Nawoord bij ‘De lanterfanter’ – roman van Yusuf Atılgan

Gisteren is bij Uitgeverij Jurgen Maas De lanterfanter verschenen. Voor iedereen die niet bij de presentatie kon zijn of meer wil weten over Yusuf Atılgan en zijn roman, hieronder het nawoord dat ik bij De lanterfanter schreef.

Tekst: Hanneke van der Heijden.

De romankunst wordt door bijvoorbeeld Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk opgevat als de kunst om je in een ander te verplaatsen: om je eigen leven te beschrijven als was het dat van een ander, het leven van een ander als dat van jezelf. Dat is een optimistische opvatting, want ze gaat uit van de vooronderstelling dat begrip van de ander, van zijn leven, zijn gedachten en drijfveren, daadwerkelijk mogelijk is.

Zo’n omschrijving laat goed zien hoe ongewoon het is wat Yusuf Atılgan (1921-1989) in zijn debuut ondernam, want als schepper van C. verplaatst Atılgan zich paradoxaal genoeg in een personage dat zich juist niet in anderen wil of kan verplaatsen, in een man die ervan overtuigd is dat het onmogelijk is je in die mate in een ander in te leven. ‘Ze zouden het toch niet begrijpen,’ zegt C. Het is de allerlaatste zin van de roman, C. doet er verder het zwijgen toe.

Het vraagstuk hoe zich tot ‘de ander’ te verhouden is wat C. op zijn lange wandeltochten het meest bezighoudt. En de stad biedt vele gelegenheden voor confrontaties met ‘de ander’. Zich bewegend tussen de drommen mensen op straat, zijn stappen steeds weer herhalend, beziet C. het moderne stadsleven, ondergaat de werking van de anonieme massa’s, wordt gedwongen in het sociale gewoel zijn plaats als individu te bepalen.

De stad waar Atılgans hoofdpersoon doorheen loopt krijgt net als hijzelf geen naam. Maar de wijken wel, en de routes van C. zijn zo realistisch beschreven dat je ze haast kunt na lopen. Het is dan ook niet moeilijk te achterhalen dat De lanterfanter gesitueerd is in het Istanbul van de jaren vijftig. Met zo’n miljoen inwoners was de stad weliswaar vele malen kleiner dan nu, de massale migratie van het Turkse platteland was nog maar net op gang gekomen, maar ook toen al was Istanbul de grootste stad van het land. Lees verder…

Sait Faik Abasıyanık – Vier plusjes (kort verhaal)

Dit voorjaar verscheen bij uitgeverij Podium Verhalen uit Istanbul – een selectie uit de korte verhalen van Sait Faik Abasıyanık. Als voorproefje staat nu op de site een van de mooiste verhalen uit de bundel, Vier plusjes. ‘(…) Goed, het verhaal. Ik stond te wachten op de veerboot. Nee, ik wachtte niet op de veerboot. Ik wilde naar huis, of nee, dat zeg ik niet goed, ik wilde níét naar huis en wachtte tot ik de veerboot had gemist. (…)’

Klik hier om het verhaal te lezen.

Sait Faik Abasıyanık – Vier plusjes (kort verhaal)

Dit voorjaar verscheen bij uitgeverij Podium Verhalen uit Istanbul - een selectie uit de korte verhalen van Sait Faik Abasıyanık,  Als voorproefje een van de mooiste verhalen uit de bundel, Vier plusjes.

Stel je loopt op straat, je wilt een sigaret opsteken maar hebt geen lucifers, wie vraag je om een vuurtje? Wie spreek je aan als je de weg moet vragen? Er is een oploopje, wie vraag je wat er aan de hand is? Ik ben zo iemand die makkelijk om een vuurtje, om de weg wordt gevraagd. Soms ben ik daar blij om, soms niet. Niet dat het in mijn leven niet ook een paar keer is gebeurd dat ik een arme ziel die met een of andere vraag op me af kwam, die me aankeek alsof ik wel iemand was aan wie je iets kon vragen, hooghartig heb afgepoeierd… Wie weet hoe erg ik die dag de pest in had. Hoewel ik het meestal niet leuk vind om op zo’n manier te worden uitgekozen, heb ik me achteraf vaak bedrukt lopen afvragen waarom ik zo had gereageerd. Het is ook wel voorgekomen dat ik me opwond over kinderen die me om een vuurtje vroegen. Die vreemde manier waarop kinderen je benaderen! Zoals ze al uit de verte hun oog op je laten vallen! Ook hen heb ik enkele keren teleurgesteld. Op die momenten begreep ik hoe erg het is om je te vergissen. Tegen dit soort vergissingen is kennelijk niemand bestand. Ik heb veel mensen zien besluiten dan maar geen sigaret op te steken. Maar sommigen weigeren hun hoop op te geven.

Ik kan me herinneren hoe ik zelf heel vaak minutenlang heb staan aarzelen wie ik de weg zou vragen. Soms raakte dan na een tijdje mijn geduld op en vroeg ik het gewoon aan de eerste de beste. Sommigen wisten de weg maar wezen mij die niet, en anderen staken me hun sigaret toe alsof ze maar wat blij waren met mijn vraag. Ze glimlachten alsof ze plots in een staat van gelukzaligheid verkeerden. Vooral als je van tevoren nauwelijks verwachtingen had, is het zo prettig niet te weten hoe je voor dat vriendschappelijke gebaar moet bedanken. ‘Fijn’, zeg je. En dan ‘dank u’. En dan ook nog ‘dat is heel vriendelijk’. En ‘hartelijk dank’. Of misschien beter nog ‘heel hartelijk dank’.

Wat ik in ieder geval weet is dat wanneer iemand zich afvraagt aan welke onbekende hij iets kan vragen en hij kiest uit twintig mensen jou, dat dit dan het gevolg is van allerlei afwegingen die hij heeft gemaakt. Psychologische afwegingen welteverstaan.

