een lang badritueel, wilde zich juist zonder enige haast, ontspannen in de armen van het warme water te slapen leggen, of daar stapte, hoe was het mogelijk, Gülsüm binnen! Met al het lawaai van de pannen waarvan ze het handvat brak, de theepotten waarvan ze het deksel verboog, het naaimachine dat ze met klappen aan de praat hield, stond ze voortgestuwd door de koude wind uit de gang opeens naast Canan. Het meisje wilde het kokendhete water met koud mengen, maar Gülsüm schoot overdreven snel het hete water te hulp en draaide de koudwaterkraan weer dicht. Haar benen in een spierwitte onderbroek met pijpen, haar bovenlijf in een vergeeld mannenhemd, haar hoofd in een doek waarvan de geborduurde randen tot draden waren gerafeld… Een terloopse naaktheid was het… Canan begreep dat ze er gloeiend van langs zou krijgen, en duwde haar wervels, die als een parelsnoer over haar rug liepen, nog meer naar buiten, wrong haar armen tussen haar benen en wachtte af wat gebeuren zou.

‘Het water is te heet, daar kan ik niet tegen,’ zei ze nog, voor het geval ze geluk had.

‘Niks aan de hand, dat kun je best.’

 

Met het harde blok zeep schuurde Gülsüm over Canans kleine hoofd en haalde onderwijl zwaar snuivend adem alsof de ergste beschimpingen door haar heen schoten. Steeds weer dompelde ze het smoezelige plastic bakje in het kokendhete water en kiepte het over het hoofd van haar dochter leeg, het meisje versteende, werd een schuimend standbeeld en voelde alleen op de beurze plekken, in de afdrukken van beten op haar borst het water branden. Verschroeid stond ze op, ging weer zitten, waar kon ze in die piepkleine badkamer heen? Blij dat ze wanneer ze maar wilde de pijn tot één punt kon reduceren, hief ze ondanks de zeep die in haar ogen kwam haar hoofd op naar haar moeder, ze kneep haar ogen dicht, wilde ze openen, deed het niet. Als een roerloze koppige schildpad blijven zitten, plotseling zwaar en in zichzelf teruggetrokken weerstand bieden aan Gülsüms kwaaie, hoekige bewegingen, het wakkerde de woede in Gülsüms dolle kracht alleen maar aan. Dit moment van tierende reiniging werd met de minuut heftiger, een geheim gevecht tussen moeder en dochter. Met alle kracht die ze in haar schouders had, schrobde Gülsüm de rug van haar dochter, veegde ondertussen met haar bovenarm de kriebelende haarstrengen die op haar wang plakten steeds weer weg en zei snel, zonder haar mond te bewegen, gedwongen iets te zeggen wat niet gezegd kan worden:

‘Morgen gaan we naar Gülizar, haar condoleren.’

Canan kreeg het koud, zo koud dat haar voeten, haar heupen, haar schouders ijsklompen leken. De woorden van haar moeder rolden als puntige kiezels van haar hoofd naar beneden. Ze wreef in haar van de zeep bloeddoorlopen ogen en wilde haar moeder aankijken, het lukte niet.

‘Mooi dat ik niet ga. En waarom zou jij gaan!’

Gülsüm sloeg het washandje tegen de rug van haar dochter, een klap leek het.

‘Geen sprake van dat we thuisblijven, daar wordt maar over gekletst…’

‘Moeten zij weten…’ De allerontzagwekkendste zin die ze wilde zeggen rekte ze en rekte, articuleerde ze klank voor klank, ‘…Asım is kapot, we zijn van hem af. Die smiecht!’

Gülsüm kalmeerde wat, misschien wilde ze de woede van haar dochter wel niet weerstaan en trok ze zich daarom terug, ze liet een heel klein straaltje koud bij het hete water lopen, legde het washandje op haar knie, wreef er net zo lang over tot er vlokken schuim uitkwamen als lentewolken, wachtte, keek naar de witte rug van haar dochter, raakte voorzichtig haar rood geboende flanken aan.

‘Kind, zo praat je niet over een dode. Na de dood is er geen woede meer…’

 

Terwijl Gülsüm vol ontzag het zijdeachtige schuim van het acryl washandje voorzichtig over het lijf van haar mooie dochter uitspreidde en ze met de rug van haar hand de zeep rond haar dichtgeknepen ogen weg wreef, wilde ze huilen, maar ze herstelde zich en trok de knoop van haar hoofddoek nog strakker aan. Ze moest het hoofd koel houden, het verstand onder controle. Canan trok haar haar, dat op haar rug hing, op haar schouder en begon het uit te knijpen, wrong het , zo stevig dat er straaltjes water op haar knieën druppelden, bosjes haar in haar handen achterbleven, ze maakte er een balletje van en gooide dat in de houtkachel. Een scherpe, verbrande geur steeg op…

‘Waarom zou je niet over een dode praten?’

