Nâzım Hikmet-festival in Amsterdam (29 september – 3 oktober 2015)

Theater Rast in Amsterdam viert haar 15-jarig jubileum met een multidisciplinair festival gewijd aan het werk en het leven van de Turkse dichter Nâzım Hikmet (1902-1963). Het programma omvat onder meer de vertoning van een documentaire, lezingen, een theatrale poëzieperformance en een theaterconcert. Nâzım Hikmets meesterwerk Mensenlandschappen vormt de basis voor een ‘spoken word performance’.

Het festival wordt georganiseerd door Theater Rast & reART Collective i.s.m. Podium Mozaïek, Agora Lettera en Poetry Circle Nowhere. Şaban Ol, Micha Wertheim, Can Dündar, Genco Erkal, Selim Doğru en anderen verlenen hun medewerking aan het programma.

Voor het volledige programma, klik hier.

Kaartjes zijn te verkrijgen vanaf 15 augustus – klik hier.

 

Nâzım Hikmet-festival in Amsterdam (29 september – 3 oktober 2015)

Theater Rast in Amsterdam viert haar 15-jarig jubileum met een multidisciplinair festival gewijd aan het werk en het leven van de Turkse dichter Nâzım Hikmet (1902-1963). Het programma omvat onder meer de vertoning van een documentaire, lezingen, een theatrale poëzieperformance en een theaterconcert. Nâzım Hikmets meesterwerk Mensenlandschappen vormt de basis voor een ‘spoken word performance’.

Het festival wordt georganiseerd door Theater Rast & reART Collective i.s.m. Podium Mozaïek, Agora Lettera en Poetry Circle Nowhere. Şaban Ol, Micha Wertheim, Can Dündar, Genco Erkal en Selim Doğru en anderen verlenen hun medewerking aan het programma.

Voor het volledige programma, klik hier.

Kaartjes zijn te verkrijgen vanaf 15 augustus – klik hier.

 

‘Osmaanse poëzie is als een compositie van Bach’ – Interview met de samenstellers van ‘Reisgenoten en wijnschenkers’

Interview: Hanneke van der Heijden

‘Osmaanse poëzie is als een compositie van Bach: het heeft een abstracte schoonheid die op je gevoel werkt.’ Zo karakteriseert turkoloog Jan Schmidt de poëzie die hij met zijn collega’s Sytske Sötemann en Sander de Groot in het Nederlands vertaalde: Reisgenoten en wijnschenkers. De vroegste gedichten in de bundel dateren uit de veertiende eeuw, het begin van het Osmaanse rijk, de laatste zijn geschreven in het begin van de twintigste eeuw, aan de vooravond van het ontstaan van de republiek Turkije. De bloemlezing, vorig jaar verschenen bij Uitgeverij Jurgen Maas, geeft een overzicht van een dichterlijke traditie die bij lezers in Nederland en België zo goed als onbekend is. Voor poëzietijdschrift Awater had ik een gesprek met Sötemann en Schmidt over deze rijke poëzie en hoe die te vertalen.

Jullie bundel bevat gedichten uit de drie belangrijkste poëtische genres: divan- of hofpoëzie, tekke- of mystieke poëzie, en volkspoëzie. Waarin verschillen die genres van elkaar?

Schmidt: ‘Divanpoëzie werd geschreven door dichters die werden geprotegeerd en beloond door het hof van de sultan of door een lokaal hof buiten Constantinopel (het huidige Istanbul). Hun poëzie is vooral door het Perzische stramien beïnvloed. Het heeft veel Perzische leenwoorden en ook het metrum van de Perzische klassieke poëzie, waarin de afwisseling in de lengte van de klinkers en lettergrepen een grote rol speelt. De volkspoëzie, en deels ook de mystieke poëzie, sluit juist meer aan bij de lokale tradities en de spreektaal. De volkspoëzie heeft een lettergreepmetrum: in het Turks speelt de klemtoon een rol, en niet de lengte van klinkers en lettergrepen.’

Sötemann: ‘Volkspoëzie ligt ook dichter tegen de dagelijkse beleving aan. Het wordt bijvoorbeeld gebruikt om mensen op te roepen tot een opstand, of om het leed van afscheid, heimwee en dood te beschrijven. Of gewoon voor het plezier, het plezier van het leven, in koffiehuis of taverne.’

En de poëzie uit de mystieke ordes?