Hoewel je mensen hebt die dat met allerlei andere dingen verwarren, zelfs met zoiets onbenulligs en onzinnigs als kennis van fysionomie. Dat doet me steeds weer denken aan die academicus die een boek schreef over fysionomie. Wat die sukkel er wel niet
bij haalde als hij iemand aankeek! Terwijl de diepzinnige blik van de mens, zijn gezichtstrekken, het haar dat het gelaat met zwarte lijnen een geometrische schoonheid verschaft, juist precies het tegenovergestelde vertellen. Uit die diepe, geleerde blikken spreekt niets anders dan domheid, de trekken in het gezicht duiden op niets dan dwaze meisjesavontuurtjes. En in het donkere haar dat het brede voorhoofd omlijst zijn zelfs de herinneringen aan een onbeduidend leven uitgewist.

De meesten van ons weten niets van psychologie, niets van fysionomie, hebben van die wetenschappen geen kaas gegeten maar zijn er wel nieuwsgierig naar en bevredigen die nieuwsgierigheid dan door op iemand af te stappen en een vuurtje te vragen, de vertrektijden van de veerboot, de weg. Dat is zo’n hardnekkige gewoonte dat men vergeet wat erachter zit. Waarom kiest men uit al die jongeren net ons? Omdat we zo’n goede knul zijn soms? Dat denk ik niet. Dat men ons kiest komt vast niet daardoor. Men vindt ons geschikt om een vraag aan te stellen: is ons gezicht soms sympathiek? Dat heeft er niets mee te maken! We kunnen beter andere smoesjes verzinnen: zijn onze kleren misschien versleten, moeten onze schoenen nodig worden gepoetst? Heeft onze blik iets lichtelijk dwaas gekregen, onze houding iets toegeeflijks, onze neus iets kroms, onze kin iets dommigs? Glimt de knoop van onze stropdas misschien te veel? Iets moet er zijn. Of komt het omdat we maar wat rondhangen? Iemand die uit zijn auto springt en naar de veerboot rent wordt niet aangehouden voor een vraag. Wordt een imposante man die met gefronste wenkbrauwen een bedachtzame trek van zijn sigaret neemt, iemand aan wie je ziet dat hij net uit een restaurant komt, om een vuurtje gevraagd? Kun je een reiziger die er tot in de puntjes verzorgd uitziet om de weg vragen? Durven we wanneer er een oploopje is aan iemand met glimmend gepoetste schoenen te vragen wat er aan de hand is?

Dat mag zo zijn, zelf word ik zelden kwaad als iemand me om een vuurtje vraagt of de weg wil weten. Soms, liefste, als ik naar jou onderweg ben en iemand vraagt me de weg, laat ik meteen mijn schoenen poetsen.

Waar ik niets van moet hebben zijn van die tiptop geklede types, figuren die zich voordoen als een echte stedeling en mij dan om een vuurtje vragen. Waarom? Omdat zo’n type dat aan een hele hoop andere mensen niet durft te vragen, daarom. Terwijl er helemaal niets engs aan is. Tegenover anderen schaamt zo iemand zich voor zijn vraag, maar tegenover mij niet. Daar wind ik me over op, moet ik zeggen. Als zo’n vraag dan misschien niet meteen verfoeilijk is maar wel enigszins vreemd, een vraag die je een hele hoop mensen maar beter niet kunt stellen, waarom wordt die dan wel aan mij gesteld? Maar mensen van het platteland die zonder na te denken, zonder enige afweging de weg vragen, eenvoudige mensen die geen benul hebben van psychologie en fysionomie, die mag ik. Die kunnen me zoiets rustig vragen. Zij houden er niet allerlei afwegingen en bijbedoelingen op na. Zo iemand stelt zijn vraag voor hetzelfde geld aan die dikke kerel van wie de keurigheid en arrogantie af druipt. Ik ben een toevalstreffer, iemand, met andere woorden, zoals iedereen.

Liefste! Ik moet helemaal niet zo lang kletsen voordat ik aan een verhaal begin. Maar wat kan ik eraan doen? Hoe zou ik zonder lucifers op zak níét kunnen uitkijken naar iemand met een sigaret die ik om een vuurtje kan vragen? Kun je het roken laten?Verhalen schrijven kan ik verdorie niet laten. Het geval wil dat ik er al een tijdje bij loop alsof ik met een sigaret in mijn hand naar iemand op zoek ben. Maar overal om me heen lopen figuren die zo keurig in het pak gestoken zijn, zo ernstig kijken en zo uit de
hoogte doen dat ik maar niet bij mijn verhaal in de buurt kom.

Wat me nog te binnen schiet: eigenlijk is het maar het beste om er niet uit te zien als iemand die geschikt is om een vuurtje, de weg aan te vragen, en ook niet als iemand die daarvoor niet geschikt is. Gek is dat, vind je niet? Ik weet niet of het je is opgevallen, liefste, maar beide typen hebben iets extreems. Als de een arrogant is, is de ander onderdanig, als de een heel gekleed is, is de ander sjofel, is de een hautain, dan is de ander vrijpostig, is de een keurig, dan is de ander vies… Een middenweg is er niet: ik wil niet uitgekozen worden, en ook niet niet. Stemmen, dat is waarschijnlijk het beste. Hoewel dat weer andere vervelende consequenties heeft. Het beste is het maar om lucifers bij je te hebben, de weg precies te weten, niet de deur uit te gaan zonder uit te tekenen waar je heen moet. Hoe zouden we het recht hebben, denk je niet liefste, om ons allerlei oordelen aan te matigen over een wildvreemd iemand?