Gülsüm kreeg het benauwd, de stoom van het hete water vulde haar longen, legde zich om haar hart, ze slaakte een diepe zucht, zoals een actrice in het volkstheater dat zou doen.

‘Kind, God maakt al korte metten met hem…’

Terwijl haar moeder haar inzeepte, nam Canan een hand water uit de ketel en waste haar gezicht, met een stekende pijn in haar bloeddoorlopen ogen keek ze naar Gülsüm. Het was de eerste keer dat ze haar moeder zag, de eerste keer dat ze zo naar haar keek. Een vrouw die krom liep en een bochel had gekregen, bij wie de hoektanden waren uitgevallen, het fronsen een diepe groef in het voorhoofd had getrokken, van wie de boezem op haar buik hing. Er was niets moois meer aan haar over. Behalve dan de vaardige vingers, die sierlijk bewogen alsof ze niet bij die vlezige handen hoorden. Alles aan haar was in verval, alleen die vingertoppen leefden.

‘Ze hebben hem neergestoken zegt vader, of niet?’

‘Dat hebben ze ja…’

‘Waar?’

‘Recht in zijn hart.’

‘Is er iemand die het gezien heeft…?’

‘Kind, wie zou het gezien moeten hebben, om middernacht… Twee straathonden, maar verder.’

 

Opnieuw voelde ze haar moeder met haar volle gewicht op haar schouders drukken, een schuldgevoel, een walging, een woede daalde op haar neer. De kruidige zweetgeur die van Gülsüm opsteeg doorboorde de stoom, de scherpe zeepsmaak, het zwarte roet van de vlammen en vulde de neus van haar dochter. Ze bezweek onder het gewicht, werd nog kleiner, voelde opnieuw de beurse plekken in haar buik, de zeurende pijn in haar liezen.

‘Ben je dan niet meer kwaad op Asım?’ vroeg Canan.

‘Nee.’

‘Huil je dan ’s nachts niet meer?’

‘Waar heb je het over! Alsof ik dat ooit heb gedaan.’

 

Met één hand trok Gülsüm de ketel boordevol water tot aan de knieën van haar dochter. Daarna keek Canan naar de plompe voeten van haar moeder. Ze zag hoe stevig die vlezige voeten op de glibberige vloer stonden. Zag hoe ieder van haar wijd uiteen staande tenen zich aan de grond leek te hebben vastgezogen, hoe die zwarte hielen gescheurd en gesprongen waren om het gewicht van haar machtige gestalte te dragen. Ze knipperde met haar ogen, terug wilde ze, terug die zwarte put van Gülsüm in.

‘Mam?’

 

Gülsüm smeet het ingezeepte washandje tegen de grond en stiet uiteindelijk een klamme kreet uit. Ze drukte haar ingezeepte hand tegen Canans mond en staarde haar aan. Canan ving haar blik, die ze al zo lang niet meer gezien had, al die tijd vergeten te kijken. In het gezicht van haar moeder zag ze uiteindelijk een pijn samentrekken. Gülsüms neusvleugels trilden, de knopen in haar hoofddoek raakten los, de doek viel van haar hoofd, het onderhemd gleed van haar schouders en liet haar naakt. De aders in haar hals zwollen, op haar slapen bolden twee plekken op, de zweetdruppeltjes die op haar voorhoofd wachtten, werden druppels.

‘Hij is dood! Hij is dood, het is over… voorbij! Laat het nou rusten, ga zitten en hou je mond!’

 

Toen gebeurde het verschrikkelijkste wat gebeuren kon. Stilte. Zonder op de temperatuur van het water acht te slaan, pakte ze de ketel bij het handvat terwijl ze de onderkant met haar voet wegtrapte en goot hem toen in één beweging over Canans hoofd leeg, sloeg haar dochter met water. In enkele benauwde, kwellende, verslagen seconden was alles voorbij. Haar dochter, die ze met haar volle gewicht geboend, geschrobd, geschuurd had, was nu of ze wilde of niet schoon. Ondertussen had Canan een seconde lang gedacht aan Asım, die gewassen werd op de baar, en haar ogen geopend, maakte het verschil of ze naast hem lag of niet? Ze wist het niet. Terwijl moeder en dochter zo met water vochten en ieder naar hun eigen binnenwereld terugkeerden, was het tijd voor de wilde wijnruit.

 

Gülsüm pakte een hoofddoek met een gehaakte rand die ze tussen de zeepplank en de muur had gepropt en haalde er een kleiachtig zwart brokje uit. Ze brak er wat van af en deed dat in het bakje, dat ze opnieuw met water had gevuld. De pasta van wilde wijnruitzaad viel uiteen en kleurde koperrode banen tot het water veranderd was in een goudgeel licht. Gülsüm wachtte ongeduldig tot alles was opgelost en zette één hand in haar zij.

