Presentatie van ‘De lanterfanter’ – Nederlandse vertaling van roman van Yusuf Atılgan (19 mei, Amsterdam)

Op 19 mei verschijnt De lanterfanter, de Nederlandse vertaling van de roman waarmee Yusuf Atılgan in Turkije een onuitwisbare indruk maakte. Aylak Adam, zoals het boek in het Turks heet, verscheen in 1959.

C. verzet zich tegen de dagelijkse verplichtingen die het leven van de anderen kenmerken. Hij leeft van een erfenis en verlummelt zijn dagen in de kroegen, trams en straten van Istanbul, op zoek naar het enige dat zijn leven zin kan geven: de ware liefde, die ene onvindbare vrouw. Niets anders geeft hem voldoening, noch de kortstondige romantiek, noch de kunst. Relaties met de mensen om hem heen, die hij grotendeels verafschuwt, doen dat al helemaal niet. Maar kan een mens zonder anderen? En hoe anders is hijzelf?

Tijdens een feestelijke presentatie stellen uitgever Jurgen Maas en vertaler Hanneke van der Heijden het boek voor.
Muzikanten van Het Levantijns Orkest spelen muziek uit de wereld van De lanterfanter: het Istanbul van de jaren vijftig.

Plaats: Podium Mozaiek, Amsterdam
Datum: donderdag 19 mei 2016
Aanvang: vanaf 20u

Toegang is vrij.

Voor een fragment uit de roman, klik hier.

 

Presentatie van ‘De lanterfanter’ – Nederlandse vertaling van roman van Yusuf Atılgan (19 mei, Amsterdam)

Op 19 mei verschijnt De lanterfanter, de Nederlandse vertaling van de roman Aylak Adam.

‘De lanterfanter’ is het debuut van de Turkse schrijver Yusuf Atilgan. Het verscheen in 1959. En het was een heel ongewoon debuut: C., de hoofdpersoon, is een van de eerste tegendraadse figuren in de Turkse literatuur.

C. verzet zich tegen de dagelijkse verplichtingen die het leven van de anderen kenmerken. Hij leeft van een erfenis en verlummelt zijn dagen in de kroegen, trams en straten van Istanbul, op zoek naar het enige dat zijn leven zin kan geven: de ware liefde, die ene onvindbare vrouw. Niets anders geeft hem voldoening, noch de kortstondige romantiek, noch de kunst. Relaties met de mensen om hem heen, die hij grotendeels verafschuwt, doen dat al helemaal niet. Maar kan een mens zonder anderen? En hoe anders is hijzelf?

Tijdens een feestelijke presentatie stellen uitgever Jurgen Maas en vertaler Hanneke van der Heijden het boek voor.
Muzikanten van Het Levantijns Orkest spelen muziek uit de wereld van De lanterfanter: het Istanbul van de jaren vijftig.

Plaats: Podium Mozaiek, Amsterdam
Datum: donderdag 19 mei 2016
Aanvang: vanaf 20u

Toegang is vrij.

Voor een fragment uit de roman, klik hier.

 

Yusuf Atılgan – De lanterfanter (fragment)

Op 19 mei verschijnt bij Uitgeverij Jurgen Maas De lanterfanter, mijn vertaling van de roman Aylak Adam geschreven door Yusuf Atılgan. Hieronder een fragment uit de roman.

 

De namen van de dagen kunnen veranderen naargelang de dingen die zich binnen hun tijdsbestek afspelen. Vandaag was aanvankelijk ‘de dag dat hij voor het eerst buiten zijn jas had uitgedaan’, later zou dat veranderen in ‘de dag dat hij Güler voor het eerst had gezien’. Het was zonnig, zwoel. In Karaköy, bij de baklavasalon op het kruispunt, zocht hij tussen de mensen die vlak voor hem langs de etalageruit liepen iemand van wie op het eerste gezicht duidelijk zou zijn dat het een timmerman was. Soms was hij op zoek naar een kleermaker. Hij was eens iemand achterna gehold van wie hij dacht dat het een kleermaker was, maar toen hij de man naar zijn beroep vroeg bleek hij griffier te zijn. Toen hij er genoeg van had naar een timmerman te zoeken, begon hij naar de verkeersagent te kijken die op een kleine verhoging in het midden stond. Hij blies op een fluit, zwaaide met een stokje; auto’s en trams raasden voorbij zonder elkaar te raken. Hij vond de bewegingen van de man lachwekkend. Misschien omdat hij zo chagrijnig keek. Waarom bleven de mensen niet staan lachen? Hij mocht hem niet. In zijn plaats zou hij op een dag iets ongehoords doen. Hij zou de auto’s en trams door elkaar laten rijden en dan in lachen uitbarsten. De agent was daar de man niet naar. Misschien dat die de orde slechts verstoorde in zijn dromen.

