Nawoord bij ‘De lanterfanter’ – roman van Yusuf Atılgan

Gisteren is bij Uitgeverij Jurgen Maas De lanterfanter verschenen. Voor iedereen die niet bij de presentatie kon zijn of meer wil weten over Yusuf Atılgan en zijn roman, hieronder het nawoord dat ik bij De lanterfanter schreef.

Tekst: Hanneke van der Heijden.

De romankunst wordt door bijvoorbeeld Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk opgevat als de kunst om je in een ander te verplaatsen: om je eigen leven te beschrijven als was het dat van een ander, het leven van een ander als dat van jezelf. Dat is een optimistische opvatting, want ze gaat uit van de vooronderstelling dat begrip van de ander, van zijn leven, zijn gedachten en drijfveren, daadwerkelijk mogelijk is.

Zo’n omschrijving laat goed zien hoe ongewoon het is wat Yusuf Atılgan (1921-1989) in zijn debuut ondernam, want als schepper van C. verplaatst Atılgan zich paradoxaal genoeg in een personage dat zich juist niet in anderen wil of kan verplaatsen, in een man die ervan overtuigd is dat het onmogelijk is je in die mate in een ander in te leven. ‘Ze zouden het toch niet begrijpen,’ zegt C. Het is de allerlaatste zin van de roman, C. doet er verder het zwijgen toe.

Het vraagstuk hoe zich tot ‘de ander’ te verhouden is wat C. op zijn lange wandeltochten het meest bezighoudt. En de stad biedt vele gelegenheden voor confrontaties met ‘de ander’. Zich bewegend tussen de drommen mensen op straat, zijn stappen steeds weer herhalend, beziet C. het moderne stadsleven, ondergaat de werking van de anonieme massa’s, wordt gedwongen in het sociale gewoel zijn plaats als individu te bepalen.

De stad waar Atılgans hoofdpersoon doorheen loopt krijgt net als hijzelf geen naam. Maar de wijken wel, en de routes van C. zijn zo realistisch beschreven dat je ze haast kunt na lopen. Het is dan ook niet moeilijk te achterhalen dat De lanterfanter gesitueerd is in het Istanbul van de jaren vijftig. Met zo’n miljoen inwoners was de stad weliswaar vele malen kleiner dan nu, de massale migratie van het Turkse platteland was nog maar net op gang gekomen, maar ook toen al was Istanbul de grootste stad van het land. Lees verder…

De eerste zinnen van Sait Faik Abasıyanık – Over het vertalen van ‘Verhalen uit Istanbul’

Volgens een van zijn collega-auteurs, Leylâ Erbil, was hij een schrijver met zijn tafel in zijn zak. Sait Faik Abasıyanık kon overal schrijven: op een bankje in het park, op een wiebelend tafeltje in een kroeg, desnoods op zijn knie. Dat kwam goed uit, want de ‘Turkse meester van het korte verhaal’ schrijft niet over binnenskamerse thema’s. Zijn onderwerp is de straat, de mensen op straat wel te verstaan. Gewone mensen over wie hij in een zo op het oog heel dagelijks taalgebruik schrijft. ‘Hij komt naast je zitten in een koffiehuis in Istanbul en begint te vertellen over haar inwoners [...]’ zegt Murat Isik in zijn nawoord bij Verhalen uit Istanbul. Sait Faiks manier van werken, zijn onderwerp, het klinkt allemaal heel gemakkelijk en voor de hand liggend.

Maar de manuscripten in het museum van Sait Faik (zoals hij in Turkije kortweg wordt genoemd) zien er allesbehalve uit als alsof ze op een knokige knie of een wiebelend tafeltje zijn geschreven. In zijn voormalige woonhuis op het Prinseneiland Burgazada liggen er een aantal in een vitrine: gelige blaadjes uit een schoolschrift gescheurd, en met een paperclip bij elkaar gehouden. De Arabische letters – zoals veel van zijn collega’s schreef Sait Faik ook na de alfabethervorming van 1928 nog in Osmaans schrift – staan regelmatig naast elkaar. Kennelijk had Sait Faik nog een andere tafel dan die in zijn broekzak, eentje waaraan hij verder werkte aan zijn aantekeningen.

 

Raadselachtigheid
Dat Sait Faiks verhalen niet op een knokige knie alleen geschreven kunnen zijn, dat er heel wat meer aan geschaafd en gevijld als je in eerste instantie denkt, blijkt ook als je de verhalen vertaalt, en dus vele malen overleest. Ze mogen de indruk wekken alsof iemand in het koffiehuis naast je zit te vertellen, bij nader inzien hebben ze een compactheid en raadselachtigheid die in de meeste koffiehuisgesprekken ver te zoeken is.

Die bondigheid delen ze vanzelfsprekend met veel korte verhalen. Het is wat het genre ook zo indrukwekkend maakt: in het bestek van een paar pagina’s wordt een hele wereld opgetrokken. Sait Faiks verhalen beslaan meestal niet meer dan zes, zeven pagina’s in druk, soms zelfs maar drie of vier. Natuurlijk, ook een roman wordt niet op een achternamiddag op papier gezet. Maar toch, in alle romans die ik heb vertaald kun je in de Turkse tekst, niet zozeer in het begin of aan het eind misschien, maar wel daar tussenin, passages aanwijzen waar de aandacht van de auteur is verslapt, waar het weefsel van de zinnen losser is, het ritme minder dwingend, waar de schrijver zijn kapmes in zijn broekzak heeft laten zitten.

Een schrijver van korte verhalen kan zich dat niet veroorloven. Bij Sait Faik zie je dat het duidelijkst in zijn vroege werk: hecht geconstrueerde verhalen zijn het met een klassieke structuur, vaak over ongebruikelijke situaties. Over een vrouw die te arm is om haar man te begraven bijvoorbeeld maar hem ook niet onbegraven kan laten. Over een man die jarenlang de drie, vier straten van zijn wijk niet uit is geweest, en dan op een dag de sprong waagt. Over twee dronkaards die de kroeg uitlopen en midden in Istanbul in een zwoele viooltjesvallei belanden. De hechte structuur maakt ze compact, hun raadselachtigheid ontlenen ze aan hun onderwerp: wie maakt dagelijks angstvallig dezelfde wandeling door de drie straten om zijn huis, en geen steegje verder?

 

Mobiles
Maar Sait Faik heeft ook nog een ander soort verhalen, het soort waar hij zich in de loop van zijn schrijverschap steeds meer op toelegde. Die verhalen gaan juist over heel dagelijkse situaties. Ze lezen als toevallige uitsneden uit het leven van alledag, en hebben zo op het eerste gezicht een veel lossere structuur. Man zit op het lege benedendek van veerboot, tweede man komt erbij en begint een keuvelgesprek. Of: man zit in wachtruimte van de veerbootmaatschappij (Sait Faik houdt van varen), man twee vraagt hem of hij soms snapt wat er op een blaadje met laboratoriumuitslagen staat. Situaties kortom die iedereen mee kan maken, verhalen zoals je ze zelf aan het eind van de dag denkt te kunnen vertellen. Denkt, want ook die verhalen zijn, net als de mensen waar ze over gaan, veel minder gewoon als ze lijken.