‘Als die vrouwen je iets vragen, hou je je mond. Bidden hoeft niet als je je lippen maar beweegt. En denk erom: geen tranen want dan denken ze er wat van, en laat ik niet zien dat je zo stom bent te gaan zitten lachen!’

Druppel voor druppel liet Gülsüm het wijnruitwater over Canans lange haren lopen, goot het uit, wreef het in. Voor het eerst in dagen raakte ze haar dochter aan met iets wat op een streling leek. Canans haren, zwart als de nacht, werden tussen Gülsüms levendige vingers geeuwend wakker in een rode gloed. De volle baan zijde, die tot aan de heupen van haar dochter kwam, maakte zich los van Gülsüms handen en de wijnruit begon krul voor krul te roepen, te lachen, sprong en wrong zich alle kanten uit. Gülsüm keek naar het haar van dat prille grietje, het smalle voorhoofd van haar kleine gazelle, haar rossige veulen, naar het zwart van haar wenkbrauwen, naar haar jukbeenderen, haar koffiekleurige hals, haar onfortuinlijke lippen, de amandelkleurige kringen rond haar tepels, haar ronde, welgevormde dijen. Ze hield van haar dochter, tot de laatste druppel wijnruit.

 

Toen Canan haar voor haar, haartje voor haartje was opgedroogd, was de avond gevallen, waren de luiken gesloten, hadden de geuren van het eten voor het huis van de dode zich in de stoeptegels vastgezet. Urenlang kamde ze haar haren met de kersenhouten kam die ze op de jaarmarkt had gekocht. De benauwende hitte was voorbij, de kou trok van haar hielen op. De kille avondwind woelde diep door haar haren. Met de gloed van de wilde wijnruit werd het haar van Canan een rode nevel die kalm rond haar gezicht speelde. Iedere golvende streng veerde op als wilde hij iets zeggen, zakte dan beledigd terug. Het haar waar de buren niet over uitgepraat raakten, dat iedere jongen uit de buurt een keertje wilde strelen, spreidde zich met de verstolen lichtstralen in de kamer uit en pakte zich weer samen. Canan raakte haar haar aan… haar haar of haar hoofd? Later in ieder geval haar hoofd. Terwijl de zonnige schaduwen, die haar voor haar in haar gezicht vielen, in een schijngevecht verwikkeld waren met het licht van haar koffiekleurige ogen, begon dat niet gebaard, niet gevraagd hebben, dat niet weten wat haar toch mocht hebben bezield zich als messen in haar hoofd te planten. Ze greep zichzelf in haar nek alsof ze een wilde kat bij zijn staart had, en al het gekrab, het gekrijs, de geheimzinnige gloed van de wilde wijnruit ten spijt, greep ze die bos haar, als een arm zo dik, en maakte er met de knip van een schaar vlakbij de wortels korte metten mee.

 

Die nacht jankten de honden aan één stuk, vlogen de meeuwen krijsend naar de vuilnisbelten, kreeg de baby van buurvrouw Füruzan koorts en huilde de hele nacht. De muezzin kuchte tweemaal toen hij ’s ochtends opriep tot gebed. Terwijl de stadsbussen het eerste ochtendlicht in uitlaatgassen smoorden, schoot Gülsüm rechtovereind in bed, in haar oor een onverdraaglijke kriebel. Een haarlok glanzend van de wilde wijnruit wachtte haar klaarwakker op.

 

Vertaling uit het Turks: Hanneke van der Heijden. Eerder verschenen in De Gids, november 2013. Oorspronkelijke titel: Aşkâr. Afkomstig uit de bundel Sandık lekesi. (2000).

 

14 februari: Internationale dag van het korte verhaal

Ter gelegenheid van de dag een kort verhaal van Sema Kaygusuz, dat ik in 2013 vertaalde voor het tijdschrift De Gids: Wilde wijnruit. Behalve korte verhalen schreef Kaygusuz (1972) ook romans, een filmscenario, een theatertekst. Ze wordt geprezen om haar observatievermogen, haar beeldende taalgebruik en haar vormexperimenten.

‘[...] Verschroeid stond ze op, ging weer zitten, waar kon ze in die piepkleine badkamer heen? Blij dat ze wanneer ze maar wilde de pijn tot één punt kon reduceren, hief ze ondanks de zeep die in haar ogen kwam haar hoofd op naar haar moeder, ze kneep haar ogen dicht, wilde ze openen, deed het niet. Als een roerloze koppige schildpad blijven zitten, plotseling zwaar en in zichzelf teruggetrokken weerstand bieden aan Gülsüms kwaaie, hoekige bewegingen, het wakkerde de woede in Gülsüms dolle kracht alleen maar aan. [...]‘

Wilde wijnruit is afkomstig uit de bundel Sandık lekesi (2000).

Klik hier om het hele verhaal te lezen.