Toen zag hij de hoek van de straat. Soms krijg je zonder wat voor aanwijsbare aanleiding dan ook het idee dat het gebouw, de straathoek waar je langs loopt, de stoel waar je op zit, nog een belangrijke rol in je leven zal spelen. Zo stond er vandaag precies op die straathoek iets te gebeuren. Hij kon zijn blik er niet meer van losmaken. Voor de voorbijgangers was het een doodnormale plek, een plek zoals je er duizenden hebt in de
stad. Overdreef hij soms? Zou hij iedere alledaagse gebeurtenis die zich daar kon afspelen op grond van zijn vooroordelen voor iets bijzonders houden? Twee mannen waren in gesprek en stonden op het punt uiteen te gaan. Ze gaven elkaar een hand. Hoed afnemen! Ze namen hun hoed af. Het was absurd iets nieuws van de mensen te verwachten. Nu stonden er twee meisjes op de hoek te praten. Ze droegen platte schoenen. Zo, dat was tenminste goed. Of zou…? Zijn hart bonsde. De een droeg een beige regenjas, de ander een lichtblauwe. Kijk aan, ze stonden op het punt afscheid te nemen. ‘Vooruit, hand geven!’ riep hij inwendig. Ze gaven elkaar een zoen.

Hij sprong overeind. Toen hij naar buiten liep hoorde hij de ober roepen.

‘Meneer, het geld!’

Hij stak zijn hand in zijn zak en haalde er het eerste beste bankbiljet uit. Eentje van vijf. Hij legde het op de koelvitrine en liep naar buiten. Toen hij de hoek omsloeg zag hij de twee meisjes. Beige liep naar Yüksek Kaldırım, lichtblauw naar Tophane. Mijn god, wie van de twee nu? Op de hoek bleef hij even staan. Toen liep hij het beige meisje achterna. In dat ene moment waarop hij stil was blijven staan, was alles voorbij.

Weer had hij zich vergist. Het meisje in lichtblauw was B. Was hij haar achternagegaan, dan zou het verhaal ten einde zijn. Maar hij ging met Güler mee. Toeval? Nee. Als er in deze stad één plek was waar hij een hekel aan had, dan was het wel de Tophanelaan. Misschien kwam het doordat hij beducht was voor de uitnodigende lokroep van de hoorns van de veerboten, misschien door de saaie dagen die hij er op de academie had doorgebracht. Van Yüksek Kaldırım hield hij juist. Er was de hoop dat beige daarlangs omhoog zou gaan. Bovendien waren zijn voeten nog gewend die weg te lopen uit de tijd dat hij naar Ayşe ging. (De gewenning die je stuurt zonder dat je het in de gaten hebt…)

 

Uit: Yusuf Atılgan, De lanterfanter. Roman. Amsterdam: Uitgeverij Jurgen Maas. 2016. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden. Oorspronkelijke titel: Aylak Adam (Istanbul, 1959).

 

Net verschenen: ‘Dat vreemde in mijn hoofd’ van Orhan Pamuk

Zes jaar na het Het museum van de onschuld is er een nieuwe roman van Orhan Pamuk in het Nederlands verschenen: Dat vreemde in mijn hoofd. Het boek beschrijft ‘het leven, de avonturen en dromen’ van Mevlut Karataş, een optimistisch ingestelde jongen die in de jaren zestig van een dorp in de buurt van Konya verhuist naar Istanbul om daar met zijn vader als venter geld te verdienen.