Schmidt: ‘In taalgebruik staat tekkepoëzie dichter bij de volkspoëzie, al moet je wel een onderscheid maken naar sociale status. De Mevlevi-orde (de volgelingen van de Perzische mysticus Mevlana Djelal ad-Din Rumi) had bijvoorbeeld een hogere sociale status dan die van de volgelingen van de heilige Hacı Veli Bektaş. De Bektaşi-poëzie staat daardoor dichter bij de volkspoëzie. Binnen die orde zijn veel gedichten van buiten Istanbul overgebleven. De poëzie van de Mevlevi-orde is meer verwant met de hofpoëzie.’

Sötemann: ‘Omgekeerd heeft hofpoëzie vaak ook een sterk mystieke lading. Met die dubbelzinnigheid wordt gespeeld. Een wijnschenker kan een schone jongeling zijn, maar ook het hogere verbeelden. Dat blijft vaak diffuus.’

De bloemlezing bevat poëzie uit een groot tijdvak, van de veertiende tot de twintigste eeuw, geschreven in een enorm geografisch gebied. Hebben die gedichten toch iets gemeenschappelijks?

Sötemann: ‘De beeldspraak blijft in de loop van de eeuwen vrij constant, het is de culturele bedding, die in de loop van de eeuwen nauwelijks veranderd is. De originaliteit ligt daardoor niet zozeer in het gebruik van nieuwe metaforen, die zijn bijna allemaal aan de Perzische poëzie ontleend, maar in het spel met vormelementen zoals rijm en woordspel. Ook in onze bundel zie je grote verschillen in wat verschillende dichters met hetzelfde beeld doen.’

Schmidt: ‘Men was dol op allerlei retorische spelletjes. In hofpoëzie worden bijvoorbeeld grappen gemaakt met woorden die in het Arabisch, Perzisch en Turks op elkaar lijken, maar iets anders betekenen. Of je treft een vreemd Turks woord aan. Daarmee wordt iets origineels toegevoegd aan iets wat in hoge mate clichématig is.’

Is er van de Osmaanse poëzie veel bewaard gebleven?

Schmidt: ‘Er is heel veel gedicht, en ook heel veel verloren gegaan. Toch is er opvallend veel wél bewaard. Dat komt vooral doordat het Osmaanse rijk niet hetzelfde lot heeft ondergaan als het Romeinse rijk. Van het Romeinse rijk is nauwelijks een handschrift overgeleverd. Maar het Osmaanse rijk is blijven bestaan en ook niet echt gekoloniseerd. Er bestaan daardoor nog duizenden Osmaanse handschriften.’

Sötemann: ‘Veel volkspoëzie is vooral door de orale traditie overgeleverd. Veel mensen waren analfabeet, zoals overal elders in de wereld. Aan volkspoëzie deed iedereen mee, iedereen kan iets vertellen in gezelschap. En als er dan ondertussen muziek wordt gemaakt… dan wordt er voortdurend nieuwe poëzie gemaakt, en oude gezongen.’

Hoe hebben jullie uit dat enorme erfgoed dichters geselecteerd?

Sötemann: ‘Het moest een handzaam boek worden, een dikke bundel zou voor mensen die deze poëzie nog niet kennen weinig toevoegen. Daarom hebben we vooral dichters opgenomen die tegenwoordig gelden als de belangrijke namen in het poëtisch erfgoed.’

Schmidt: ‘Daarnaast hebben we ook gezorgd voor vormelijke variatie. Er staan in de bundel zowel gazels (korte lyrische gedichten), als elegieën en kasides ofwel lofdichten. Maar we hebben ook subgenres opgenomen: humoristische gedichten, scabreuze teksten, scheldpoëzie, een treurdicht voor een kat.’

Poëzie vertalen is sowieso moeilijk. Maar de vertaling van poëzie geschreven in een taal met zulke andere structurele kenmerken als het Nederlands, en met zo’n andere traditie in beeldspraak…

Schmidt: [lacht] ‘… is eigenlijk onmogelijk.’