 

Sait Faik Abasıyanık – Vier plusjes (kort verhaal)

Dit voorjaar verscheen bij uitgeverij Podium Verhalen uit Istanbul – een selectie uit de korte verhalen van Sait Faik Abasıyanık. Als voorproefje staat nu op de site een van de mooiste verhalen uit de bundel, Vier plusjes. ‘(…) Goed, het verhaal. Ik stond te wachten op de veerboot. Nee, ik wachtte niet op de veerboot. Ik wilde naar huis, of nee, dat zeg ik niet goed, ik wilde níét naar huis en wachtte tot ik de veerboot had gemist. (…)’

Klik hier om het verhaal te lezen.

Sait Faik Abasıyanık – Vier plusjes (kort verhaal)

Dit voorjaar verscheen bij uitgeverij Podium Verhalen uit Istanbul - een selectie uit de korte verhalen van Sait Faik Abasıyanık,  Als voorproefje een van de mooiste verhalen uit de bundel, Vier plusjes.

Stel je loopt op straat, je wilt een sigaret opsteken maar hebt geen lucifers, wie vraag je om een vuurtje? Wie spreek je aan als je de weg moet vragen? Er is een oploopje, wie vraag je wat er aan de hand is? Ik ben zo iemand die makkelijk om een vuurtje, om de weg wordt gevraagd. Soms ben ik daar blij om, soms niet. Niet dat het in mijn leven niet ook een paar keer is gebeurd dat ik een arme ziel die met een of andere vraag op me af kwam, die me aankeek alsof ik wel iemand was aan wie je iets kon vragen, hooghartig heb afgepoeierd… Wie weet hoe erg ik die dag de pest in had. Hoewel ik het meestal niet leuk vind om op zo’n manier te worden uitgekozen, heb ik me achteraf vaak bedrukt lopen afvragen waarom ik zo had gereageerd. Het is ook wel voorgekomen dat ik me opwond over kinderen die me om een vuurtje vroegen. Die vreemde manier waarop kinderen je benaderen! Zoals ze al uit de verte hun oog op je laten vallen! Ook hen heb ik enkele keren teleurgesteld. Op die momenten begreep ik hoe erg het is om je te vergissen. Tegen dit soort vergissingen is kennelijk niemand bestand. Ik heb veel mensen zien besluiten dan maar geen sigaret op te steken. Maar sommigen weigeren hun hoop op te geven.

Ik kan me herinneren hoe ik zelf heel vaak minutenlang heb staan aarzelen wie ik de weg zou vragen. Soms raakte dan na een tijdje mijn geduld op en vroeg ik het gewoon aan de eerste de beste. Sommigen wisten de weg maar wezen mij die niet, en anderen staken me hun sigaret toe alsof ze maar wat blij waren met mijn vraag. Ze glimlachten alsof ze plots in een staat van gelukzaligheid verkeerden. Vooral als je van tevoren nauwelijks verwachtingen had, is het zo prettig niet te weten hoe je voor dat vriendschappelijke gebaar moet bedanken. ‘Fijn’, zeg je. En dan ‘dank u’. En dan ook nog ‘dat is heel vriendelijk’. En ‘hartelijk dank’. Of misschien beter nog ‘heel hartelijk dank’.

Wat ik in ieder geval weet is dat wanneer iemand zich afvraagt aan welke onbekende hij iets kan vragen en hij kiest uit twintig mensen jou, dat dit dan het gevolg is van allerlei afwegingen die hij heeft gemaakt. Psychologische afwegingen welteverstaan.

Hoewel je mensen hebt die dat met allerlei andere dingen verwarren, zelfs met zoiets onbenulligs en onzinnigs als kennis van fysionomie. Dat doet me steeds weer denken aan die academicus die een boek schreef over fysionomie. Wat die sukkel er wel niet
bij haalde als hij iemand aankeek! Terwijl de diepzinnige blik van de mens, zijn gezichtstrekken, het haar dat het gelaat met zwarte lijnen een geometrische schoonheid verschaft, juist precies het tegenovergestelde vertellen. Uit die diepe, geleerde blikken spreekt niets anders dan domheid, de trekken in het gezicht duiden op niets dan dwaze meisjesavontuurtjes. En in het donkere haar dat het brede voorhoofd omlijst zijn zelfs de herinneringen aan een onbeduidend leven uitgewist.