Waar zit hem dat in? In de eerste plaats natuurlijk in Sait Faiks veel geprezen oog voor veelzeggende details en situaties uit het dagelijks leven. Maar daarbij in zijn speelse geest, die ogenschijnlijk ongerelateerde zaken met elkaar verbindt. En volgens mij ook in het feit dat hij de verbanden tussen de verschillende gebeurtenissen heel vaak niet benoemt. Die drie dingen samen maken ook zijn latere dagelijkse verhalen zo raadselachtig en compact. Er gebeurt van alles. Maar over hoe het een met het ander samenhangt houdt Sait Faik zich op de vlakte, dat is aan de lezer.

Sait Faiks distantie zie je terug in de inhoud, want wat de precieze beweegredenen van de personages zijn vertelt hij meestal niet.

‘Waarom we naar dat boerenhuis gingen waar in de keuken gebraden eend, in de jus gekookte tarwe en griesmeelkoek met boter klaarstonden, wist ik die dag niet. En nu ik bedrukt en verlaten door het hotelraam naar de voorbijrijdende tramstellen kijk, zeg ik niet waarom we op een goede dag aan het eind van de middag naar dat huis in het dorp gingen, zonder enige omhaal, alsof we werden verwacht.’ 

Dat schrijft Sait Faik al in de allereerste regels van zijn allereerste verhaal. En veel is die houding in de loop van zijn schrijverschap niet veranderd: motieven worden meestal slechts gesuggereerd. Maar ook in grammaticale zin is Sait Faik weinig toeschietelijk: voegwoorden tussen zinnen die de verbanden duidelijk maken ontbreken vaak. De volgorde van zinnen en gebeurtenissen is de enige structuur die Sait Faik geeft. Wat hun onderlinge logische verband is, waarom ze bij elkaar horen mag de lezer zelf verzinnen. Het is een beetje als met de mobiles van Alexander Calder: er zweven zo veel dingen zo intrigerend en licht in de ruimte dat je pas later de touwtjes en staven ziet die ze bij elkaar houden, pas na een tijdje opmerkt dat het geheel wel degelijk vastzit aan vloer of plafond.

 

Papiervisjes en bolvormige basilicumplanten
Sait Faik schrijft over gewone mensen, inderdaad. Maar hij laat in zijn verhalen zien dat achter ieder mens iets bijzonders schuilt als je er maar oog voor hebt. Daarmee is hij een auteur van het detail, zijn blik gaat niet uit naar het algemene, maar naar het particuliere. Die blik deelt hij voor een belangrijk deel met een vertaler: een tekst moet nu eenmaal tot op de onopvallendste komma vertaald worden. Bovendien heeft taal, iedere taal, zoveel onregelmatigheden, is betekenis op zo’n onsystematische manier afhankelijk van de context, heeft iedere auteur zulke idiosyncratische wendingen in zijn stijl, dat je als vertaler al snel het gevoel krijgt je niet op algemene regels te kunnen verlaten. Dat gevoel maakt het ook zo moeilijk om iets algemeens te zeggen over het vertalen van een tekst, om je weer los te wringen van de particulariteit van een alinea, een zin, een woord, van het ritme van lettergrepen, de herhaling van klanken – kortom van al het gevlooi dat vertalen vaak heel leuk maakt: juist omdat het zich aan iedere systematiek lijkt te onttrekken. En omdat dat gedetailleerde gepeuter je bij dingen brengt waar je zelf niet makkelijk zou komen. (In de roman die ik nu vertaal, een boek van de jonge auteur Barış Bıçakçı, zegt de hoofdpersoon, die ook vertaler is: ‘Ik had het [encyclopedie]deel in mijn hand waarin ik iets wilde opzoeken over de Chinese taal Pinghua, maar had bij toeval een foto gezien van de beestjes die opeens overal in huis zaten, was erachter gekomen dat het papiervisjes waren, en las met de aangename opwinding van een detective, nu en dan een blik op de foto werpend, dat ze zich voeden met het stijfsel uit bijvoorbeeld boekbanden en behang.’). En ook omdat al die aandacht voor kleinigheden je bij invloedrijke auteurs als Sait Faik Abasıyanık laat zien hoe allerlei observaties en details uit zijn werk doorsijpelen in dat van andere auteurs. Hoe bijvoorbeeld het personage dat in ‘Een man en de ochtenden in de stad’ vertelt hoe hij overvallen kan worden door droefheid wanneer de hele stad plotseling overdekt lijkt met de modder van de straten, ook aan het woord lijkt te zijn in Istanbul. Herinneringen en de stad van Orhan Pamuk. ‘Soms,’ schrijft Pamuk in het hoofdstuk ‘Ongelukkig zijn is jezelf en de stad haten’, ‘verandert de stad in een totaal andere plek. Plotseling trekken de kleuren waardoor je je thuis voelt uit de straten weg… [...] Van het ene op het andere moment zijn alle parken veranderd in modderige terreinen… [...] Terwijl er een intense somberheid en weemoed van de stad op mij overgaat, van mij op de stad, merk ik dat er aan de stad, en ook aan mij, helemaal niets meer valt te beleven…’ Of hoe de venijnige, recalcitrante zinnen waarin de hoofdpersoon van ‘Waarom doe ik toch zo?’ vertelt dat hij dingen doet die hij niet wil doen maar ook niet kan laten, precies passen bij de gevoelswereld van de ‘griplozen’ in Het leven in stukken van Oğuz Atay. Of hoe de bolvormige basilicumplanten die in Sait Faiks verhaal ‘De grammofoon en de schrijfmachine’ gestreeld worden ‘zoals je het hoofd van een kind streelt’, precies zo worden aangeraakt in Barış Bıçakçı’s roman.

 

Binnensluipende partikels
Maar hoe verleidelijk het ook is om bij al die talloze details stil te staan, het vertalen van een tekst is natuurlijk veel meer als het vertalen van woorden, van zinnen. Als ik iets in zijn algemeenheid moet zeggen over de vertaling van Sait Faiks Verhalen uit Istanbul, dan gaat dat precies over de verbanden, de coherentie in de tekst: over Sait Faiks talent om weinig expliciete logische verbanden aan te brengen en tegelijkertijd een sfeer te creëren alsof er ‘in een koffiehuis iemand tegen je praat’. Voor de Nederlandse vertaling betekent dat vooral dat je heel voorzichtig moet zijn met het gebruik van allerlei voegwoorden en partikels, die vaak ongemerkt de zinnen binnensluipen en wel degelijk een verband aangeven.