Sötemann: ‘We hebben ervoor gekozen om in beeldspraak en betekenis zo dicht mogelijk bij het origineel te blijven en er niet zomaar iets van te maken dat in het Nederlands leuk klinkt. We wilden vooral laten zien waar Osmaanse dichters het over hebben en hoe ze dat verwoorden. In de inleiding hebben we uitgelegd wat bepaalde beelden, zoals een volle maan of een wijnschenker, kunnen betekenen. Vormelijke kenmerken als metrum of rijm kwamen in de vertaling op de tweede plaats. We hebben expres geen prozavertaling gemaakt. We wilden laten zien dat het gedichten zijn. Soms, vooral in volkspoëzie, is het gelukt om gelijksoortige regels te krijgen wat ritme betreft. Maar je wordt gedwongen een keuze te maken, de syntaxis van het Nederlands is zo anders.’

Leverde het feit dat het Osmaans het geslacht van een persoon vaak niet expliciet aangeeft grote problemen op?

Sötemann: ‘Ja, je weet soms niet of een geliefde een man of een vrouw is. Dichters spelen met die dubbelzinnigheid.’

Schmidt: ‘Soms bieden genrekenmerken wel uitkomst bij de interpretatie. In gazels, in de lyrische poëzie, in de odes, is de geliefde een jongen, dat is bekend. Het was taboe om daarin over een vrouw te schrijven. In mesnevi’s, verhalende poëzie, gaat het juist altijd om een liefdesverhaal tussen een man en een vrouw. Het lastigst is liefdespoëzie die ook een mystieke kant heeft. Daarin staat de geliefde, vaak verzinnebeeld als ongenaakbare sultan, voor het hogere en goddelijke, dat de mens nooit kan bereiken. Liefde in dit soort liefdespoëzie is dus ongelukkige liefde, de liefde wordt nooit gesublimeerd. Maar tegelijkertijd is de geliefde ook een mens van vlees en bloed.’

Jullie bundel is tweetalig: naast de Nederlandse vertaling is ook het Osmaanse origineel, getranslitereerd in Latijns schrift, afgedrukt. Waarom?

Sötemann: ‘Om dit culturele erfgoed door te kunnen geven aan de jonge Turken die hier in Nederland wonen. Zij beheersen dat soort Turks zeker niet, op Nederlandse scholen krijgen ze het nooit, maar het spreekt hen vaak wel aan.  Ze kunnen in die Turkse teksten ook veel herkennen. Op deze manier krijgen ze toch een idee van hun eigen culturele erfgoed, het is bedoeld als een soort cadeautje.’

Wat is er zo mooi aan Osmaanse poëzie?

Schmidt: ‘Het zit als een prachtig kunstwerkje in elkaar. Het rijm is vaak heel bijzonder. En natuurlijk die cadans, die afwisseling van kort en lang, dat is muziek. Voor mijn studenten lees ik die Osmaanse poëzie wel eens voor zoals ik denk dat die geklonken moet hebben. Dat vinden ze natuurlijk heel gek, maar dan hoor je wat voor prachtige toon erin zit. Het werd natuurlijk ook vaak voorgedragen op bijeenkomsten met muziek. Tromgeroffel, geklap, gejoel…’

Sötemann: ‘Een van de dingen die ik in de volkspoëzie mooi vind, is dat je de geschiedenis van de bevolking ervaart. De opstanden, de armoede, de feesten. Poëzie, ook de moderne, geeft me, anders dan een wetenschappelijke studie, het gevoel heel direct in aanraking te komen met de cultuur, waardoor je iets meer van de mensen en hun samenleving lijkt te begrijpen.’

Schmidt: ‘Je hebt het idee iets over persoonlijke gevoelens te horen. Zo’n dichter roept je op het eind van het gedicht opeens aan: “O, wat heb ik toch een pijn in mijn hart gehad!” Een stem uit het verleden, lijkt het. Bij gazels heb je vaak een bepaalde setting. Er wordt bijvoorbeeld een stel vrienden beschreven die wijn zitten te drinken. Dat soort bijeenkomsten werd ook echt gehouden, al is het tegelijkertijd ook bedoeld als een beschrijving van het paradijs. Als je zo’n gedicht leest, heb je het idee dat je bij een groep mensen zit die buiten feest aan het vieren zijn, en dan verliefd worden op de wijn schenkende ober. Het geeft een illusie van intimiteit, en dat heb je in andere genres zelden. Daarom is het ook verwant aan muziek, aan composities van Bach. Die kunnen ook zo mooi in elkaar zitten. Het heeft een abstracte schoonheid die met heel persoonlijke gevoelens werkt.’

 

Sytske Sötemann, Jan Schmidt en Sander de Groot (red.), Reisgenoten en wijnschenkers. Osmaanse poëzie. Amsterdam: Uitgeverij Jurgen Maas. 2014.