Goed, het verhaal. Ik stond te wachten op de veerboot. Nee, ik wachtte niet op de veerboot. Ik wilde naar huis, of nee, dat zeg ik niet goed, ik wilde níét naar huis en wachtte tot ik de veerboot had gemist. Ik had het gevoel dat ik het die avond in mijn stille uitgestorven dorp niet uit zou houden. Ik kon maar beter in Istanbul blijven, daar de nacht doorbrengen met drinken en denken aan jou… Maar hoe spijtig, de boot lag nog aan de steiger. En voordat die vertrokken was kon ik niet weg. Uiteindelijk voer de boot uit, ik haalde opgelucht adem. Ik stak een sigaret op. Ik had lucifers bij me.

In een hoekje tegenover me zat een jonge man. Hij had een papier in zijn hand. Hij keek er geconcentreerd naar. Na een tijdje liep de wachtruimte leeg, daarna liep ze weer vol. De man die naar het papier in zijn hand tuurde, keek op. Hij liet zijn blik monsterend door de ruimte dwalen. Ik begreep zijn bedoeling: hij snapte niet wat erop stond. Iemand moest het hem uitleggen.

Ik keek van hem weg. Ik staarde naar iets anders. Ik ging geheel op in de ogen van een vrouw die mij niet aankeek… Uitgekozen worden, uit zoveel mensen uitgekozen worden met een bedoeling die ik niet precies kon doorgronden ergerde me in die tijd. Maar op een gegeven moment dacht ik aan de mogelijkheid om te worden uitgekozen als een belangrijk iemand die begreep wat er op dat papier stond. Laat ik er maar niet omheen draaien, zodra ik dat bedacht… beviel het me soms, nee niet dat ik mezelf nu zo belangrijk vond, om op zo’n bepaalde manier te worden uitgekozen? Ik keek hem half en half aan. Hij had zijn oog trouwens al op mij laten vallen. Als je wilt kun je dit opvatten als een poging om bij jou in de smaak te vallen…

Hij kwam naar me toe. Hij hield me het papier voor.

‘Moet je dit nu eens zien,’ zei hij. ‘Wat staat hier in godsnaam?’

Ik keek, ik begreep er niet veel van. Ik keek nog eens, en nog eens. Toen sloeg de schrik me om het hart. Als je ’s zomers dorst hebt en je drinkt opeens iets kouds, dan geeft je dat een steek, je voelt je beroerd. Precies zo’n gevoel zette zich in mijn ziel vast. Ik staarde hem aan.

‘Want het zit zo,’ zei hij, ‘ik ga werken, ik heb een goede baan gevonden. Hoe lang ik wel niet werkloos ben geweest, je moest eens weten. Eindelijk heb ik nu wat. Ik ben namelijk verloofd. Ze hebben me onderzocht, zo gezond als een vis. Op het laatst hebben ze ook nog bloed afgenomen. Schijnt erbij te horen. Wat denk
je, is dat ook in orde?’

Zijn gezicht lachte, maar twijfel trok een rimpel in zijn voorhoofd. Ik moest aan de wetenschapper denken. Ontpopte ik me nu ook tot een fysionomist? Nee, iemand die met pijn en moeite een baan gevonden had, een papier in zijn hand, met daarop allerlei verdachte tekens… Nee! Midden op zijn voorhoofd, in zijn ogen stond te lezen hoe benauwd hij was. Het bloed was met drie verschillende testen onderzocht. Achter ieder van die testen stonden vier plusjes: + + + +. Syfilis.

‘Ben je soms ziek geweest?’

‘Nee hoor, helemaal niet.’

Zijn gezicht zag nu gespannen. Zijn ogen kregen iets flets.

‘Geen idee, ik heb hier geen verstand van,’ zei ik.

‘Er is toch niks, hè?’ vroeg hij nog eens.

‘Ik geloof het niet,’ zei ik. ‘Maar ik ben geen dokter. Ik begrijp het niet allemaal.’

‘Zal ik dat papier maar afgeven bij het kantoor waar ze me een baan geven, of beter van niet?’ vroeg hij.

Ik gaf geen antwoord. Ik keek hem aandachtig aan. Meer dan een aandachtige blik was het stom genoeg een meewarige.

Jij hebt mij geloof ik ook eens zo meewarig aangekeken… Weet je nog? Ik vroeg je de weg, de weg naar het geluk.

Wat mijn ogen die man zeiden, ik heb werkelijk geen idee. We tuurden samen naar het papier. Ik zei hem niet dat hij het maar moest afgeven, en ook niet dat hij dat beter kon laten. Ik wilde kijken, ik keek hem aan. Hij zag spierwit.

Ik ging weg. Ik liet mijn schoenen poetsen. Ik holde naar huis. Ik schoor me. Ik deed een schone stropdas om. Die dag heb ik me een hooghartige houding aangemeten zodat niemand nog op me af stapt. Dat was ook de dag dat ik mijn jas naar de stomerij heb gebracht, liefste.

Uit: Sait Faik Abasıyanık, Verhalen uit Istanbul. [Selectie uit zijn korte verhalen.] Amsterdam: Podium, 2014. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden.

Genres in Turkije (1) – Fictie of: hoe belangrijk is de roman eigenlijk?

Wie de lijst bekijkt van Turkse literatuur die in het Nederlands is vertaald, ziet vooral romans. Maar ga je naar de jaarlijkse boekenbeurs in Istanbul, dan moet je in het overvolle programma met lezingen, interviews en panels hard zoeken naar de naam van een romanschrijver. Hoe belangrijk zijn romans eigenlijk in Turkije?