Helemaal zonder dit soort woorden kan een verhaal niet: het zou een houterige tekst opleveren, en in het Turks is Sait Faik niet houterig. Maar teveel van die woorden kan ook niet: dat zou verbanden expliciteren die Sait Faik juist aan de interpretatie van de lezer overlaat. Wat dat betreft is het vertalen van Sait Faik als het maken van een mobile, waarin alles los lijkt te zweven, waarin je zinnen alleen een stokje knoopt als het echt niet anders kan, en waarin de lezer pas na een tijdje ziet dat al die losse onderdelen toch met één koord aan het plafond verankerd zijn.

 

Dit artikel werd geschreven op uitnodiging van Athenaeum boekhandel.

De roman van Barış Bıçakçı, De grote vertwijfeling [werktitel], komt dit najaar uit bij uitgeverij Leesmagazijn.

 

‘Language is the mirror of our lives’: Oğuz Atay’s novel ‘Tutunamayanlar’ and its Dutch translation

(Een Nederlandse vertaling staat onder de Engelse tekst.)

It’s often surprising to see how literature resists globalisation, how famous books in one language can be kept a secret from readers in other languages for many years. Dutch masterpieces, many of which have not been translated into German, French, English, or Turkish, are a good example. How many readers outside of The Netherlands and Flanders have heard of Gerard Reve, Hella Haasse, Willem Frederik Hermans or Hugo Claus, and the novels they wrote? Who knows the poetry of Jan Slauerhoff or Lucebert? Unfortunately, many Turkish literary masterpieces share this fate.

A prominent example is the novel Tutunamayanlar (‘The Disconnected’) by the author Oğuz Atay. Oğuz Atay started typing the first sentences some time in 1968. Since its publication in 1971/1972 Tutunamayanlar has had 49 reprints. Over the years Atay’s debut novel became one of the best selling Turkish titles ever, even in illegal prints: the thick book is a sine qua non of many stands selling pirate editions in the streets. Forty years after its publication, the novel and its author are still vividly discussed in Turkish internet forums and on Facebook. Yet, except for the Dutch translation by my colleague Margreet Dorleijn and me, which came out under the title Het leven in stukken in November 2011, the novel has not been published in any other translations.

In a talk at The Netherlands Institute in Istanbulon 26 January 2012 I outlined the background story of Oğuz Atay’s Tutunamayanlar and one of its main themes: the nature of language. Obviously, the novel’s focus on language is also the biggest challenge when translating it.

The full text can be found here.

 

[Nederlandse vertaling:]

Het is vaak verbazingwekkend te zien hoe literatuur globalisering weerstaat, hoe boeken die in de ene taal beroemd zijn jarenlang een geheim kunnen blijven voor lezers in een andere taal. Nederlandstalige meesterwerken, waarvan de meeste niet in het Duits, Frans, Engels of bijvoorbeeld Turks zijn vertaald, zijn een goed voorbeeld. Hoeveel lezers buiten Nederland en Vlaanderen hebben ooit van Gerard Reve gehoord, van Hella Haasse, Willem Frederik Hermans of Hugo Claus, en van de romans die zij geschreven hebben? Wie kent de poëzie van Jan Slauerhoff of Lucebert? Veel Turkse literaire meesterwerken treft helaas hetzelfde lot.

Een van de duidelijkste voorbeelden is de roman Tutunamayanlar (‘Het leven in stukken’) van de auteur Oğuz Atay. Atay schreef de eerste zinnen van zijn roman ergens in 1968. Sinds de uitgave van het boek in 1971/1972 is het boek negenveertig keer herdrukt. Atay’s debuut is een van de meest verkochte Turkse titels ooit, zelfs in illegale vorm: de vuistdikke roman ontbreekt in geen van de straatstalletjes die roofdrukken aan de man brengen. Veertig jaar na de eerste druk wordt er op Turkse internetforums en Facebook nog steeds levendig over de roman en de auteur gediscussieerd. Maar behalve in het Nederlands, in de vertaling van mijn collega Margreet Dorleijn en mij, die in november 2011 onder de titel Het leven in stukken verscheen, is de roman in geen enkele andere taal dan Turks beschikbaar.

In een lezing op het Nederlands Instituut Turkije (26 januari 2012) heb ik iets verteld over de achtergrond van Oğuz Atay’s Tutunamayanlar en een van de hoofdthema’s van het boek: de aard van taal. Dat de roman zich zo nadrukkelijk op taal richt, stelt een vertaler natuurlijk voor bepaalde problemen.

De volledige tekst van de (Engelse) lezing staat hier.

 

‘Language is the mirror of our lives’: Oğuz Atay’s novel ‘Tutunamayanlar’ and its Dutch translation

It’s often surprising to see how literature resists globalisation, how famous books in one language can be kept a secret from readers in other languages for many years. Dutch masterpieces, many of which have not been translated into German, French, English, or Turkish, are a good example. How many readers outside of The Netherlands and Flanders have heard of Gerard Reve, Hella Haasse or Willem Frederik Hermans, and the novels they wrote? Who knows the poetry of Jan Slauerhoff or Lucebert?

Unfortunately, many Turkish literary masterpieces share this fate. A prominent example is the novel Tutunamayanlar (‘The Disconnected’) by the author Oğuz Atay. Oğuz Atay started typing the first sentences some time in 1968. Since its publication in 1971/1972 Tutunamayanlar has had 49 reprints. Over the years Atay’s debut novel became one of the best selling Turkish titles ever, even in illegal prints: the thick book is a sine qua non of many stands selling pirate editions in the streets. Forty years after its publication, the novel and its author are still vividly discussed in Turkish internet forums and on Facebook.

Yet, except for the Dutch translation by my colleague Margreet Dorleijn and me, which came out under the title Het leven in stukken in November 2011, the novel has not been published in any other translations. Ms Sevin Seydi made an English translation at a very early stage, ‘while Atay was still writing his book’, as his biographer Yıldız Ecevit put it. But until now no publishing house in the Anglophone world has published an English translation. The few publishing houses abroad that did publish translations of Atay’s work, didn’t choose Tutunamayanlar but other titles: the Swiss publishing house Unions Verlag chose Bir bilim adamının romanı, published as ‘Der Mathematiker’, a biographical novel about the famous mathematician Mustafa İnan. In Germany publishing house Binooki published Atay’s short stories, Korkuyu beklerken, under the title of Warten auf die Angst, as did the French Editions L’Harmattant (‘En guettant la peur’). Atay’s other work, the novel Tehlikeli oyunlar (‘Dangerous games’), a play with the title Oyunlarla Yaşayanlar (‘Those who live by games’), his diary and an unfinished piece of fiction Eylembilim (‘Science of action’), has thus far not been translated into any other language. Still, the very first book that comes to the mind of Turkish readers whenever Atay’s name is mentioned, is the very first novel he wrote, a book that over the years reached cult status: his debut Tutunamayanlar.