Enkele gedichten uit de bundel zijn ook te vinden op de website van Sytske Sötemann.

Dit interview is (in een iets andere versie) verschenen in poëzietijdschrift Awater, najaar 2014.

 

Nu in de winkel: ‘Osmaanse poëzie is als een compositie van Bach’

Zo karakteriseert turkoloog Jan Schmidt de poëzie die hij met zijn collega’s Sytske Sötemann en Sander de Groot in het Nederlands vertaalde. Hun bloemlezing, Reisgenoten en wijnschenkers, kwam onlangs uit bij Uitgeverij Jurgen Maas. De vroegste gedichten in de bundel dateren uit de veertiende eeuw, het begin van het Osmaanse rijk, de laatste zijn geschreven in het begin van de twintigste eeuw, aan de vooravond van de republiek Turkije. De bundel geeft een overzicht van een dichterlijke traditie die bij lezers in Nederland en België zo goed als onbekend is.

Hoe ziet Osmaanse poëzie eruit? En hoe vertaal je gedichten uit een zo andere taal en traditie in het Nederlands? Voor poëzietijdschrift Awater interviewde ik Jan Schmidt en Sytske Sötemann hierover. Het vraaggesprek staat in het najaarsnummer, dat nu in boekwinkels verkrijgbaar is.

‘Osmaanse poëzie is als een compositie van Bach’

Zo karakteriseert turkoloog Jan Schmidt de poëzie die hij met zijn collega’s Sytske Sötemann en Sander de Groot in het Nederlands vertaalde. Hun bloemlezing, Reisgenoten en wijnschenkers, kwam onlangs uit bij Uitgeverij Jurgen Maas. De vroegste gedichten in de bundel dateren uit de veertiende eeuw, het begin van het Osmaanse rijk, de laatste zijn geschreven in het begin van de twintigste eeuw, aan de vooravond van de republiek Turkije. De bundel geeft een overzicht van een dichterlijke traditie die bij lezers in Nederland en België zo goed als onbekend is.

Hoe ziet Osmaanse poëzie eruit? En hoe vertaal je gedichten uit een zo andere taal en traditie in het Nederlands? Voor poëzietijdschrift Awater interviewde ik Jan Schmidt en Sytske Sötemann hierover. Het vraaggesprek staat in het najaarsnummer, dat nu in boekwinkels verkrijgbaar is.

 

‘Mensenlandschappen’ van Nâzım Hikmet in Nijmegen (26 oktober 2014)

Op zondag 26 oktober vindt van 14 tot 16.30 uur in wijkcentrum Hatert (Nijmegen) een literaire plaats rond Mensenlandschappen van Nâzım Hikmet (1902-1963) – het bekendste werk van een van Turkijes bekendste dichters. De middag wordt georganiseerd door de Democratische Volksvereniging (DHD) Nijmegen m.m.v. voordrachtsgroep Poëzie Hardop uit Arnhem.

Tijdens de middag wordt een portret geschilderd van Nâzım Hikmet. Poëzie Hardop draagt fragmenten voor uit de tekst, zowel in het Turks als in het Nederlands. Ruud Keurentjes, die samen met Wim van den Munkhof en Els Hansen Nâzım Hikmets epos in het Nederlands vertaalde, vertelt over de poëtische kracht van dit lange epische gedicht (de vertaling telt zo’n vijfhonderdvijftig pagina’s), en gaat in op de betekenis die de tekst ook nu nog heeft. Het geheel wordt omlijst door videobeelden en live muziek.

In Memleketimden insan manzaraları / Mensenlandschappen schetst Nâzım Hikmet een beeld van zijn land in de periode 1908-1945, een tijd van grote oorlogen en enorme maatschappelijke veranderingen. Hikmet begon eind jaren dertig in de gevangenis van Bursa met de eerste teksten voor het epos. Het groeide uit tot een omvangrijk dichtwerk. Op de voorgrond staan portretten van Hikmets landgenoten, hun grote en kleine verhalen, die door het beeldende taalgebruik een onuitwisbare indruk maken.

‘Een liefdevolle vertaling,’ oordeelde NRC Handelsblad over de Nederlandse editie, ‘een vertaling die leunt tegen het origineel – maar dat nooit ten koste van vloeiend Nederlands – en waarin het ritme bewaard is gebleven.’