Drie romans publiceerde de schrijver Mahir Öztaş (1951) in de loop van zijn carrière. Ze kwamen uit bij een gerenommeerde uitgeverij in Istanbul. Maar toen hij in 1973 debuteerde, was dat niet met een roman, of een kort verhaal, maar met een gedicht. ‘In de jaren zeventig begon eigenlijk iedereen met poëzie. Er kwamen weinig romans uit in die tijd. Bestsellers zoals je die nu hebt, had je toen al helemaal nauwelijks,’ zegt hij in een café in het centrum van Istanbul waar we elkaar treffen. Öztaş, van huis uit architect, leest veel en praat graag over literaire vorm. Na een dichtbundel en tussen zijn romans door zou hij ook drie bundels met korte verhalen publiceren.

Ander voorbeeld. Sait Faik Abasıyanık, Nâzım Hikmet en Ahmet Hamdi Tanpınar, alle drie geboren in de eerste jaren van de twintigste eeuw, worden unaniem tot de grondleggers van de moderne Turkse literatuur gerekend. Maar geen van drieën had veel op met het romangenre. Sait Faik Abasıyanık legde zich toe op korte verhalen. Zijn tijdgenoot Nâzım Hikmet groeide uit tot een van de belangrijkste dichters in het land. De enkele romans die ze ook schreven bleven in de schaduw van hun andere werk. Tanpınar ontleent zijn roem wél aan zijn romans, met name aan Sereen en Het klokkengelijkzetinstituut, al kwam die laatste roman pas na zijn dood in boekvorm uit. Maar zelf was Tanpınar veel liever de geschiedenis in gegaan met zijn gedichten.

Nog een voorbeeld. Van Refik Halid Karay, een auteur die bekend staat als een van de grootste stilisten, worden nu vooral de korte verhalen en romans gelezen. Van de vracht aan artikelen die hij voor kranten en tijdschriften schreef, wist niemand nog het bestaan – zelfs zijn familie was ze totaal vergeten – tot enkele maanden geleden de letterkundige Tuncay Birkan na enkele jaren archiefwerk twee bundels met terug gevonden teksten uitbracht. Ze vormen het begin van een lange reeks: Birkan heeft achttien delen aangekondigd.

Dat literatuur uit een ander land over andere onderwerpen kan gaan, daarmee houden de meeste lezers wel rekening. Het gaat tenslotte om een andere cultuur, een andere geschiedenis. Maar dat er in een andere literatuur misschien ook andere genres worden beoefend, of dat er met dezelfde genres anders wordt omgegaan, wordt vaak vergeten. Toch was de roman in Turkije aanvankelijk minder belangrijk als we in de eenentwintigste eeuw aan de Noordzee geneigd zijn te denken.

 

De Osmaanse traditie
Dat de Turkse roman enige tijd nodig had om uit te groeien tot een populair fictiegenre heeft ongetwijfeld te maken met zijn relatief late entree op wat toen nog Osmaanse bodem heette (het kernland kreeg pas met de stichting van de republiek in 1923 de naam Turkije). Pas in de tweede helft van de negentiende eeuw, zo’n drie eeuwen later dan in West-Europa, verschenen de eerste romans in Istanbul. Dat waren aanvankelijk vooral vertalingen van populaire Franse titels. In de hoop een oplossing te vinden voor de politieke, militaire en economische verliezen hadden de Osmanen vanaf de achttiende eeuw hun blik namelijk steeds meer op West-Europa gericht. De vele Osmaanse intellectuelen die aan het eind van de negentiende eeuw kortere of langere tijd in Frankrijk verbleven, brachten een stroom aan Osmaanse vertalingen van dat onbekende genre op gang. Daarmee kreeg het Westen ook een grote culturele invloed.

Maar Osmaanse auteurs beperkten zich niet onmiddellijk tot dat nieuwe genre. Er waren wel meer genres te beoefenen. Poëzie bijvoorbeeld, die in tegenstelling tot de roman kon bogen op een eeuwenlange traditie. Aan de traditionele onderverdeling van de divan-poëzie van de elite, de mystieke tekke-poëzie en de volkspoëzie, zouden in de negentiende en twintigste eeuw heel nieuwe vormen worden toegevoegd. Poëzie leefde, en dat doet het nog steeds. Anders dan in Nederland of Vlaanderen is in Turkije poëzie populair onder jongeren. Ze schrijven zelf poëzie, of dromen daarvan. Verzen van Nâzım Hikmet sierden spandoeken tijdens de Gezi-protesten vorige zomer. Maar ook politici die hun toespraken met literatuur willen larderen, kiezen voor een dichtregel, niet voor een citaat uit een roman.

Het korte verhaal arriveerde tegelijkertijd met de roman in de Turkstalige literatuur, eveneens onder Franse invloed. Lange tijd was het verhaal veel populairder dan de roman. Veel verhalenschrijvers probeerden af en toe ook een roman uit (die tot in de jaren vijftig overigens vaak eerst als krantenfeuilleton werden gepubliceerd). Voor sommigen, zoals Sait Faik Abasıyanık, bleef het bij een enkel experiment. Anderen, Tanpınar bijvoorbeeld, werden wel gegrepen door de mogelijkheden van het nieuwe genre en schreven meerdere romans. Maar ook hij bleef zijn leven lang daarbij een hartstochtelijk schrijver van gedichten, essays, studies, brieven en dagboeken. Een romanschrijver schreef niet alleen romans. Mahir Öztaş staat met zijn poëzie, korte verhalen, romans en losse teksten voor verzamelbundels wat dat betreft in een traditie.