Let’s start with the book the way a reader starts, or rather someone seeing the book in a bookshop: with the title, Tutunamayanlar as it is called in Turkish. The title word is a noun derived from the verb tutunmak ‘to hold on to (sth.)’. The negative, expressed by the infix –ama–, adds the meaning of ‘not being able to’, an inability, which at the same time, however, has a touch of unwillingness to it. As a noun the word is a neologism which was coined by Atay; the popularity of the novel made the word enter the Turkish language.

Who are these ‘tutunamayanlar’, the ‘disconnected’ as they are called in the English translation, or ‘griplozen’ as we named them in Dutch? Maybe we should first listen to Oğuz Atay, or rather to one of his characters, Selim Işık, to let him explain the characteristics of this species. It will also give you a taste of the style of the book – but only partly, because the novel contains many different styles. One of the texts that interrupt the story line in this dazzling novel, is an entry on the ‘Tutunamayanlar’, a lemma to be included in the Encyclopeadia of Strange Creatures.

Since I’m one of the Dutch translators, I’d like to read the passage from our translation – it will give you some idea of what the translation sounds like. Though Dutch is the mother tongue of some 22 million Europeans, 17 million Dutch and 5 million Flemish, it is not widely known outside of the Netherlands and Belgium. Therefore, just to make sure, I should maybe quickly explain that Dutch belongs to the Germanic languages, together with languages like English, German, Norwegian and Danish. Although the languages in this group share close similarities, Dutch is certainly not a dialect of German, or a mixture of German and English, as is often thought. For centuries, it evolved independently from the languages spoken in its neighbouring countries. Speakers of German, English, Danish, or any other Germanic language, will usually not understand Dutch without language instruction. Flemish-Dutch is spoken in the Northern part of Belgium; it’s a variety of the Dutch as it is spoken in the Netherlands. Although there are differences in accent, grammar and vocabulary, Dutch and Flemish are mutually understandable.

For those among you who don’t know Dutch the Turkish original will be shown on the screen.

 

Griploze (Erectus Disconnectus): onbeholpen en schichtig dier. Kan zo groot worden als een volwassen mens en vertoont daar oppervlakkig gezien ook veel gelijkenis mee. Klauwen en vooral nagels zijn echter niet erg sterk. Is niet in staat om in bergachtig gebied steile hellingen te beklimmen, heeft dan geen grip. Daalt hellingen bij voorkeur glijdend af (waarbij vallen vaak voorkomt). Lichaamsbeharing is verwaarloosbaar. De ogen zijn groot maar het zicht is slecht ontwikkeld. Naderend gevaar wordt daardoor vaak te laat onderkend.

De mannetjes slaken smartelijke kreetjes als ze alleen gelaten worden. Dezelfde kreten gebruiken zij voor het lokken van wijfjes. Griplozen houden zich meestal op in de holen van andere dieren (zolang die hun aanwezigheid kunnen verdragen). Ook vestigen ze zich wel in verlaten nesten. Ze kennen geen familiestructuur. [...]

Religieuze spijswetten verbieden het eten van deze diersoort. Toch wordt erop gejaagd en komt het vlees illegaal op de markt. Griplozen laten zich eenvoudig bejagen. Indien men hen met begripvolle blik aankijkt, komen ze zonder meer naderbij. Daarna is het een koud kunstje om ze te doden. De Gemeentelijke Keuringsdienst van Waren heeft een verbod ingesteld op het slachten van griplozen; ze zouden drager zijn van voor de mens schadelijke micro-organismen. Medici zouden meermalen hebben vastgesteld dat mensen na het eten van griplozenvlees symptomen vertoonden als matheid, lichte verveling, gewetensnood van onduidelijke herkomst en oprispingen van onverklaarbare schuldgevoelens. [...]

Doordat ze altijd met gebogen hoofd lopen, stoten ze overal tegenaan en hebben ze over hun hele lijf blauwe plekken en verwondingen. Weekhartige mensen die griplozen in dergelijke toestand aantroffen hebben wel geprobeerd de dieren te domesticeren. Maar gezien hun onvermogen zich naar huiselijke regels te voegen is het bijzonder lastig hen als huisdier te houden. Ze kunnen zonder aanleiding hun baas aanvallen. Als ze vervolgens op straat worden gezet, weigeren ze te vertrekken. Ze blijven dan dagenlang smartelijk janken bij de voordeur en werken zo hun baas op het gemoed. [...] (1)

 

Tutunamayan (disconnectus erectus): beceriksiz ve korkak bir hayvandır. İnsan boyunda olanları bile vardır. İlk bakışta, dış görünüşüyle, insana benzer. Yalnız, pençeleri ve özellikle tırnakları çok zayıftır. Dik arazide, yokuş yukarı hiç tutunamaz. Yokuş aşağı, kayarak iner. (Bu arada sık sık düşer). Tüyleri yok denecek kadar azdır. Gözleri çok büyük olmakla birlikte, görme duygusu zayıftır. Bu nedenle tehlikeyi uzaktan göremez.

Erkekleri, yalnız bırakıldıkları zaman acıklı sesler çıkarırlar. Dişilerini de aynı sesle çağırırlar. Genellikle başka hayvanların yuvalarında (onlar dayanabildikleri sürece) barınırlar. Ya da terkedilmiş yuvalarda yaşarlar. Belirli bir aile düzenleri yoktur. [...]

Din kitapları, bu hayvanları yemeyi yasaklamışsa da, gizli olarak avlanmakta ve etleri kaçak olarak satılmaktadır. Tutunamayanları avlamak çok kolaydır. Anlayışla bakışlarla süzerseniz, hemen yaklaşırlar size. Ondan sonra tutup öldürmek işten değildir. İnsanlara zararlı bazı mikroplar taşıdıkları tespit edildiğinden, Belediye Sağlık Müdürlüğü de tutunamayan kesimini yasak etmiştir. Yemekten sonra insanlarda görülen durgunluk, hafif sıkıntı, sebebi bilinmeyen vicdan azabı ve hiç yoktan kendini suçlama gibi duygulara sebep oldukları, hekimlerce ileri sürülmektedir. [...]

Başları daima öne eğik gezdikleri için, çeşitli engellere takılırlar ve her tarafları yara bere içinde kalır. Onları bu durumda gören bazı yufka yürekli insanlar, tutunamayanları ev hayvanı olarak beslemeyi de denemişler. Fakat insanlar arasında barınmaları – ev düzenine uyamamaları nedeniyle – çok zor olmaktadır. Beklenmedik zamanlarda sahiplerine saldırmakta ve evden kovulunca da bir türlü gitmeyi bilmemektedir. Evin kapısında günlerce, acıklı sesleriyle bağırarak ev sahibini canından bezdirmektedirler. [...] (2)

 

Summary of the novel
I will tell more about the reception of the novel and about some of the translational aspects, but let me first give you a short summary of Tutunamayanlar.

One morning in the second half of the twentieth century, ‘on a site in the northeast of the big city, between points with a latitude of fourty one degrees, zero zero minutes one second North, a longitude of twenty nine degrees twelve minutes East and twenty nine degrees twelve minutes one second East’, Turgut Özben wakes up and reads the news of Selim Işık’s suicide in the paper.