Dromen heeft de jonge Mevlut twee: een meisje en een eigen zaak. Een meisje naar zijn hart vindt hij als een van zijn neven trouwt. Hij vangt haar blik temidden van de bruiloftsgasten. Drie jaar lang schrijft Mevlut haar brieven, dan besluit hij haar te schaken. Maar als hij na een tocht door de bergen bij een bliksemflits haar gezicht ziet, dringt de vraag zich op: gaat het in het leven om wat je zelf graag wilt, of om wat het lot voor je in petto heeft?

Mevluts dromen over een eigen zaak komen uit als hij na vele jaren venten met yoghurt, met boza, een dikvloeibare gierstdrank, met krasloten, gebakken rijst met kikkererwten en allerlei andere zaken, een zaakje met zijn boezemvriend opent. Mevlut kan zich bedrijfsleider noemen. Maar ook dan blijft het lopen door de donkere straten van Istanbul lokken.

Een straatventer is natuurlijk bij uitstek iemand die getuige is van het dagelijks leven in een stad, van de veranderingen die zich binnenshuis en op straat afspelen. En in Istanbul verandert nu eenmaal voortdurend van alles. Dat vreemde in mijn hoofd is dan ook niet alleen een familiegeschiedenis waarin Mevlut en zijn gezin centraal staan. De roman geeft tegelijkertijd ‘een beeld van Istanbul tussen 1969 en 2012 gezien door de ogen van tal van personen’, zoals het in de tweede helft van de ondertitel heet. Lees verder…

Orhan Pamuk – Dat vreemde in mijn hoofd (fragment)

Eind februari 1985, na een lange koude dag waarop de zaken niet bijster goed waren gegaan, had Mevlut de vuile borden en glazen verzameld en stond hij op het punt om van Kabataş naar huis te gaan, toen Süleyman in zijn vrachtwagentje kwam aanrijden. ‘Iedereen heeft jullie nieuwe dochtertje al een kraamcadeautje gegeven en een kraaltje tegen het boze oog opgespeld, behalve ik,’ zei Süleyman, ‘Kom in de auto zitten, dan kletsen we even bij. Hoe gaan de zaken? Heb je het niet koud zo de hele dag buiten?’

Zodra Mevlut in de wagen zat, moest hij eraan denken hoe vaak Samiha met de mooie ogen op deze stoel had gezeten voordat ze een jaar geleden was verdwenen, hoe vaak Süleyman met haar door Istanbul had getoerd.

‘Ik verkoop nu al twee jaar rijst met kikkererwten, maar tot nu toe heb ik nog nooit bij een klant in de auto gezeten,’ zei Mevlut. ‘Hoog is het hier, ik word duizelig, ik stap weer uit.’

‘Blijf zitten, we moeten praten!’ zei Süleyman. Hij pakte Mevluts hand die het portier al wilde openen. Hij keek zijn jeugdvriend strak aan met een blik vol liefdesverdriet en verslagenheid.

[...]

‘Süleyman, jongen, jij en je broer zijn goed bezig, terwijl ik maar loop te sappelen. De helft van de nieuwe flats die Vural laat bouwen is al verkocht terwijl de fundering nog niet eens klaar is, hoorde ik.’

‘We verdienen goddank heel behoorlijk,’ zei Süleyman. ‘Maar we willen dat jij ook goed gaat verdienen. Korkut denkt er net zo over.’

‘En wat zou ik moeten doen? Een fornuis neerzetten en thee verkopen in zijn kantoor soms?’

‘Lijkt je dat wat, thee verkopen?’

‘Er komt een klant aan,’ zei Mevlut en stapte uit. Er was in de wijde omtrek geen klant te bekennen. Maar Mevlut ging met zijn rug naar Süleymans vrachtwagentje staan en deed of hij voor een klant een bord opschepte. Hij schepte een grote lepel rijst op, en wreef die met de achterkant van de lepel los. Terwijl hij de gasfles die in de venterskar stond dichtdraaide merkte hij dat Süleyman ook was uitgestapt en naar hem toe kwam lopen, en daar was hij blij om.

‘We hoeven er niet over door te praten als je dat niet wilt,’ zei Süleyman, ‘maar ik wil de baby dit cadeautje zelf geven, dan kan ik haar meteen bewonderen.’

‘Als je de weg naar mijn huis niet kent, moet je maar achter me aan rijden,’ zei Mevlut en begon de kar te duwen.