Voor een interview met Ruud Keurentjes, een van de vertalers van Mensenlandschappen, klik hier.

Datum: zondag 26 oktober, 14-16.30 uur. Zaal open vanaf 13.30 uur.
Plaats: Wijkcentrum Hatert, Couwenbergstraat 22, 6535 RZ  Nijmegen
Entree: € 5

 

Verkiezing van het mooiste Turkse gedicht aller tijden (Den Haag, 28 maart 2014)

Naar aanleiding van de onlangs verschenen bundel Reisgenoten en wijnschenkers. Osmaanse poëzie, samengesteld en vertaald door Sytske Sötemann, Jan Schmidt en Sander de Groot, wordt op vrijdag 28 maart aanstaande in Den Haag de verkiezing van het ‘mooiste Turkse gedicht aller tijden’ gehouden.

De verkiezing is beperkt tot gedichten die in het Nederlands zijn verschenen, in de genoemde bundel en in de bloemlezing Moderne Turkse pöezie, samengesteld door Mehmet Emin Yıldırım, Sytske Sötemann en Mehmet Çetin.

Op de (Nederlandstalige) avond lezen een aantal (Turks-)Nederlandse gasten hun lievelingsgedicht voor en beargumenteren zij hun voorkeur. Bezoekers aan de avond kunnen daar hun voorkeur aan toevoegen. Aan het eind van de avond wordt er gestemd.

Plaats: Studio B – eerste etage van de Centrale Bibliotheek in Den Haag
Aanvang: 20u30 (deuren open vanaf 20u)

Voor meer informatie en reservering, klik hier.

 

Reisgenoten en wijnschenkers: Osmaanse poëzie in het Nederlands

Soms geven vertalingen een wel erg vertekend beeld. Niet van het karakter van een literaire tekst – tenminste niet als het om het werk van een goede vertaler gaat, en Nederland telt vele goede vertalers. Wel van het belang dat een bepaald literair genre in het land van herkomst inneemt. Neem Turkstalige poëzie: in het Osmaanse Rijk was poëzie eeuwenlang het meest beoefende literaire genre, en ook in het moderne Turkije werd en wordt er veel gedicht. Maar wat uit het Turks in het Nederlands is vertaald zijn voornamelijk romans. Van alle Turkstalige dichtkunst is maar een fractie in het Nederlands beschikbaar.

Met de bloemlezing Moderne Turkse Poëzie, die in 2010 verscheen, werd er in het Nederlands voor het eerst iets getoond van de rijkdom van de Turkse poëzie uit de twintigste eeuw. In deze tweetalige uitgave geven samenstellers Mehmet Emin Yıldırım, Sytske Sötemann en Mehmet Çetin een selectie uit het werk van veertig toonaangevende dichters.

Maar het leven begint natuurlijk niet in de twintigste eeuw, zeker niet in de Turkse poëzie. Wat er aan de dichters uit die eerste bundel voorafging is nu te lezen Reisgenoten en wijnschenkers. Osmaanse poëzie. Sytske Sötemann, Jan Schmidt en Sander de Groot geven in deze pas verschenen, eveneens tweetalige bloemlezing een selectie uit de poëzie van achttien Osmaanse derwisjen, volksdichters en hofdichters, die schreven van de dertiende tot aan de twintigste eeuw.

De bundel is niet alleen goed nieuws voor wie van poëzie houdt. Orhan Pamuk verwijst in zijn roman Het zwarte boek geregeld naar de dichter Şeyh Galib, net als Ahmet Hamdi Tanpınar in de roman Sereen. In Istanbul. Herinneringen en de stad wijdt Pamuk een groot stuk aan de dichter Yahya Kemal Beyatlı, die zelf weer een grote invloed had op (de romans van) zijn vriend en collega Ahmet Hamdi Tanpınar. Klassieke Turkse dichters dringen ook door in moderne romans. Sterker nog: in een land waar sultans zich lieten voorstaan op de gedichten die ze schreven, politici hun toespraken met dichtregels illustreren en auteurs romans schrijven met als titel ‘De roman van de dichter’ rijkt de invloedssfeer van poëzie voorbij haar eigen genre. Dat maakt Reisgenoten en wijnschenkers voor poëzieliefhebbers en voor anderen interessant.