The former soul mates Selim Işık and Turgut Özben, who met at university while studying to become civil engineers, lost touch with each other once Turgut got married. Although in their student years both of them decided never to give in to the bourgeois life style and the expectations by society, Turgut finds himself married, a father of two daughters and employed as an engineer working in an office.

Shocked by the news of Selim’s death, Turgut starts reconsidering his own life: how did he get to the point where he’s now? He recalls his memories of Selim, their days together, their conversations and debates, and comes to the conclusion he never really knew Selim. In order to find out who he was and what drove him to kill himself, Turgut traces some of Selim’s other friends – all of them unknown to him, as Selim didn’t like to introduce his friends to one another, even kept them strictly apart. Turgut visits Selim’s mother, finds all kinds of texts written by Selim, meets his friends Süleyman Kargı, Metin, Esat and his sister Aysel, gets into contact with Selim’s former girl friend, Günseli. And from every story by Selim’s friends, from every text written by Selim, a different Selim arises.

The more Turgut makes efforts to enter Selim’s world, the more he becomes alienated from his own life and routines. Finally, in order to read Selim’s diaries, given to him by Günseli, he sets off on a journey, knowing he won’t come back to his family and his regular life. He and Olric, the inner voice that has started to join him during this exploration, the one he is in constant dialogue with, finally get on a train. They crisscross the country until they get off at a distant railway station, and disappear in the crowd.

 

Maybe this comes across as a rather simple story line for such a fat novel – a novel which is presented to the reader as Turgut Özben’s manuscript, published on his request by a journalist. Though the book could be called an adventure story, Turgut’s adventure is not so much an adventure taking place in the outside world, an adventurous journey full of action. His is rather an adventure in the inner world, one that explores ideas and values. An adventure that at the same time takes place in the realm of language. The joy to play with language and to extend the possibilities offered by it as much as possible, the heartbreaking struggle with the shortcomings of language literally burst from the pages. The story line itself is intersected with an abundance of other texts and exposés – texts written by Selim mostly, such as a play, a long poem with a commentary, entries for an encyclopaedia, letters, diaries, an old document listing the principles of a secret society, police records of their meetings etc. It is this overwhelming abundance, this creative outburst that so many readers find attractive. But this very same quality made one of the first critics of Tutunamayanlar cry out that ‘the guy had apparently written down every bloody thing that came to his mind!’

 

Unfamiliar form and themes
Indeed, when we speak of the popularity, and even cult status, of Atay’s novel, we must add that it wasn’t until 1984 that Tutunamayanlar started to become popular, that is some 12 years after the book was first published. Atay himself unfortunately didn’t live long enough to see the success and recognition he had hoped for. He died in 1977.

In 1970, right after Atay had finished the manuscript of Tutunamayanlar, his book received a literary prize awarded by the radio and television channel TRT. Still, there were hardly any publishers willing to take the risk of publishing the voluminous debut novel of an unknown engineer – for just as the characters in his debut, Atay was as an engineer by profession. Finally, by the end of 1971, a new and small publishing house, Sinan, ventured to publish the book. The publisher lacked the money to bring out the whole novel, and split it into two volumes, which were published several months after one another.

What was it that made publishers so hesitant, and critics so critical?

‘What I had in mind when writing Tutunamayanlar, was something very simple,’ Atay remarked in an interview in 1972, soon after his debut was published. ‘I simply wanted to describe mankind. [...] I don’t have the talents of a great novelist who turns individuals into puppets whose strings he pulls as he likes. I have no big theories to apply to my characters, no big ideals I let them pursue.’

Today’s readers might consider this statement as an open door. But the climate of the seventies was extremely polarised, and ideological differences between people could easily turn into fatal fights. It was a violent climate which eventually, in May 1971, resulted in a harsh coup. In the literary circles at the time, novels that ‘praise people to the skies for not making up their minds’, as one critic put it, were not particularly appreciated.

In addition, Atay is rather critical when it comes to the world of left wing hard liners. He criticizes the authoritarian and inconsistent behaviour some of them expose. What’s worse, it’s not a criticism coming from someone from the outside: before Atay embarked on his first novel, he had been writing for left wing magazines himself. He knew their world from within. Surely critics were not amused by the disillusionments apparent in his novel: most critics, most of the prominent magazines, were left wing.

But it was not just the unusual content that made readers frown. The literary form of Atay’s novel was not exactly what readers were used to either: the unbridled stream of consciousness, all kinds of short texts in different genres, that cut across the story, such as a poem of 600 lines plus commentary, a chapter of 70 pages, written without a single comma or full stop – it may remind us, the readers of today, of James Joyce, of Nabokov, Virginia Woolf and other western modernist writers – writers Atay was very familiar with. But, as the critic Ahmet Oktay once remarked, the number of Turkish readers that in the beginnings of the seventies had read Ulysses, was no more than ten. As a matter of fact, Ulysses was translated into Turkish in 1992, and translations of Pale Fire (‘Solgun Ateş’) by Nabokov, and Man without Qualities (‘Niteliksiz Adam’) by Robert Musil didn’t appear before the nineties either; the original editions of these novels were hard to find, and required an excellent proficiency in the original languages. To his Turkish readership Atay’s literary experiment was, in other words, rather unusual.

In fact, criteria that were often applied to evaluate novels, that is: the formulation of clear-cut political stand points, expressed in a transparent, conventional literary form, were the heritage of the 19th century, when the remainders of the Ottoman empire were undergoing huge and comprehensive political and societal reforms. Many intellectuals and artists were at the forefront of this political movement. They considered it their task and responsibility to take part, and they used their works of art as a means to convey the new ideals. In the same period, under the influence of western, notably French literature, the genre of the novel entered Turkey. Thus, important representatives of Turkish literature considered individualism and playfulness as something close to a mortal sin. Atay committed both.

In Atay’s novel not uniformity is the norm, but pluriformity, expressed in a literary form that is as pluriform as the many forms taken on by Selim, varying according to the angle Turgut looks from, the people he talks to, the texts left behind by Selim. This brings the question to mind what we are, what makes us the person, the individual we are? What distinguishes us from others? What does it mean to be oneself? As much as we can raise this question with regard to the individuality of a person, we can ask ourselves this question in relation to a culture, a civilisation, a society. Considering all the different influences that affect and have affected a culture, what is it that distinguishes a particular one from all other existing cultures? It is this issue that is one of the core questions in Atay’s debut novel, and in many other texts he wrote.

It is an issue which is also addressed by other Turkish authors preceding Oğuz Atay, however different their work may be from what Atay wrote: Examples are Halid Ziya Uşaklıgil with novels like Kırık hayatlar (‘Broken Lives’) Ahmet Hamdi Tanpınar, Yusuf Atılgan – again, authors whose work has hardly been translated into other languages.