 

De schrijver als politiek commentator
Door zijn late entree in de Osmaanse literatuur bekleedde de roman met andere woorden lange tijd een bescheiden plaats binnen het hele scala aan genres. Maar dat niet alleen. De maatschappelijke context gaf de roman ook een aantal bijzondere kenmerken. In de eerste plaats was dat de nadruk op een maatschappelijk geëngageerde inhoud, veel meer dan op allerlei vormexperimenten. De eerste Osmaanse romanschrijvers en vertalers vormden de voorhoede in de politieke strijd die in de nadagen van het Osmaanse Rijk woedde. Het genre was dan ook vanaf het begin sterk gekoppeld aan de politieke debatten in het land. Dat is, niet verwonderlijk, het duidelijkst te zien in de thema’s die gekozen werden. De passie voor auto’s bijvoorbeeld, een bekende roman uit 1898, die vol staat met Franse leenwoorden, gaat over de soms absurde vormen die de liefde voor West-Europa aannam. Maar ook toen de republiek een feit was en de maatschappelijke hervormingen soms tegenvielen, het leven op het verwaarloosde platteland onverminderd hard bleef, de meningen over de relatie tot West-Europa verschilden, werd dat in romans aan de orde gesteld.

Behalve in de inhoud (en in het taalgebruik, want ook de taal was inzet van de politieke strijd) wordt de politieke lading van de roman ook op een abstracter niveau weerspiegeld. Mahir Öztaş: ‘In Frankrijk kun je stelen en tegelijkertijd gevierd zijn als schrijver. In Turkije is het haast ondenkbaar dat een dief, een crimineel, ook een gewaardeerd auteur is. Wat dat betreft lijkt de Turkse houding meer op de Russische. Het morele gedrag van de auteur is bijna belangrijker dan zijn tekst.’ Je ziet het duidelijk terug in de waardering van Orhan Pamuks romans: er zijn veel, heel veel lezers die trots beweren slechts enkele pagina’s van de Nobelprijswinnaar te hebben gelezen, maar desondanks niets van zijn werk willen weten – ze vinden dat Pamuk te commercieel is bijvoorbeeld, dat hij Turkijes vuile was buiten hangt of het Westen te veel naar de mond praat.

Het grote belang van de houding van de auteur is net als de nadruk op de inhoud van de roman te zien als een uitvloeisel van de manier waarop het genre zijn intree maakte. Met dat maatschappelijke engagement hoeft het niet te verbazen dat veel auteurs niet enkel fictie schreven. De maatschappelijke beroeringen van een rijk dat verkruimelde en een republiek die in oprichting was, een land dat in het brandpunt stond van andere naties en verscheurd dreigde te worden door interne tegenstellingen, boden stof genoeg. Lezers hadden in zulke onoverzichtelijke tijden behoefte aan een gids. En auteurs, gewend aan hun rol in de politieke voorhoede, hielden van een rol als uitlegger en commentator.

Refik Halid Karay (1888-1965) was zo iemand. Voor kranten en tijdschriften schreef hij honderden artikelen, deels vanuit Aleppo, waarnaar hij vanwege zijn politieke opvattingen moest uitwijken, deels vanuit Turkije toen hem (en een groot aantal andere auteurs) in 1938 amnestie werd verleend. Zoals veel van zijn collega’s becommentarieerde Karay een grote variatie aan onderwerpen, van het dagelijks leven tot de politiek, en vaak natuurlijk de politiek in de vorm van een dagelijks detail. ‘Voor alles hebben columnisten belangstelling, naar alles zijn ze nieuwsgierig, en over alles willen ze bekvechten,’ schrijft Orhan Pamuk in een artikel dat hij in 1997 over dit genre schreef: ‘Omdat ze de sympathie en het vertrouwen genieten van de lezers, kunnen ze het de ene dag over de liefde hebben, om de volgende dag Clinton of de paus van advies te dienen, kunnen ze met hetzelfde gemak over een corrupte burgemeester schrijven als over de fouten van Freud, en dat maakt hen tot een soort “professor in van alles”. Een populaire professor: ‘Zo’n tien, vijftien jaar geleden [dat wil zeggen, halverwege de jaren tachtig], voordat de televisie een verandering teweegbracht in de gewoonte om de krant te lezen, was het schrijven van columns in de ogen van de lezer het hoogste wat je als auteur kon bereiken.’ (opgenomen in De andere kleuren)

In de roman en het korte verhaal zette de politieke oriëntatie zich in grote lijnen voort tot 1980, al zijn er altijd ook auteurs en stromingen geweest die zich daartegen afzetten (maar daarmee de dominantie van die verwachting impliciet erkenden). De staatsgreep van 12 september 1980 maakte korte metten met iedere politieke activiteit, vooral aan de linkse kant van het politieke spectrum. Daarmee werd ook het culturele leven monddood gemaakt: uitgeverijen en boekhandels werden gesloten, schrijvers werden opgepakt. De repressie en terreur zorgden voor een langdurige depolitisering van het maatschappelijke en culturele leven. Die depolitisering werd nog in de hand gewerkt door internationale ontwikkelingen die zich niet lang na de coup aftekenden: met de val van de Berlijnse Muur brokkelde ook de invloed van de traditionele politieke ideologieën af. In de literatuur won het postmodernisme aan invloed. De Turkse roman is wat dat betreft misschien meer op de moderne Nederlandse gaan lijken.

 

Dit is het (licht aangepaste) eerste deel uit het artikel ‘Verne, verzen en een spandoek. Turkse literaire traditie en moderniteit’. Verschenen in De leeswolf, jrg. 20, nr. 3 (juni 2014).

Voor deel 2 (over non-fictie) klik hier. Voor deel 3 (over genres in vertalingen uit het Turks) klik hier.

 

 

De eerste zinnen van Sait Faik Abasıyanık – Over het vertalen van ‘Verhalen uit Istanbul’

Volgens een van zijn collega-auteurs, Leylâ Erbil, was hij een schrijver met zijn tafel in zijn zak. Sait Faik Abasıyanık kon overal schrijven: op een bankje in het park, op een wiebelend tafeltje in een kroeg, desnoods op zijn knie. Dat kwam goed uit, want de ‘Turkse meester van het korte verhaal’ schrijft niet over binnenskamerse thema’s. Zijn onderwerp is de straat, de mensen op straat wel te verstaan. Gewone mensen over wie hij in een zo op het oog heel dagelijks taalgebruik schrijft. ‘Hij komt naast je zitten in een koffiehuis in Istanbul en begint te vertellen over haar inwoners [...]’ zegt Murat Isik in zijn nawoord bij Verhalen uit Istanbul. Sait Faiks manier van werken, zijn onderwerp, het klinkt allemaal heel gemakkelijk en voor de hand liggend.