De meesten van ons weten niets van psychologie, niets van fysionomie, hebben van die wetenschappen geen kaas gegeten maar zijn er wel nieuwsgierig naar en bevredigen die nieuwsgierigheid dan door op iemand af te stappen en een vuurtje te vragen, de vertrektijden van de veerboot, de weg. Dat is zo’n hardnekkige gewoonte dat men vergeet wat erachter zit. Waarom kiest men uit al die jongeren net ons? Omdat we zo’n goede knul zijn soms? Dat denk ik niet. Dat men ons kiest komt vast niet daardoor. Men vindt ons geschikt om een vraag aan te stellen: is ons gezicht soms sympathiek? Dat heeft er niets mee te maken! We kunnen beter andere smoesjes verzinnen: zijn onze kleren misschien versleten, moeten onze schoenen nodig worden gepoetst? Heeft onze blik iets lichtelijk dwaas gekregen, onze houding iets toegeeflijks, onze neus iets kroms, onze kin iets dommigs? Glimt de knoop van onze stropdas misschien te veel? Iets moet er zijn. Of komt het omdat we maar wat rondhangen? Iemand die uit zijn auto springt en naar de veerboot rent wordt niet aangehouden voor een vraag. Wordt een imposante man die met gefronste wenkbrauwen een bedachtzame trek van zijn sigaret neemt, iemand aan wie je ziet dat hij net uit een restaurant komt, om een vuurtje gevraagd? Kun je een reiziger die er tot in de puntjes verzorgd uitziet om de weg vragen? Durven we wanneer er een oploopje is aan iemand met glimmend gepoetste schoenen te vragen wat er aan de hand is?

Dat mag zo zijn, zelf word ik zelden kwaad als iemand me om een vuurtje vraagt of de weg wil weten. Soms, liefste, als ik naar jou onderweg ben en iemand vraagt me de weg, laat ik meteen mijn schoenen poetsen.

Waar ik niets van moet hebben zijn van die tiptop geklede types, figuren die zich voordoen als een echte stedeling en mij dan om een vuurtje vragen. Waarom? Omdat zo’n type dat aan een hele hoop andere mensen niet durft te vragen, daarom. Terwijl er helemaal niets engs aan is. Tegenover anderen schaamt zo iemand zich voor zijn vraag, maar tegenover mij niet. Daar wind ik me over op, moet ik zeggen. Als zo’n vraag dan misschien niet meteen verfoeilijk is maar wel enigszins vreemd, een vraag die je een hele hoop mensen maar beter niet kunt stellen, waarom wordt die dan wel aan mij gesteld? Maar mensen van het platteland die zonder na te denken, zonder enige afweging de weg vragen, eenvoudige mensen die geen benul hebben van psychologie en fysionomie, die mag ik. Die kunnen me zoiets rustig vragen. Zij houden er niet allerlei afwegingen en bijbedoelingen op na. Zo iemand stelt zijn vraag voor hetzelfde geld aan die dikke kerel van wie de keurigheid en arrogantie af druipt. Ik ben een toevalstreffer, iemand, met andere woorden, zoals iedereen.

Liefste! Ik moet helemaal niet zo lang kletsen voordat ik aan een verhaal begin. Maar wat kan ik eraan doen? Hoe zou ik zonder lucifers op zak níét kunnen uitkijken naar iemand met een sigaret die ik om een vuurtje kan vragen? Kun je het roken laten?Verhalen schrijven kan ik verdorie niet laten. Het geval wil dat ik er al een tijdje bij loop alsof ik met een sigaret in mijn hand naar iemand op zoek ben. Maar overal om me heen lopen figuren die zo keurig in het pak gestoken zijn, zo ernstig kijken en zo uit de
hoogte doen dat ik maar niet bij mijn verhaal in de buurt kom.

Wat me nog te binnen schiet: eigenlijk is het maar het beste om er niet uit te zien als iemand die geschikt is om een vuurtje, de weg aan te vragen, en ook niet als iemand die daarvoor niet geschikt is. Gek is dat, vind je niet? Ik weet niet of het je is opgevallen, liefste, maar beide typen hebben iets extreems. Als de een arrogant is, is de ander onderdanig, als de een heel gekleed is, is de ander sjofel, is de een hautain, dan is de ander vrijpostig, is de een keurig, dan is de ander vies… Een middenweg is er niet: ik wil niet uitgekozen worden, en ook niet niet. Stemmen, dat is waarschijnlijk het beste. Hoewel dat weer andere vervelende consequenties heeft. Het beste is het maar om lucifers bij je te hebben, de weg precies te weten, niet de deur uit te gaan zonder uit te tekenen waar je heen moet. Hoe zouden we het recht hebben, denk je niet liefste, om ons allerlei oordelen aan te matigen over een wildvreemd iemand?

Goed, het verhaal. Ik stond te wachten op de veerboot. Nee, ik wachtte niet op de veerboot. Ik wilde naar huis, of nee, dat zeg ik niet goed, ik wilde níét naar huis en wachtte tot ik de veerboot had gemist. Ik had het gevoel dat ik het die avond in mijn stille uitgestorven dorp niet uit zou houden. Ik kon maar beter in Istanbul blijven, daar de nacht doorbrengen met drinken en denken aan jou… Maar hoe spijtig, de boot lag nog aan de steiger. En voordat die vertrokken was kon ik niet weg. Uiteindelijk voer de boot uit, ik haalde opgelucht adem. Ik stak een sigaret op. Ik had lucifers bij me.