 

Uniformity in the new republic
Considering the history of modern Turkey, it’s not surprising that the issue of the identity of a culture is so often referred to and explored in literature. Few countries have seen such an intense orientation to another culture or have experienced such a disruptive cut off from their past and their cultural traditions as Turkey in the process of transformation from empire to republic.

When the Ottoman empire lost more and more of its power and territory, while being threatened at the same time by internal ethnic nationalist movements that demanded independence for their own people, a transformation process was undertaken which showed a strong orientation to the west – as much in economic terms as in military, political and cultural questions. In 1923 this resulted in the establishment of the republic of Turkey by Atatürk and his companions.

But it was a scattered country the new regime inherited, poor and traumatised, with a glorious past that had gone to pieces, and an unclear future ahead. One of the main issues the new rulers were facing was how to mould a new national identity which would hold together the patchwork of different ethnic, religious and social groups that inhabited the remainders of the Ottoman empire – a diversity which, I think, is still one of Turkey’s most striking features for anyone coming from abroad. Since precisely this diversity was considered to be one of the main causes of the decline of the empire, the new focus was on uniformity.

In the process of creating a new national identity which was to include all inhabitants, regardless of their ethnic, linguistic or religious background, two elements played a key role: Turkish history and the Turkish language. Both of them were used as a means to unite the inhabitants of the new nation state. Very soon after the proclamation of the republic, the new regime established two institutes under direct state control: the Turkish History Society (Türk Tarih Kurumu; 1931), and the Turkish Language Society (Türk Dil Kurumu; 1932).

 

Clearing the language
The Turkish Language Society was appointed the task of standardising the language, making it apt to be the symbol of Turkish national unity. To this end, drastic language reforms were implemented. The replacement of the Arabic alphabet by the Latin one (with minor adaptations for Turkish sounds) is one of the best known reforms. From 1929 onwards texts could no longer be printed in the Arabic alphabet (although many people kept writing their private notes, their letters and diaries in the so called ‘old letters’. The diaries and manuscripts of the author Tanpınar (1901-1962), for example, are written in Arabic script.).

Although less well known abroad, the reform of the language itself, of its lexicon and grammar, was at least as far reaching as the alphabet reform. A large scale campaign was started to replace Arabic and Persian words and their grammatical structures by what was called Öztürkçe, ‘pure Turkish’ equivalents. These replacements were often borrowed from dialects spoken in Turkey, or from Turkic languages in Central Asia, such as Tatar. But words were also newly coined, gluing together different Turkish stems. However, to free a language from all external influences is a venture which is doomed to fail: what is endemic? The further back one goes in history, the more even the most original things prove to be borrowed or influenced by ‘the other’. In order to counter any objections and contradictions, the Sun Language Theory was constructed, a pseudoscientific linguistic hypothesis proposing that all human languages are descendants of one Central Asian primal language. According to this theory, Turkic is the only remaining language which is still more or less the same as this primal language, thus implying that eventually every word or morpheme is Turkish.

In pursuing this purification campaign, the Turkish Language Society issued lists of pure Turkish (Öztürkçe) words to replace their Arabic and Persian counterparts. This often affected very frequent daily words such as in the case where örneğin, a pure Turkish neologism, was proposed to replace the common mesela, of Arabic origin. In its extremes, the purification campaign resulted in a newspeak of long-winded descriptions, often made fun of with neologisms like çok oturgaçlı göturgeç ‘bringing device with many sitting devices’ for otobüs, ‘bus’. That these newly formed words were not always comprehensible is also clear from the fact that in many books written in Öztürkçe, the daily, normally used Arabic or Persian word is given in brackets. Some of the pure Turkish new formations survive until this day, others died a very early death.

Though Arabic and Persian were associated with a past that was to be forgotten as soon as possible, French, the language of the new Leitkultur, was very popular among reformers. Thus, French loan words and borrowings, such as konfirme etmek ‘to confirm’ or empoze etmek ‘to impose’, were frequently used in pro-western movements.

This stringent language policy, in combination with the wilfulness of reality, resulted in two parallel varieties of Turkish, both of which were highly ideologically coloured. Öztürkçe, the pure Turkish, or zuiverturks, zuivertaal as we translated it, was associated with left wing, progressive movements – an amalgam of different political tendencies, including kemalist and nationalistic ones; the language of conservative segments in society, on the other hand, had a more Arabic/Persian taste to it. In addition, pro-westerners liked to flavour their Turkish with French loans, a role that was later taken over by English.

Language became, in other words, a medium for expressing ideological preferences. At least: it was perceived as such. Since in the polarised society of the seventies there was hardly such a thing as ideologically neutral language use, anyone opening his mouth, or writing something on a piece of paper, was forced to choose between Öztürkçe or an Arabic/Persian variant – and was judged accordingly. For people not wanting to be included in either of the ideological camps, language became a true Scylla and Charibdis, a constant navigation between two undesired extremes.

 

Language varieties in Tutunamayanlar and their translation
In Tutunamayanlar Atay pushes the prevalent range of language variation even further. As a modernist writer, he doesn’t simply reflect an objective reality. On the contrary, he perceives reality as something that can’t be reached, can’t be discussed, because language, the order of language, always stands in between object and subject. ‘Language is the mirror of our lives,’ says Turgut with a sigh. A mirror indeed, reflecting, but not showing what is behind.

Thus, apart from the Öztürkçe and the more Arabic/Persian flavoured variant of Turkish, Tutunamayanlar includes texts in a stately official Ottoman as it was used in previous centuries, containing hardly a single word in Turkish; there’s a text in semi-Gök-Turkish, the language attributed to the Central Asian stem of Gökturks, living in the 8th century, the supposed ancestors of all Turks; and there are fragments of horrid translations of French texts, a Turkish full of halfheartedly turkificized French words.

Finding equivalents for the different language varieties was obviously one of the biggest challenges in the process of translation. Dutch was never subjected to such a stringent language policy as Turkish (and frankly, I assume few languages have been). Trying to find two parallel, coexisting varieties of Dutch, to exactly meet the nearly diglossic situation in Turkish, would be a mission impossible. But like all languages, Dutch too has been exposed to the influence of foreign languages in the course of history. The French occupation at the end of the 18th, beginning of the 19th century, left its marks on Dutch. Like in negatieontkenning ‘denial’, there are quite a lot of pairs of synonyms, one with Romanic, the other with Germanic roots. Often the Romanic word has an old fashioned, or a more stately connotation. French was a language with high prestige, in schools, in trade, and in daily life. Until far in the 20th century, many upper-class families in the Netherlands used French at home, for dinner conversation for instance, and raised their children in this language.

In Flanders, the north of Belgium, contact with French lasted longer and was more invasive. As a consequence the resistance against incorporating French loan words into Flemish has always been much stronger than in The Netherlands. Punaise, for example, a loan from French, is the common word for ‘drawing pin’ in The Netherlands, paraplu for ‘umbrella’; in Flemish however, Germanic loan translations are often preferred to French loans. Instead of punaise one uses duimspijker, that is ‘thumb nail’, instead of paraplu regenscherm, ‘rain screen’.