Maar de manuscripten in het museum van Sait Faik (zoals hij in Turkije kortweg wordt genoemd) zien er allesbehalve uit als alsof ze op een knokige knie of een wiebelend tafeltje zijn geschreven. In zijn voormalige woonhuis op het Prinseneiland Burgazada liggen er een aantal in een vitrine: gelige blaadjes uit een schoolschrift gescheurd, en met een paperclip bij elkaar gehouden. De Arabische letters – zoals veel van zijn collega’s schreef Sait Faik ook na de alfabethervorming van 1928 nog in Osmaans schrift – staan regelmatig naast elkaar. Kennelijk had Sait Faik nog een andere tafel dan die in zijn broekzak, eentje waaraan hij verder werkte aan zijn aantekeningen.

 

Raadselachtigheid
Dat Sait Faiks verhalen niet op een knokige knie alleen geschreven kunnen zijn, dat er heel wat meer aan geschaafd en gevijld als je in eerste instantie denkt, blijkt ook als je de verhalen vertaalt, en dus vele malen overleest. Ze mogen de indruk wekken alsof iemand in het koffiehuis naast je zit te vertellen, bij nader inzien hebben ze een compactheid en raadselachtigheid die in de meeste koffiehuisgesprekken ver te zoeken is.

Die bondigheid delen ze vanzelfsprekend met veel korte verhalen. Het is wat het genre ook zo indrukwekkend maakt: in het bestek van een paar pagina’s wordt een hele wereld opgetrokken. Sait Faiks verhalen beslaan meestal niet meer dan zes, zeven pagina’s in druk, soms zelfs maar drie of vier. Natuurlijk, ook een roman wordt niet op een achternamiddag op papier gezet. Maar toch, in alle romans die ik heb vertaald kun je in de Turkse tekst, niet zozeer in het begin of aan het eind misschien, maar wel daar tussenin, passages aanwijzen waar de aandacht van de auteur is verslapt, waar het weefsel van de zinnen losser is, het ritme minder dwingend, waar de schrijver zijn kapmes in zijn broekzak heeft laten zitten.

Een schrijver van korte verhalen kan zich dat niet veroorloven. Bij Sait Faik zie je dat het duidelijkst in zijn vroege werk: hecht geconstrueerde verhalen zijn het met een klassieke structuur, vaak over ongebruikelijke situaties. Over een vrouw die te arm is om haar man te begraven bijvoorbeeld maar hem ook niet onbegraven kan laten. Over een man die jarenlang de drie, vier straten van zijn wijk niet uit is geweest, en dan op een dag de sprong waagt. Over twee dronkaards die de kroeg uitlopen en midden in Istanbul in een zwoele viooltjesvallei belanden. De hechte structuur maakt ze compact, hun raadselachtigheid ontlenen ze aan hun onderwerp: wie maakt dagelijks angstvallig dezelfde wandeling door de drie straten om zijn huis, en geen steegje verder?

 

Mobiles
Maar Sait Faik heeft ook nog een ander soort verhalen, het soort waar hij zich in de loop van zijn schrijverschap steeds meer op toelegde. Die verhalen gaan juist over heel dagelijkse situaties. Ze lezen als toevallige uitsneden uit het leven van alledag, en hebben zo op het eerste gezicht een veel lossere structuur. Man zit op het lege benedendek van veerboot, tweede man komt erbij en begint een keuvelgesprek. Of: man zit in wachtruimte van de veerbootmaatschappij (Sait Faik houdt van varen), man twee vraagt hem of hij soms snapt wat er op een blaadje met laboratoriumuitslagen staat. Situaties kortom die iedereen mee kan maken, verhalen zoals je ze zelf aan het eind van de dag denkt te kunnen vertellen. Denkt, want ook die verhalen zijn, net als de mensen waar ze over gaan, veel minder gewoon als ze lijken.

Waar zit hem dat in? In de eerste plaats natuurlijk in Sait Faiks veel geprezen oog voor veelzeggende details en situaties uit het dagelijks leven. Maar daarbij in zijn speelse geest, die ogenschijnlijk ongerelateerde zaken met elkaar verbindt. En volgens mij ook in het feit dat hij de verbanden tussen de verschillende gebeurtenissen heel vaak niet benoemt. Die drie dingen samen maken ook zijn latere dagelijkse verhalen zo raadselachtig en compact. Er gebeurt van alles. Maar over hoe het een met het ander samenhangt houdt Sait Faik zich op de vlakte, dat is aan de lezer.

Sait Faiks distantie zie je terug in de inhoud, want wat de precieze beweegredenen van de personages zijn vertelt hij meestal niet.

‘Waarom we naar dat boerenhuis gingen waar in de keuken gebraden eend, in de jus gekookte tarwe en griesmeelkoek met boter klaarstonden, wist ik die dag niet. En nu ik bedrukt en verlaten door het hotelraam naar de voorbijrijdende tramstellen kijk, zeg ik niet waarom we op een goede dag aan het eind van de middag naar dat huis in het dorp gingen, zonder enige omhaal, alsof we werden verwacht.’ 