‘Laten we de kar in de vrachtwagen zetten,’ stelde Süleyman voor.

‘Je moet dit driewielige eethuis niet onderschatten. De keuken en het fornuis die erin zitten zijn heel breekbaar maar ook erg zwaar.’

Mevlut duwde, zoals iedere middag om een uur of vier, vijf, met veel gehijg en gepuf de kar de steile Kazancıstraat op, richting Taksim, op weg naar huis (dat kostte twintig minuten), terwijl Süleyman langzaam achter hem aan reed.

‘Mevlut, zullen we je kar aan de bumper binden, dan kan ik je heel langzaam trekken.’

Zijn aanbod was oprecht en hartelijk, maar Mevlut liep stug door alsof hij hem niet gehoord had. Even verderop parkeerde hij zijn mobiele eethuis en zette de rem erop. ‘Rij maar door naar Taksim, en wacht daar op mij bij de bushalte naar Tarlabaşı.’

Süleyman gaf gas, reed de helling op en was al snel uit het zicht verdwenen. Het zat Mevlut niet lekker dat Süleyman nu zijn armoedige huis zou zien. Het had hem goed gedaan dat zijn neef zich zo onderdanig had opgesteld. De gedachte kwam bij hem op dat hij dankzij Süleyman een ingang had bij de Vurals, en dat hij met Rayiha en de kinderen zo misschien een wat comfortabeler leven zou kunnen krijgen.

 

Uit: Orhan Pamuk, Dat vreemde in mijn hoofd. Roman. Amsterdam: De Bezige bij, 2016. Oorspronkelijke titel: Kafamda Bir Tuhaflık. (2014) Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden & Margreet Dorleijn.

 

Yaşar Kemal – Toen de tractor naar Turkije kwam (reportage)

Waarom zo nodig naar de heuvels bij Eyüp, waar ik heg noch steg ken, terwijl er zoveel andere plaatsen zijn waar ik heen had gekund, Zeytinburnu bijvoorbeeld, of al die heuvels waar migranten uit de rest van het land wonen, de heuvels van zat ik hier maar niet, Çeliktepe, Kartal, de hellingen van Yakacık?

Ze zijn om allerlei verschillende redenen uit hun dorpen weggetrokken. Er komen steeds meer kinderen, er is niet genoeg grond voor iedereen, de koffers worden gepakt. Het heeft dat jaar te weinig geregend, ze hebben niks meer te eten, de koffers worden gepakt. Wil het drie jaar achtereen nauwelijks regenen, dan valt er in zo’n dorp niet te leven.

En dan is er een die wegtrok vanwege de tractor. Het is al een tijd geleden dat de tractor zijn intree in de dorpen heeft gedaan, dat de landheren die een tractor wisten te bemachtigen hun landarbeiders wegstuurden. Ik ben onderweg naar een familie die precies vanwege zo’n tractor zijn grond heeft moeten verlaten. Ik heb hun adres, maar het vinden van hun huis is een tweede. Uit die armenwijken vol provisorisch gebouwde huisjes is geen wijs te worden. Een wirwar van straten. Over hellingen en heuvels uitgespreid. Aan iedereen die ik tegenkom vraag ik waar Mustafa Kulaksız woont.

‘Mustafa Kulaksız. Hij moet hier ergens wonen. Hij komt uit een dorp in de buurt van Diyarbakır.’

‘Mustafa Kulaksız? Die ken ik niet, nooit van gehoord. Bij ons in de wijk komt trouwens niemand uit Diyarbakır. Die wonen ergens anders.’

‘Waar?’

‘Ergens anders.’

Daar sta ik dan.

‘Is er hier misschien iemand die Mustafa Kulaksız kent, heb jij hem wel eens gezien?’

‘Nooit van gehoord. Nee, nooit gezien… Kom je ook uit die streek soms?’

‘Nee.’

‘Waarom moet je hem dan hebben? Heb je werk voor hem?’

‘Nee.’

‘Geen idee.’

Zoekend en vragend beland ik in de armenwijken achter Eyüp. De wereld van de minaretten, de Gouden Hoorn, de begraafplaatsen ligt ver achter me. Hier begint de wereld van de blikken huizen. Na de marmeren paleizen waarin de doden begraven liggen komen de belabberde eenkamerhuizen van de levenden. Nee, eenkamerhuis is eigenlijk te veel gezegd, hokken, dat zijn het.