In een hoekje tegenover me zat een jonge man. Hij had een papier in zijn hand. Hij keek er geconcentreerd naar. Na een tijdje liep de wachtruimte leeg, daarna liep ze weer vol. De man die naar het papier in zijn hand tuurde, keek op. Hij liet zijn blik monsterend door de ruimte dwalen. Ik begreep zijn bedoeling: hij snapte niet wat erop stond. Iemand moest het hem uitleggen.

Ik keek van hem weg. Ik staarde naar iets anders. Ik ging geheel op in de ogen van een vrouw die mij niet aankeek… Uitgekozen worden, uit zoveel mensen uitgekozen worden met een bedoeling die ik niet precies kon doorgronden ergerde me in die tijd. Maar op een gegeven moment dacht ik aan de mogelijkheid om te worden uitgekozen als een belangrijk iemand die begreep wat er op dat papier stond. Laat ik er maar niet omheen draaien, zodra ik dat bedacht… beviel het me soms, nee niet dat ik mezelf nu zo belangrijk vond, om op zo’n bepaalde manier te worden uitgekozen? Ik keek hem half en half aan. Hij had zijn oog trouwens al op mij laten vallen. Als je wilt kun je dit opvatten als een poging om bij jou in de smaak te vallen…

Hij kwam naar me toe. Hij hield me het papier voor.

‘Moet je dit nu eens zien,’ zei hij. ‘Wat staat hier in godsnaam?’

Ik keek, ik begreep er niet veel van. Ik keek nog eens, en nog eens. Toen sloeg de schrik me om het hart. Als je ’s zomers dorst hebt en je drinkt opeens iets kouds, dan geeft je dat een steek, je voelt je beroerd. Precies zo’n gevoel zette zich in mijn ziel vast. Ik staarde hem aan.

‘Want het zit zo,’ zei hij, ‘ik ga werken, ik heb een goede baan gevonden. Hoe lang ik wel niet werkloos ben geweest, je moest eens weten. Eindelijk heb ik nu wat. Ik ben namelijk verloofd. Ze hebben me onderzocht, zo gezond als een vis. Op het laatst hebben ze ook nog bloed afgenomen. Schijnt erbij te horen. Wat denk
je, is dat ook in orde?’

Zijn gezicht lachte, maar twijfel trok een rimpel in zijn voorhoofd. Ik moest aan de wetenschapper denken. Ontpopte ik me nu ook tot een fysionomist? Nee, iemand die met pijn en moeite een baan gevonden had, een papier in zijn hand, met daarop allerlei verdachte tekens… Nee! Midden op zijn voorhoofd, in zijn ogen stond te lezen hoe benauwd hij was. Het bloed was met drie verschillende testen onderzocht. Achter ieder van die testen stonden vier plusjes: + + + +. Syfilis.

‘Ben je soms ziek geweest?’

‘Nee hoor, helemaal niet.’

Zijn gezicht zag nu gespannen. Zijn ogen kregen iets flets.

‘Geen idee, ik heb hier geen verstand van,’ zei ik.

‘Er is toch niks, hè?’ vroeg hij nog eens.

‘Ik geloof het niet,’ zei ik. ‘Maar ik ben geen dokter. Ik begrijp het niet allemaal.’

‘Zal ik dat papier maar afgeven bij het kantoor waar ze me een baan geven, of beter van niet?’ vroeg hij.

Ik gaf geen antwoord. Ik keek hem aandachtig aan. Meer dan een aandachtige blik was het stom genoeg een meewarige.

Jij hebt mij geloof ik ook eens zo meewarig aangekeken… Weet je nog? Ik vroeg je de weg, de weg naar het geluk.

Wat mijn ogen die man zeiden, ik heb werkelijk geen idee. We tuurden samen naar het papier. Ik zei hem niet dat hij het maar moest afgeven, en ook niet dat hij dat beter kon laten. Ik wilde kijken, ik keek hem aan. Hij zag spierwit.

Ik ging weg. Ik liet mijn schoenen poetsen. Ik holde naar huis. Ik schoor me. Ik deed een schone stropdas om. Die dag heb ik me een hooghartige houding aangemeten zodat niemand nog op me af stapt. Dat was ook de dag dat ik mijn jas naar de stomerij heb gebracht, liefste.

Uit: Sait Faik Abasıyanık, Verhalen uit Istanbul. [Selectie uit zijn korte verhalen.] Amsterdam: Podium, 2014. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden.

‘Verhalen uit Istanbul’ – Het oog van Sait Faik Abasıyanık

Bij de verschijning van Verhalen uit Istanbul, een verzameling van 35 korte verhalen geschreven door een van Turkijes belangrijkste auteurs: Sait Faik Abasıyanık.