Dat schrijft Sait Faik al in de allereerste regels van zijn allereerste verhaal. En veel is die houding in de loop van zijn schrijverschap niet veranderd: motieven worden meestal slechts gesuggereerd. Maar ook in grammaticale zin is Sait Faik weinig toeschietelijk: voegwoorden tussen zinnen die de verbanden duidelijk maken ontbreken vaak. De volgorde van zinnen en gebeurtenissen is de enige structuur die Sait Faik geeft. Wat hun onderlinge logische verband is, waarom ze bij elkaar horen mag de lezer zelf verzinnen. Het is een beetje als met de mobiles van Alexander Calder: er zweven zo veel dingen zo intrigerend en licht in de ruimte dat je pas later de touwtjes en staven ziet die ze bij elkaar houden, pas na een tijdje opmerkt dat het geheel wel degelijk vastzit aan vloer of plafond.

 

Papiervisjes en bolvormige basilicumplanten
Sait Faik schrijft over gewone mensen, inderdaad. Maar hij laat in zijn verhalen zien dat achter ieder mens iets bijzonders schuilt als je er maar oog voor hebt. Daarmee is hij een auteur van het detail, zijn blik gaat niet uit naar het algemene, maar naar het particuliere. Die blik deelt hij voor een belangrijk deel met een vertaler: een tekst moet nu eenmaal tot op de onopvallendste komma vertaald worden. Bovendien heeft taal, iedere taal, zoveel onregelmatigheden, is betekenis op zo’n onsystematische manier afhankelijk van de context, heeft iedere auteur zulke idiosyncratische wendingen in zijn stijl, dat je als vertaler al snel het gevoel krijgt je niet op algemene regels te kunnen verlaten. Dat gevoel maakt het ook zo moeilijk om iets algemeens te zeggen over het vertalen van een tekst, om je weer los te wringen van de particulariteit van een alinea, een zin, een woord, van het ritme van lettergrepen, de herhaling van klanken – kortom van al het gevlooi dat vertalen vaak heel leuk maakt: juist omdat het zich aan iedere systematiek lijkt te onttrekken. En omdat dat gedetailleerde gepeuter je bij dingen brengt waar je zelf niet makkelijk zou komen. (In de roman die ik nu vertaal, een boek van de jonge auteur Barış Bıçakçı, zegt de hoofdpersoon, die ook vertaler is: ‘Ik had het [encyclopedie]deel in mijn hand waarin ik iets wilde opzoeken over de Chinese taal Pinghua, maar had bij toeval een foto gezien van de beestjes die opeens overal in huis zaten, was erachter gekomen dat het papiervisjes waren, en las met de aangename opwinding van een detective, nu en dan een blik op de foto werpend, dat ze zich voeden met het stijfsel uit bijvoorbeeld boekbanden en behang.’). En ook omdat al die aandacht voor kleinigheden je bij invloedrijke auteurs als Sait Faik Abasıyanık laat zien hoe allerlei observaties en details uit zijn werk doorsijpelen in dat van andere auteurs. Hoe bijvoorbeeld het personage dat in ‘Een man en de ochtenden in de stad’ vertelt hoe hij overvallen kan worden door droefheid wanneer de hele stad plotseling overdekt lijkt met de modder van de straten, ook aan het woord lijkt te zijn in Istanbul. Herinneringen en de stad van Orhan Pamuk. ‘Soms,’ schrijft Pamuk in het hoofdstuk ‘Ongelukkig zijn is jezelf en de stad haten’, ‘verandert de stad in een totaal andere plek. Plotseling trekken de kleuren waardoor je je thuis voelt uit de straten weg… [...] Van het ene op het andere moment zijn alle parken veranderd in modderige terreinen… [...] Terwijl er een intense somberheid en weemoed van de stad op mij overgaat, van mij op de stad, merk ik dat er aan de stad, en ook aan mij, helemaal niets meer valt te beleven…’ Of hoe de venijnige, recalcitrante zinnen waarin de hoofdpersoon van ‘Waarom doe ik toch zo?’ vertelt dat hij dingen doet die hij niet wil doen maar ook niet kan laten, precies passen bij de gevoelswereld van de ‘griplozen’ in Het leven in stukken van Oğuz Atay. Of hoe de bolvormige basilicumplanten die in Sait Faiks verhaal ‘De grammofoon en de schrijfmachine’ gestreeld worden ‘zoals je het hoofd van een kind streelt’, precies zo worden aangeraakt in Barış Bıçakçı’s roman.

 

Binnensluipende partikels
Maar hoe verleidelijk het ook is om bij al die talloze details stil te staan, het vertalen van een tekst is natuurlijk veel meer als het vertalen van woorden, van zinnen. Als ik iets in zijn algemeenheid moet zeggen over de vertaling van Sait Faiks Verhalen uit Istanbul, dan gaat dat precies over de verbanden, de coherentie in de tekst: over Sait Faiks talent om weinig expliciete logische verbanden aan te brengen en tegelijkertijd een sfeer te creëren alsof er ‘in een koffiehuis iemand tegen je praat’. Voor de Nederlandse vertaling betekent dat vooral dat je heel voorzichtig moet zijn met het gebruik van allerlei voegwoorden en partikels, die vaak ongemerkt de zinnen binnensluipen en wel degelijk een verband aangeven.

Helemaal zonder dit soort woorden kan een verhaal niet: het zou een houterige tekst opleveren, en in het Turks is Sait Faik niet houterig. Maar teveel van die woorden kan ook niet: dat zou verbanden expliciteren die Sait Faik juist aan de interpretatie van de lezer overlaat. Wat dat betreft is het vertalen van Sait Faik als het maken van een mobile, waarin alles los lijkt te zweven, waarin je zinnen alleen een stokje knoopt als het echt niet anders kan, en waarin de lezer pas na een tijdje ziet dat al die losse onderdelen toch met één koord aan het plafond verankerd zijn.

 

Dit artikel werd geschreven op uitnodiging van Athenaeum boekhandel.

De roman van Barış Bıçakçı, De grote vertwijfeling [werktitel], komt dit najaar uit bij uitgeverij Leesmagazijn.