In de deuropening zit een vrouw. Het hoofd op haar knieën. Als ze me aan hoort komen kijkt ze op. Van binnen komt de stank van verbrande wol. Daarna ruik ik warme melk. Zo gaat het altijd in het oosten van Anatolië: je slaat tegen de vlakte van de lucht van verbrande wol, de lucht van gekookte melk, de lucht van penetrante mest.

‘Woont Mustafa Kulaksız hier?’

‘Daar woont die, daar zo,’ zegt ze. ‘Waarom moet je hem eigenlijk hebben?’

‘Ik kom hem opzoeken.’

‘Kom je bij hem uit de streek?’

‘Nee.’

‘Heb je werk voor hem?’

‘Nee.’

Ze kijkt me bevreemd aan.

‘Halo Mısto bedoel je toch?’ vroeg ze nog eens. ‘Zo noemen we hem hier.’

‘Ja, die ja.’

‘Daar zo, dat is zijn huis.’

In de verte zie ik een krakkemikkig kot, aan één kant vol gaten, scheefgezakt, het blikken dak verroest en in stukken.

‘Dat daar?’

‘Ja daar…’

Voor de deur zit een vrouw wol te spinnen. Ze is oud. Om haar hoofd heeft ze een rafelige doek, de randjes geborduurd. Bonte kleuren. Ze heeft een smalle, spitse neus. Ze trilt. Donkere ogen. Alles aan haar is donker. De zorgen zijn haar aan te zien. Haar voorhoofd, haar kin, haar wangen zijn gegroefd.

‘Woont Mustafa Kulaksız soms hier?’

Ze staat op, vouwt haar handen.

‘Ja, die woont hier,’ zegt ze beleefd. Ze schiet naar binnen, komt terug met een gammele stoel.

‘Ga zitten, jongen. Welkom. Hoe gaat het ermee? Hoe maken je vrouw en kinderen het? Welkom. Kom je uit dezelfde streek als Mısto? Hij is zo weer terug. Hij is beneden gras aan het plukken. Voor de kachel. Iets anders is er niet. Och ons dorp. Och jongen… Kom je uit hetzelfde dorp als Mısto? Kom je bij ons uit de streek? Hoe zou het daar nu zijn. Staat het gras al op de weilanden? Is de sneeuw in de bergen al gesmolten, jongen? Mekkeren de lila lammeren? Hoe lang duurt het nog voor het lentefeest begint? Zijn de mensen, de beesten de velden, de bergen en de dalen in getrokken? Zien de vlaktes geel van de bloemen? Kun je onze aarde al weer ruiken?’

‘Ik kom zo goed als uit dezelfde streek,’ zeg ik. ‘Het is een tijdje terug dat ik bij jullie dorp in de buurt was, maar het duurt nog even voor het lentefeest begint. De gele bloemen hebben hun rokken nog niet gespreid. De lila lammeren uit de liederen mekkeren nog niet. Ik bezing de problemen van wie huis en haard heeft moeten verlaten.’

‘Je bent een troubadour dus,’ zegt ze. ‘Maar waar is je saz?’

‘Zoiets, maar ik maak geen muziek. Ik bezing ze op papier.’

Ze blijft een tijd stil, denkt na.

‘Schrijf maar op, jongen,’ zegt ze, ‘schrijf in godsnaam maar op. Maar schrijf het in een groot schrift, want aan mijn problemen komt geen eind. En schrijf het goed op.’

Naast haar ligt een half afgebreide sok met ingewikkelde patronen, de pennen steken erin.