 

Sytske Sötemann, Jan Schmidt en Sander de Groot (samenstelling en vertaling), Reisgenoten en wijnschenkers. Osmaanse poëzie. Amsterdam: Uitgeverij Jurgen Maas, 2014. ISBN: 978 94 91921 02 5. Prijs: € 19,95.

 

Wonen in een andere taal brengt je een stap dichter bij de poëzie – Dichteres Zeynep Köylü over een maand in Antwerpen

Interview door Hanneke van der Heijden

Zwijgzaamheid en stilte zijn de woorden die de dichteres Zeynep Köylü (1978) gebruikt als ze haar jeugd beschrijft, de jaren die ze doorbracht in een kleine stad in de steppe van Turkije. Hoe levendig ze zelf ook is en hoe lawaaierig haar huidige woonplaats Istanbul, die stilte lijkt haar nooit helemaal te verlaten. Misschien verklaart die tegenstelling tussen stilte en levendigheid wel haar fascinatie voor taal.

Zeynep Köylü debuteerde in 1998 met de bundel Mijn laatste verlangen, roos en kat. In 2007 volgde İlk ağacı öperek (‘Met een kus op de eerste boom’). In 2010 verbleef ze een maand in Antwerpen. Ze beschreef haar ervaringen in een kort artikel in de bundel Met gesloten ogen. Zwerven door Amsterdam, Istanbul en Antwerpen, waarin ook een gedicht werd opgenomen dat ze in Antwerpen schreef: een halve kilometer tot de oneindigheid. Naar aanleiding van tekst en gedicht, die ik voor de bundel vertaalde, stelde ik haar per email een aantal vragen.

 

Je begint je tekst over je verblijf in Antwerpen met een citaat uit Rilkes De aantekeningen van Malte Laurids Brigge:

‘(…) Terwille van één vers moet je vele steden zien, mensen en dingen, je moet de dieren kennen, je moet voelen hoe de vogels vliegen, en het gebaar kennen waarmee de kleine bloemen ’s morgens open gaan. (…) En het is ook nog niet genoeg om herinneringen te hebben. Als het er veel zijn, moet je ze kunnen vergeten, en je moet het grote geduld hebben te wachten tot ze terugkomen. Want de herinneringen zelf zijn het nog niet. Pas wanneer ze in ons geworden zijn: bloed, blik en gebaar, naamloos en niet meer te onderscheiden van onszelf, dan pas kan het gebeuren dat op een heel uitzonderlijk moment het eerste woord van een regel uit hun midden oprijst en zich van hen losmaakt.’ (vertaling: D. Binnendijk & N. Brunt)

Zelf schreef je je eerste gedichten op heel jonge leeftijd, in een provinciestad in de steppe, voordat je andere steden had gezien, voordat je misschien allerlei herinneringen had verzameld. Hoe ben je met poëzie begonnen?

‘Kinderjaren hebben eigenlijk heel veel van wat volgens Rilke allemaal nodig is voor het schrijven van één vers. Dat kan ik in mijn eigen kinderjaren heel goed terug zien. Ik ben heel jong begonnen met het schrijven van gedichten, zonder dat ik iemand in mijn omgeving had aan wie ik een voorbeeld kon nemen, iemand die las. Hoe ik met gedichten begonnen ben, hoe mijn relatie met woorden vorm heeft gekregen, is iets raadselachtigs, dat begrijp ik zelf eigenlijk ook niet helemaal. Als ik heel ver terug ga in de tijd vind ik wel een aanwijzing. Soms vertelde mijn moeder ’s avonds verhalen en sprookjes. Voor mij was ieder woord een deur naar een andere wereld. Woorden konden me dagenlang bezighouden. Op de lagere school waren woorden als een berg legoblokken. Woorden die ik interessant vond wilde ik naast elkaar zetten en opschrijven.

Ik stond in die periode heel dicht bij de natuur. Ik keek de hele tijd naar de lucht, naar planten, beestjes, ik fantaseerde een eigen wereld, waar ik haast volledig in opging en waar ik de baas was. Als kind ging ik bijvoorbeeld iedere dag kijken bij de roos in onze achtertuin. Ik observeerde hoe die millimeter voor millimeter groeide, daarna schreef ik er een gedicht over. Je kunt dat interpreteren als een vlucht, een ruimte voor dromen waarmee je je eigen wereld voedt. Als je het op die manier bekijkt, is je jeugd juist heel rijk aan ervaringen, een terrein voor poëzie. Terwijl je alles met verwondering aanschouwt, vormen die ervaringen in jezelf een brede tijd, voorbij je eigen tijd. Het lijkt misschien of het moderne leven meer mogelijkheden biedt om allerlei ervaringen op te doen en die in herinneringen om te zetten, maar dat gebeurt alleen zolang we die allereerste blik weten te behouden. Wat ik vaak denk: een dichter is iemand die zegt wat hij weet zonder dat te weten.’