In our translation, we used this dichotomy of Romanic vs Germanic rooted words in order to translate the Arabic/Persian and the Öztürkçe variants. In cases of excessive use of Arabic/Persian words we chose from a Romanic (French / Latin) vocabulary existing in Dutch; in cases of Oztürkçe, we used Germanic words or invented words made of Germanic roots.

 

Some examples
An example of a part from the book with an excessive amount of Öztürkçe words:

 

5- Gökçın Karma: Azılı bir düzen yağısıdır. Orta boylu, kaslı, saçları dökülmeye başlamış, gökçeses (müzik) düşkünü, günbatımına (akşam) değin çadırında bağırır (şarkı söyler). Saçları dökülmeye başlayalı bıyık bıraktı. Okuduğu betikler tüm yabancı dildendir. Olaydan birkaç gün önce bütün betiklerini at uşağına armağan etmiş (uşağı da salıvermiş) ve gece gündüz demeden Bilig-Tenüz okumaya vermiş kendini.

5. Gökçin Karma: vurig weerstrever van de heersende orde. Van gemiddelde lengte, gespierd, kalend, groot liefhebber van hemelklank (muziek), bulderbrult (zingt) van ochtendstond tot avondstond in zijn zeildoekspansel (tent). Laat zijn snor staan sinds zijn haar is gaan uitvallen. Leest alleen leesklanktekenbanden (boeken) in vreemde talen. Heeft een paar dagen vóór de geschiedenis echter al zijn leesklanktekenbanden aan zijn rosknecht gegeven (en die rosknecht ook weggestuurd) en leest nu dag en nacht in de ‘Wereldzee van Wijsheid’.

 

An example of a fragment in some kind of ‘high Ottoman’, with many words from Arabic or Persian origin.

 

6          Takdir-i İlâhi’nin mümkün kıldığı nev-i beşerin idame-i hayat edebilmesi için elzem olan muvazene unsuru ise, Müşfik Salgan’ın şahsında tebellür eder. İlâhî Uzviyetin küçük beyni mertebesinde addedilmesi iktiza eden ve tevazunun müşahhas misâli olan Ulu Salgan, Nâmütenâhi Orkan’ın kuvvet ve kudretini, cemiyyetin âlî menfaatleri için tahdit ve tesbit etmek üzere mevcuttur. Şöyle ki: [...]

6          En waarlijk, het element van equilibrium, conditio sine qua non voor het voortbestaan der menselijke species, door de Goddelijke Voorzienigheid mogelijk gemaakt zijnde, manifesteert zich in de persoon van Salgan de Liefhebbende. De Grote Salgan, die in het Goddelijk Lichaam dient te worden beschouwd als het cerebellum, en die de incarnatie is der ootmoedigheid, existeert teneinde de macht en kracht van de Grenzeloos Grote Orkan te limiteren en fixeren ten behoeve van de sublieme belangen der societas. Op zulk ene wijze dat: [...]

 

A fragment of a bad translation of a French novel, the French shining through conspiciously in the Turkish:

En sevdiklerim de tercüme romanlardı:

Lagranj, Lökok’a sert bir nazar atfetti. Aşağı Löretanya’nın bu iki muannit serserisi için mutavaat kabul etmez bir vaziyet hasıl olmuştu. Her ikisi de müthiş bir hâlet-i ruhiyenin esiri olmuşlardı. Lökok, nevmîdane konuştu:

- Hissiyatına mağlup oluyorsun. Mersiyer bu elim vaziyetten bilistifade, Margörit’i avucunun içine, o menfur arzularına ram etmek üzere ve gayri kabili red bir şekilde bu toprakların üzerinde bize hayat hakkı tanımayarak alacaktır.

 

Ik hield het meest van vertaalde romans.

Langrange wierp Lecoq een strenge blik toe. Aan deze twee obstinate schavuiten uit Nederlauretanië deed zich thans een circumstantie voor in welke enige mate van indulgentie onacceptabel zou zijn. Beiden verkeerden in een horribele état d’esprit. Lecoq sprak vol van desperatie:

- Gij valt ten prooi aan uw gemoed. Mercier zal zeker deze deplorabele toestand utiliseren en Marguerite inpalmen om haar zodoende met zijn abjecte désirs te doen instemmen en hij zal ons in deze contreien niet langer dulden.

 

Increasing popularity
Before looking at some examples from the translation, I mentioned the publishers’ and readers’ initial hesitations and their disinterest in Tutunamayanlar. The book was considered too different to ever reach a large audience. By now, though, the book is widely popular. To conclude this talk, I want to summarize what happened in between.

Another violent coup, on 12 September 1980, brought political life in Turkey to a temporary end. Many political activists were arrested, and put in prison for years. Turkish society which had been polarised and politicized to such a high extent, was depoliticized in a very short time. Outside Turkey, the dominant political ideologies lost their importance when the Iron Curtain came down. They were largely replaced by consumerism.

It was a bitter time in Turkey, which not only killed political, but also cultural life. Many people didn’t survive, or were damaged for the rest of their lives. After a while however, there was also some relief: a relief at the loss of a straitjacket of ideologies, of being forced to choose from a fixed number of alternatives. In this new climate Atay was welcomed as a kindred spirit, ironical about the status quo – not out of bitterness or indifference, but out of grief and revolt, because one could think of such a different kind of life too.

At the same time, thanks to my Turkish colleagues and their publishers, more and more translations of western modernist literature, and of academic studies on modernist literature appeared in Turkish. These helped readers and critics to value Atay, not only as a sincere human being, a kindred spirit, but also as an avantgard artist.

Modernism and postmodernism so intensively explored by Atay for the first time in Turkish literature, was further elaborated by authors that came after him. Orhan Pamuk is the best known of his inheritors, but also younger authors (whose work has not yet been translated into Dutch) like Ayfer Tunç and Hakan Günday are among them. Recently, Ayfer Tunç described Atay’s influence as a kind of dna, that via his novels was passed on to young authors, hereditary material that they in turn will pass on to next generations. Turkish literature, in sum, has changed since the nineties, it has become more playful, and it owes this quality to a large extent to Oğuz Atay.

 

References

(1) Oğuz Atay, Het leven in stukken. Amsterdam: Athenaeum, Polak & Van Gennep, 2011. Original title: Tutunamayanlar. Translated from the Turkish by Margreet Dorleijn and Hanneke van der Heijden.
(2) Oğuz Atay, Tutunamayanlar. İstanbul: İletişim. (First published: 1971/1972).

 

This is a slightly revised version of a talk I gave in Istanbul at The Netherlands Institute in Turkey on 26 January 2012.

Tıflî-verhalen en brieven: van genres die komen en weer gaan

‘Een van de leuke dingen van een bestaan als osmanist,’ zei David Selim Sayers twee weken geleden tijdens een lezing, ‘is dat je een geheel nieuw literair genre kunt ontdekken.’ Dat wil zeggen, een genre dat in andere literaturen niet of nauwelijks bestaat. En dat lezers in Turkije, osmanisten, turkologen, alle onderzoekers die zich met de Turkse literatuurgeschiedenis bezighouden, inmiddels al lang weer zijn vergeten.