Hoe vaak zouden de woorden ‘kijken’, ‘zien’, ‘gadeslaan’ in de verhalen van Sait Faik Abasıyanık voorkomen? Dat vraagt Leylâ Erbil zich af in een essay over het werk van Turkijes beroemdste schrijver van korte verhalen. Zo’n honderdtachtig verhalen liet Sait Faik na toen hij in 1954 stierf, 48 jaar oud. Bijna al die verhalen gaan over Istanbul en de Prinseneilanden. En in bijna al die verhalen wordt gekeken, veel gekeken. Je kunt je afvragen of literatuur mogelijk is zonder te kijken. Waarschijnlijk niet. Maar niet iedere schrijver kijkt naar hetzelfde, ziet dezelfde dingen.

Waar kijkt Sait Faik naar? Niet naar gebouwen, niet naar al die monumenten waar je in Istanbul over struikelt, niet naar de geschiedenis. Sait Faik – zoals hij in Turkije bekend staat – kijkt naar mensen: de mensen die net als hij in Istanbul leven, net als hij in de jaren dertig, veertig, vijftig van de twintigste eeuw. Een roerige tijd, in Turkije en daarbuiten. Maar hoezeer de politieke gebeurtenissen het leven ook kleuren, Sait Faik kijkt niet naar de politici, de economen, de figuren die het voor het zeggen hebben en daarmee ieders blik vangen. Zijn blik zuigt zich juist vast aan de mensen van wie wordt weggekeken.

In een van de verhalen die over de Engelse auteur Bruce Chatwin de ronde doen steekt de schrijver diagonaal een groot plein over, zijn hand voor zich uitgestrekt, voor niets anders oog dan voor iets heel bijzonders dat in zijn handpalm ligt uitgestald: een truffel. Aan die anekdote moest ik vaak denken toen ik Verhalen uit Istanbul vertaalde. Precies zo’n blik heeft Sait Faik, al richt die zich niet op truffels, en ook niet op mensen die truffels eten. Sait Faik kijkt naar een kreeftenvisser die zelf nooit een kreeft heeft geproefd, naar een vrouw die te arm is om haar man te begraven, naar een straatjongen die een liedje zingt voor zijn hond, naar de lelijkste vis van de zee. Naar iedereen die er niet bij hoort, er niet bij wil horen.

Daarbij slaat Sait Faik die mensen, dieren en hun levens niet gade als een afstandelijke reporter, en zijn blik is evenmin meewarig of cynisch. Dat spreekt niet vanzelf: hij was afkomstig uit een gegoede familie. Zijn vader deed zijn best hem het handelsleven in te krijgen, maar zonder succes. Sait Faik koos voor het schrijven. En hij koos partij, maar niet voor de kant waar hij door zijn afkomst toe behoorde.

Er waren meer schrijvers die dat deden, ook in Sait Faiks tijd. Nâzım Hikmet bijvoorbeeld schreef Mensenlandschappen, een soort ‘encyclopedie van beroemdheden’, portretten van ‘arbeiders, boeren en handwerkslieden wier roem nooit doordrong tot buiten de fabrieken, werkplaatsen, dorpen en arbeidersbuurten’. Yaşar Kemal schreef reportages over mensen die uit armoede in grotten wonen of geen andere middelen van bestaan hebben dan smokkel. Maar anders dan zijn tijdgenoten kijkt Sait Faik niet alleen naar de mensen over wie hij schrijft, maar ook naar zijn eigen blik.

Dat onderzoek van zijn eigen blik doet hij bijvoorbeeld in Vier plusjes – wat mij betreft een van de mooiste verhalen uit de bundel. Het verhaal begint met de vraag hoe we op straat bepalen aan wie we de weg vragen: ‘Waarom kiest men al uit die jongeren net ons?’ Het verhaal gaat ook over een fysionomist, over een boot die gemist had moeten worden, over een man met een papiertje met laboratoriumuitslagen en over de reden waarom de verteller zijn schoenen laat poetsen als hem onderweg naar zijn geliefde om een vuurtje wordt gevraagd. Sait Faik houdt net als Bruce Chatwin van details en ongewone, springerige verbanden. Dat maakt zijn verhalen speels, hoe onrechtvaardig de wereld die hij beschrijft vaak ook is.

Het oog van Sait Faik is verbonden met zijn hart, zegt Leylâ Erbil, zelf schrijfster, in haar stuk. ‘Sommige mensen hebben niet alleen een mooi gezicht, mooie ogen, wenkbrauwen, wimpers, schouders en voeten, maar ook een mooie maag, een mooi hart, een mooi middenrif en strottenhoofd,’ schrijft Sait Faik al in 1934, in een van zijn vroegste verhalen. Een schrijver die kijkt met zijn hart, ziet niet alleen de buitenkant, maar ook wat daarachter schuilgaat, van organen tot drijfveren.