 

In Antwerpen heb je een gedicht geschreven dat geïnspireerd is door de tunnel onder de Schelde en door het kunstwerk naast die tunnel, met regels van de dichteres Joke van Leeuwen. Wat was het precies dat je raakte?

‘Onder die rivier doorlopen was op zich al een indrukwekkende ervaring. Je loopt door een tunnel van bijna vijfhonderd meter en gaat dan met roltrappen uit de jaren dertig naar boven. Dat riep heel intense gevoelens bij me op. Ik voelde tegelijkertijd de tijd en de tijdloosheid. Aan het smaller wordende uiteinde van de tunnel werd ik gegrepen door het verhaal van de dichter Orpheus. De regels van Joke van Leeuwen hingen in metalen letters bij een moerasachtige plek aan de rivier. Poëzie bevindt zich aan het uiteinde van wat voorgoed verloren is.’

 

Hoe verhoudt de buitenwereld zich tot jouw poëzie?

De weg van de poëzie loopt in wezen door de punten waar de buitenwereld de innerlijke wereld snijdt. Iets wat ik zie, hoor of meemaak is de eerste vonk. Maar op het punt waar ik uiteindelijk uitkom is van die vonk misschien niets meer terug te zien. De realiteit van de buitenwereld of de indrukken die ik eraan overhoud zijn bij mij vooral in getransformeerde vorm aanwezig. Mallarmé zegt dat het de taak van de poëzie is om de realiteit, die vastzit in een moeras van woorden, door het gebruik van woorden – door rond de voorwerpen stiltes te creëren – te zuiveren. Misschien kun je het pas over poëzie hebben als taal zichzelf gevloerd heeft.

 

Je schreef dat je het stadsdichterschap, zoals je dat in steden als Antwerpen hebt, iets magisch vindt. In dat verband heb je het over een wederzijdse beïnvloeding: de dichter wordt beïnvloed door de stad, maar de stad ook door de dichter. Je hebt onder andere in Çorum, Ankara en Istanbul gewoond, je bent naar andere steden geweest. Hoe hebben die steden je beïnvloed?

Het was in Antwerpen magisch om haast overal in de stad met poëzie in aanraking te komen. De gedichten van stadsdichters ademden in allerlei vormen in de ruimte: op pleinen, op meterslange spandoeken die op muren hingen, op heel veel plaatsen kortom. Dat zette me aan het denken over de relatie tussen stad en dichter. De steden waar ik heb gewoond hebben natuurlijk hun sporen in mijn gedichten achtergelaten. Mijn eerste bundel, Mijn laatste wens roos en kat is in zijn geheel in Çorum geschreven, de stad van mijn jeugd. Mijn tweede bundel Met een kus op de eerste boom voornamelijk in Ankara. Maar vooral Istanbul heeft een duidelijke invloed op mijn gedichten, en hoe langer ik hier woon hoe voelbaarder die invloed is. Istanbul, de stad van de chaos, van de tegenstellingen, geeft veel stof tot schrijven. Je loopt bijvoorbeeld door een straat die je niet kent en opeens zie je allerlei uitzonderlijke beelden. Een klein kerkje in een steeg, ingeklemd tussen de huizen en een nerveuze Griekse vrouw die opeens voor me stond toen ik de kerk bezocht waren de aanleiding voor mijn gedicht ‘anahtar Sessiz’ (‘de sleutel Stil’). Zo zijn er heel veel voorbeelden te geven. Kortom, de eerste regel van de gedichten die ik hier schrijf is steeds afkomstig uit Istanbul.

 

Maar je hebt het ook over een beïnvloeding andersom, de dichter die de stad beïnvloedt. Als Istanbul een stadsdichter had, op wat voor manier zou die dan de stad beïnvloeden?