 

‘Verhalen uit Istanbul’ – Het oog van Sait Faik Abasıyanık

Bij de verschijning van Verhalen uit Istanbul, een verzameling van 35 korte verhalen geschreven door een van Turkijes belangrijkste auteurs: Sait Faik Abasıyanık.

Hoe vaak zouden de woorden ‘kijken’, ‘zien’, ‘gadeslaan’ in de verhalen van Sait Faik Abasıyanık voorkomen? Dat vraagt Leylâ Erbil zich af in een essay over het werk van Turkijes beroemdste schrijver van korte verhalen. Zo’n honderdtachtig verhalen liet Sait Faik na toen hij in 1954 stierf, 48 jaar oud. Bijna al die verhalen gaan over Istanbul en de Prinseneilanden. En in bijna al die verhalen wordt gekeken, veel gekeken. Je kunt je afvragen of literatuur mogelijk is zonder te kijken. Waarschijnlijk niet. Maar niet iedere schrijver kijkt naar hetzelfde, ziet dezelfde dingen.

Waar kijkt Sait Faik naar? Niet naar gebouwen, niet naar al die monumenten waar je in Istanbul over struikelt, niet naar de geschiedenis. Sait Faik – zoals hij in Turkije bekend staat – kijkt naar mensen: de mensen die net als hij in Istanbul leven, net als hij in de jaren dertig, veertig, vijftig van de twintigste eeuw. Een roerige tijd, in Turkije en daarbuiten. Maar hoezeer de politieke gebeurtenissen het leven ook kleuren, Sait Faik kijkt niet naar de politici, de economen, de figuren die het voor het zeggen hebben en daarmee ieders blik vangen. Zijn blik zuigt zich juist vast aan de mensen van wie wordt weggekeken.

In een van de verhalen die over de Engelse auteur Bruce Chatwin de ronde doen steekt de schrijver diagonaal een groot plein over, zijn hand voor zich uitgestrekt, voor niets anders oog dan voor iets heel bijzonders dat in zijn handpalm ligt uitgestald: een truffel. Aan die anekdote moest ik vaak denken toen ik Verhalen uit Istanbul vertaalde. Precies zo’n blik heeft Sait Faik, al richt die zich niet op truffels, en ook niet op mensen die truffels eten. Sait Faik kijkt naar een kreeftenvisser die zelf nooit een kreeft heeft geproefd, naar een vrouw die te arm is om haar man te begraven, naar een straatjongen die een liedje zingt voor zijn hond, naar de lelijkste vis van de zee. Naar iedereen die er niet bij hoort, er niet bij wil horen.

Daarbij slaat Sait Faik die mensen, dieren en hun levens niet gade als een afstandelijke reporter, en zijn blik is evenmin meewarig of cynisch. Dat spreekt niet vanzelf: hij was afkomstig uit een gegoede familie. Zijn vader deed zijn best hem het handelsleven in te krijgen, maar zonder succes. Sait Faik koos voor het schrijven. En hij koos partij, maar niet voor de kant waar hij door zijn afkomst toe behoorde.

Er waren meer schrijvers die dat deden, ook in Sait Faiks tijd. Nâzım Hikmet bijvoorbeeld schreef Mensenlandschappen, een soort ‘encyclopedie van beroemdheden’, portretten van ‘arbeiders, boeren en handwerkslieden wier roem nooit doordrong tot buiten de fabrieken, werkplaatsen, dorpen en arbeidersbuurten’. Yaşar Kemal schreef reportages over mensen die uit armoede in grotten wonen of geen andere middelen van bestaan hebben dan smokkel. Maar anders dan zijn tijdgenoten kijkt Sait Faik niet alleen naar de mensen over wie hij schrijft, maar ook naar zijn eigen blik.

Dat onderzoek van zijn eigen blik doet hij bijvoorbeeld in Vier plusjes – wat mij betreft een van de mooiste verhalen uit de bundel. Het verhaal begint met de vraag hoe we op straat bepalen aan wie we de weg vragen: ‘Waarom kiest men al uit die jongeren net ons?’ Het verhaal gaat ook over een fysionomist, over een boot die gemist had moeten worden, over een man met een papiertje met laboratoriumuitslagen en over de reden waarom de verteller zijn schoenen laat poetsen als hem onderweg naar zijn geliefde om een vuurtje wordt gevraagd. Sait Faik houdt net als Bruce Chatwin van details en ongewone, springerige verbanden. Dat maakt zijn verhalen speels, hoe onrechtvaardig de wereld die hij beschrijft vaak ook is.

Het oog van Sait Faik is verbonden met zijn hart, zegt Leylâ Erbil, zelf schrijfster, in haar stuk. ‘Sommige mensen hebben niet alleen een mooi gezicht, mooie ogen, wenkbrauwen, wimpers, schouders en voeten, maar ook een mooie maag, een mooi hart, een mooi middenrif en strottenhoofd,’ schrijft Sait Faik al in 1934, in een van zijn vroegste verhalen. Een schrijver die kijkt met zijn hart, ziet niet alleen de buitenkant, maar ook wat daarachter schuilgaat, van organen tot drijfveren.

Kijken met je hart. Dat klinkt misschien zoetsappig. Of gemakkelijk. Tot je bedenkt hoe vaak er gekeken wordt zonder dat er maar het dunste draadje tussen oog en hart loopt. Kijken met je hart is ook een politieke daad. Het is het allereerste waarmee democratie begint, al wordt dat vaak vergeten.

 

Sait Faik Abasıyanık, Verhalen uit Istanbul. Amsterdam: Podium, 2014. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden. Met een nawoord door Murat Isik.

Binnenkort op deze site en op die van boekhandel Athenaeum in Amsterdam meer over het vertalen van de korte verhalen van Sait Faik Abasıyanık.