Kijken met je hart. Dat klinkt misschien zoetsappig. Of gemakkelijk. Tot je bedenkt hoe vaak er gekeken wordt zonder dat er maar het dunste draadje tussen oog en hart loopt. Kijken met je hart is ook een politieke daad. Het is het allereerste waarmee democratie begint, al wordt dat vaak vergeten.

 

Sait Faik Abasıyanık, Verhalen uit Istanbul. Amsterdam: Podium, 2014. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden. Met een nawoord door Murat Isik.

Binnenkort op deze site en op die van boekhandel Athenaeum in Amsterdam meer over het vertalen van de korte verhalen van Sait Faik Abasıyanık.

 

In het novembernummer van De Gids: een kort verhaal van Sema Kaygusuz

Literair maandblad De Gids publiceert in zijn novembernummer Wilde wijnruit, een indringend verhaal van de schrijfster Sema Kaygusuz:

‘Te midden van ronddwarrelend roet en in een geur van brandhout trok Canan alles wat ze aan had uit en smeet het in de droogste hoek van de badkamer. Haar huilen was net gestopt. Ze draaide het kraantje van de ketel in de houtkachel open, het borrelende water begon tegen de koperen ketel te tikken. De badkamer mocht er volgestouwd en provisorisch uitzien, altijd rommelig wat je er ook aan deed, het was de enige ruimte waar geen geluid van buiten te horen was en de geluiden van binnen binnen bleven, de plek waar Canan zich het meest op haar gemak voelde.’

Dan komt Canans moeder binnen.

 

In de vele genres die Sema Kaygusuz (1972) tot nu toe beoefende – ze schreef korte verhalen, romans, een filmscenario – wordt ze steeds geprezen om haar vormexperimenten en haar opvallend beeldende taalgebruik. Ze heeft een scherp oog en een grote betrokkenheid. Kaygusuz, van wie het werk in Turkije en daarbuiten met verschillende prijzen is bekroond, publiceerde recentelijk Karaduygun (‘Zwartgallig’), een vertelling rond de Turkse dichteres Birhan Keskin. Op dit moment werkt de auteur aan haar eerste theaterstuk, Sultan ve Şair (‘De sultan en de dichter’). Het verhaal ‘Wilde wijnruit’ is afkomstig uit de bundel Sandık lekesi (2000).

Het novembernummer van De Gids is vanaf 25 oktober zes weken lang te koop in boekhandels en kiosken.

Voor wie meer van Sema Kaygusuz wil lezen: in 2006 verscheen het korte verhaal ‘Kind van een adder’ in het Turkije-nummer van literair tijdschrift Armada (nr.44). Het verhaal, afkomstig uit dezelfde bundel waarin ook ‘Wilde wijnruit’ verscheen, werd vertaald door Margreet Dorleijn en mij. Een enigszins herziene versie van deze vertaling is nu ook op deze site te lezen, en wel hier.

Ander werk van Sema Kaygusuz is tot nu toe niet in het Nederlands vertaald. Haar beide romans zijn wel in het Frans beschikbaar: La chute des prières en Ce lieu sur ton visage.

(Dit is een rectificatie van een eerder bericht waarin de publicatie abusievelijk voor oktober werd aangekondigd.)

Stad en land

Als er één thema is dat de moderne Turkse schrijvers heeft beziggehouden, dan is het wel de stad (en ‘stad’ staat in dat geval meestal voor Istanbul): de stad als vrijstaat van moderne dromen of als plek waar dromen in rook opgaan, als plek waar je verloren loopt of waar juist alle ogen voortdurend op je gericht zijn, de stad als alles wat een dorp niet is, en de stad als één groot dorp. De titel van de bloemlezing die Sanneke van Hassel en Annelies Verbeke samenstelden lijkt dan ook wel gekozen met de Turkse literatuur in gedachten: Naar de stad.

Lees verder…

Oğuz Atay in het Nederlands en het Duits

De roman Tutunamayanlar van Oğuz Atay gold jarenlang als een van de best bewaarde geheimen van de Turkse literatuur. Het meer dan zeshonderd pagina’s tellende debuut van Atay, dat in 1971/1972 werd uitgebracht – noodgedwongen in twee delen, want geen enkele uitgever wilde zo’n dik boek van zo’n onbekende schrijver in één keer uitgeven – betekende een keerpunt, in de moderne Turkse literatuur, maar ook in het leven van veel lezers. Buiten Turkije had al die tijd haast niemand van Atay en zijn boek gehoord. Pas in 2011 verscheen de eerste vertaling van de roman: Het leven in stukken (klik hier voor een fragment). ‘Een boek als een ervaring’ noemde Guus Middag het, ‘een boek waar je in rond blijft dwalen’. En dat is precies hoe veel Turkse lezers de roman lezen.

Lees verder…