‘Ja, zoals dichters beïnvloed worden door steden, zo worden steden ook beïnvloed door dichters. Er is een organische relatie tussen steden en dichters. Bij Yahya Kemal of Orhan Veli denk ik aan Istanbul, bij Kavafis aan Alexandrië, bij Pessoa aan Lissabon, bij Nezval aan Praag. Het stadsdichterschap lijkt die organische relatie nog duidelijker te maken. In de Turkse poëzie is er bijna geen dichter te vinden die niet door Istanbul is beïnvloed. Het is een oude stad, die altijd verstrengeld is geweest met poëzie. Als poëzie dan ook concreet in allerlei binnen- en buitenruimtes wordt aangebracht, moet dat een positieve uitwerking hebben op de stad. De protesten rond het Gezi-park in Taksim, de afgelopen zomer, lieten een duidelijk voorbeeld zien van poëzie die naar buiten, de straat op gaat. De mensen namen geen genoegen meer met de gegeven taal, ze gingen op zoek naar een andere taal. Op de muren stonden dichtregels in plaats van slogans. Wie poëzie op straat ziet, krijgt een besef van een andere taal, verbreedt zijn blik.’

 

Wat zou jij schrijven als je stadsdichter van Istanbul was? Waar zou je willen dat je regels werden opgehangen?

‘Het zou heel spannend zijn om stadsdichter van Istanbul te zijn. Voor Istanbul zou ik het onderwerp niet willen inperken. Een stad die allerlei soorten variatie aan kan, kan ook ieder woord en iedere regel in zich dragen. Ik stel me een plek voor zonder ruimtelijke hiërarchie. Mijn dichtregels zouden zich van de mooiste plek aan de Bosporus kunnen uitstrekken tot aan een vuilnisbak in een donkere steeg. Of de Prinseneilanden: een onheilspellende plek omdat je daar tegelijkertijd in Istanbul bent en erbuiten.

 

Oefent een buitenlandse stad, waar een taal gesproken wordt die je niet kent, een andere invloed op je uit?

In een buitenlandse stad verblijven, in een taal die je niet kent vind ik een beeld op zich. In zo’n omgeving voel je de taalloosheid, het zonder taal zijn, sterker. Die taalloosheid leidt je uiteindelijk naar poëzie. Wat ik bedoel is dat er voor poëzie een zekere afstand nodig is, een afstand tot je ‘eigen’ taal. Om het met een idee van Maurice Blanchot te zeggen: als de afstand tot je taal kleiner wordt, of zelfs tot nul wordt gereduceerd, kun je niet meer zien wat er onder de woorden ligt. Het zijn vooral dichters die een afstand tot de taal scheppen. Wonen in een andere taal, of in andere talen, brengt je daardoor een stap dichter bij de poëzie.

 

Klik hier voor het gedicht een halve kilometer tot de oneindigheid.

 

Zeynep Köylü: een halve kilometer tot de oneindigheid

In 2010 verbleef Zeynep Köylü een maand in Antwerpen. Ze schreef daar onder het gedicht een halve kilometer tot de oneindigheid. Klik hier voor een interview met de dichter.

onder de Schelde…

 

in een rivier begint de diepte

en metalen vogels, blijven steken in het slijk

 

in mijn mond valt mist uiteen – de engelen van de grond

kijken de hele lengte van de levenloze toren

op de stijf gesloten ruiten – de maan steeds killer

gebroken schelpen

weg kijken mijn ogen van hun eigen beeld

 

de spiegel valt in de modder – ik veeg mijn barsten schoon

word wakker in een deur nog halfopen

op mijn gezicht een regensnee

een zwart, verlaten

verenigt alle wegen

de tijden waar de aarde hinkt

mijn schim rilt in de enge gang

 

een zwaluw ritselt zachtjes met zijn veren

naakt in de klank van het ontkende firmament

de storm speelt met een oude pijn

de sleutel rinkelt ver weg in de rivier

 

de vogel van papier gescherpt door

woorden en magie brandt op

 

ik steek mijn handen in het water

opdat de dode schelp herboren wordt

de duizelende klanken in zijn binnenste

blijven hangen in de deltapunt

 

ik begin een lied

 

omkijken doe ik niet –

 

een halve kilometer tot de oneindigheid

 

ik draai om!

 

Oorspronkelijke titel: Sonsuza yarım kilometre. Vertaling uit het Turks: Hanneke van der Heijden. Verschenen in: Nurnaz Deniz & Guido Snel (red.) Met gesloten ogen. Zwerven door Amsterdam, Istanbul en Antwerpen. Amsterdam: Van Gennep, 2012.