Sayers ontdekte zo’n genre. Tıflî hikâyeleri, zoals het wordt genoemd, ‘Tıflî-verhalen’. Er waren weliswaar eerdere onderzoekers die dit soort verhalen hadden opgemerkt, maar niemand had ze als zelfstandig literair genre herkend. Sayers onderzocht hun drukgeschiedenis, hun stijlkenmerken en historiciteit, en vond genoeg aanwijzingen om ze als apart literair genre te bestempelen. De studie die hij erover schreef is niet alleen een onderzoek naar de kenmerken van dit soort verhalen. De verhalen zelf beslaan meer dan de helft van het boek, omgezet in modern Turks en geïllustreerd met tekeningen uit de oorspronkelijke tekstedities.

Lees verder…

Literaire wandelingen in Istanbul

Er zijn maar weinig straten in Istanbul te vinden waar niet eens een schrijver of dichter, een vertaler, uitgever of recensent doorheen gelopen is – de Turkse literaire traditie is lang, en de literaire wereld drukbevolkt. Veel plekken in de stad zijn daarom met boeken, gedichten en tijdschriften in verband te brengen. Sommige van die plekken hebben een bijzondere betekenis gekregen omdat ze ooit in een tekst beschreven zijn. Of omdat er een boek, een gedicht, een tekst over een heel andere plek op papier werd gezet.

Voor wie wandelend door Istanbul meer te weten wil komen over Turkse literatuur en over de Turkse boekenwereld, organiseer ik literaire wandelingen – eerder deed ik dat onder meer voor lezers van NRC Handelsblad. Tijdens deze wandelingen vertel ik over het werk van een aantal Turkse schrijvers en de periode waarin ze leefden: auteurs die in het Nederlands vertaald zijn en schrijvers die alleen Turkse lezers kennen. Maar ook over de boekenwereld van nu: wat voor uitgevers zijn er? Wordt er veel vertaald? Wat lezen lezers in Turkije?

Er zijn twee keuzemogelijkheden:
- een wandeling door Beyoğlu en de oude wijken rond het centrum, over een aantal belangrijke schrijvers uit de moderne romanliteratuur, zoals Orhan Pamuk, Oğuz Atay, Ahmet Hamdi Tanpınar en Orhan Kemal. Desgewenst inclusief bezoek aan het Museum van de onschuld van Orhan Pamuk.

- een wandeling langs de Bosporus, over een aantal belangrijke dichters en schrijvers die eind negentiende, begin twintigste eeuw leefden, zoals Tevfik Fikret, Abdülhak Şinasi Hisar en Nigâr Hanım. Inclusief bezoek aan Aşiyan, het houten huis dat Tevfik Fikret ontwierp en waar hij tot zijn dood woonde. Het heeft een prachtig uitzicht over het water.

Andere wijken en thema’s in overleg.
De wandelingen duren ieder ongeveer 2,5 uur.

Voor meer informatie, stuur een e-mailtje via het contactformulier.

 

Oğuz Atay – Het leven in stukken (drie fragmenten)

Als er één boek is waarvan het moeilijk, nee onmogelijk is een fragment te kiezen, dan is het wel Het leven in stukken, waarmee Oğuz Atay (1934-1977) in 1971/1972 debuteerde. De boek is een roman, maar bevat allerlei andere genres: toneelteksten, gedichten, commentaar daarop, brieven, dagboekfragmenten. Een encyclopedische poging lijkt het om de wereld van de twee hoofdpersonen, Selim en Turgut, te beschrijven.

Toch een poging om iets te kiezen uit de veelheid aan genres en stemmen in het boek. Of twee. Eerst een fragment uit het begin van de roman, waarin we lezen waar Turgut woont. En een passage verderop uit het boek, waarin de dag wordt beschreven ‘dat alle waardeoordelen zullen veranderen, de veroordeelden rechter [zullen] worden, de onderdrukkers in de beklaagdenbank [zullen] plaatsnemen en zich zullen schamen, ja zo erg schamen dat het gewicht van hun schaamte en schuld hen terneer zal drukken [...].’ En toch ook nog één heel klein derde fragment, uit het lemma van de griploze – want naar de griplozen is het boek in het Turks genoemd. Lees verder…

Oğuz Atay in het Nederlands en het Duits

De roman Tutunamayanlar van Oğuz Atay gold jarenlang als een van de best bewaarde geheimen van de Turkse literatuur. Het meer dan zeshonderd pagina’s tellende debuut van Atay, dat in 1971/1972 werd uitgebracht – noodgedwongen in twee delen, want geen enkele uitgever wilde zo’n dik boek van zo’n onbekende schrijver in één keer uitgeven – betekende een keerpunt, in de moderne Turkse literatuur, maar ook in het leven van veel lezers. Buiten Turkije had al die tijd haast niemand van Atay en zijn boek gehoord. Pas in 2011 verscheen de eerste vertaling van de roman: Het leven in stukken (klik hier voor een fragment). ‘Een boek als een ervaring’ noemde Guus Middag het, ‘een boek waar je in rond blijft dwalen’. En dat is precies hoe veel Turkse lezers de roman lezen.

Lees verder…

Orhan Pamuk – De andere kleuren. Beschouwingen en een verhaal (fragment)

Orhan Pamuk schrijft niet alleen romans, hij schrijft ook over romans: zijn gedachten bij het lezen van romans van andere auteurs, zijn ideeën over het schrijven van een roman heeft hij door de jaren heen uitgewerkt in artikelen en lezingen.

Een deel van die teksten is verzameld in de bundel De andere kleuren. Beschouwingen en een verhaal. Sommige gaan over bekende romans uit de wereldliteratuur, zoals De broers Karamazov van Dostojevski, Lolita van Nabokov of De vertellingen van duizend-en-één-nacht. In andere beschrijft Pamuk hoe hij het werk van (ook in het Nederlands vertaalde) Turkse auteurs leest: de romans van Yaşar Kemal, Oğuz Atay en Ahmet Hamdi Tanpınar.

Lees verder…

Het huis van de griplozen

Ingrijpende bouwwerkzaamheden aan panden in de binnenstad van Istanbul zijn vaak aanleiding voor gemor en protest – meestal omdat een historisch pand vertimmerd wordt tot hippe residans of luxe apart otel. Het gaat bij die zogenaamde stadssanering niet alleen om het verbeteren van vervallen huizen; ook Turkse binnenstadsbewoners willen graag een kookeiland of bubbelbad. Zo zag een journaliste dit voorjaar het dak van alweer een pand in centrumwijk Taksim verdwijnen, vermoedde hoe het zou aflopen, en schreef een verontwaardigd stuk. Een stroom van instemmende reacties volgde.

 

Lees verder…