‘Mısto heeft geen werk, jongen. Soms vindt hij wat voor een maand of drie, dan zit hij weer vijf maanden zonder. Mısto is al met al een oude man geworden. Erg oud. Mısto kent de taal van de grote stad niet. Jonge kerels zijn zo gewend. Mısto niet, die kan niet wennen. Ach Mısto toch, een beer van een kerel was het, nu lijkt hij wel een wijf. Ik ben begonnen sokken te breien, jongen, sokken met mooie patronen, om een lichtpuntje te hebben, om Mısto te helpen, want hier zien ze hem niet staan. Nee, dan bij ons in de streek, daar deden ze een moord voor sokken van Zare. De landheer, Resul, betaalde er grif een gouden munt voor. Ik brei ze met zulke mooie, zulke schitterende patronen, je weet niet wat je ziet, maar niemand die ernaar kijkt. Maar bij ons in het dorp, als ik daar sokken had gebreid ging het nieuws als een lopend vuurtje rond. Je had er die er een os voor gaven. Drie maanden deed ik over een sok, ik breide ze met allerlei patronen, uit een sprookje leken ze. Ach jongen. We moesten wel verdomme, we waren gedwongen.’

Het huilen staat Zare nader dan het lachen. Lange vingers heeft ze, slanke, ranke polsen, op haar handen kun je de sporen nog zien van heel oude henna.

‘Denk je dat er hier ook maar iemand is die me kent? Ze kijken je scheef aan, ze weten niet wat van je te denken. We moesten wel verdomme, we waren gedwongen…’

Zare staat op het punt in tranen uit te barsten. Wat te doen? Ik moet haar af zien te leiden. Kwam Halo Mısto nou maar.

‘Waar blijft die Mısto toch?’

‘Niet weggaan hoor jongen, Mısto komt zo. Mısto houdt van bezoek. Het is al een tijd geleden, al zo’n tijd geleden dat er iemand op bezoek kwam. Mısto snakt naar bezoek. Jongen, blijf tot Mısto er is. Hij doet me wat aan als ik hem moet zeggen dat je op bezoek bent geweest, dat ik je heb laten gaan. Wacht, dan zet ik thee voor je. Sterke thee, zoals bij ons in de streek. Welkom. Als ik je zwarte ogen zie, moet ik aan ons dorp denken. Dankzij jou hebben we ons dorp nu hier. Ik ben zo blij dat je er bent.’

Ik kan me niet langer inhouden en stel haar de vraag die ik voor Mısto had bewaard.

‘We moesten wel verdomme, we waren gedwongen,’ begint ze. En eenmaal begonnen, kan ze niet meer ophouden. ‘Je moet weten, dat jaar gebeurde er een ramp, een tractor of hoe heet zo’n ding, de landheer kocht er dat jaar twee. Een blauwe en een rode. Een hitte dat er af kwam. Die zwarte ogen van je, ik ben toch zo blij dat je er bent. Toen die tractors er eenmaal waren riep de landheer alle arbeiders bij zich. Nou mensen, zei hij, tabee. Jullie zijn niet meer nodig. Mısto ging pal voor zijn neus staan. Vroeger was het een hele andere, een beer van een kerel was het, voor de duvel niet bang. Een leven ver van huis en haard, dat heeft Mısto klein gekregen, jongen. Zeg, zei Mısto tegen de landheer, met wat voor recht denk je ons van onze grond te verjagen? De landheer moest lachen. Hebben wij soms niet op deze grond gezwoegd? zei Mısto. Dat klopt beste man, zei de landheer tegen Mısto, je hebt hier gewerkt maar nu hebben we een tractor. Ik heb jullie niet meer nodig. Ik ga niet weg van mijn grond, zei Mısto. Goed dan, zei de landheer op het eind, dit jaar kun je blijven. Een jaar ging voorbij. Vooruit makker, zei de landheer toen, wegwezen nu. Je zoekt maar een oplossing. Mısto hield voet bij stuk, hij weigerde te vertrekken. Toen kwam de tractor om het land te ploegen. Mısto ging ervoor liggen. De landheer beval dat ding over Mısto heen te rijden. Maar de jongen achter het stuur was iemand met een goed hart. Toen hij bij Mısto kwam hield hij halt. Jongen, zei Mısto, je hebt een veel groter hart dan de landheer. Dertig jaar heb ik voor hem gewerkt. En nu zou hij die tractor zo over me heen laten rijden. Toen zijn we gegaan.

‘Eerst naar Adana. Daar waren mensen die we nog kenden uit onze streek. Als dagloners werkten we op het veld. Een hitte. Zo heet als het daar is jongen. Een oven is er niks bij. We hielden het niet vol. Van ons hele hebben en houden, en ook van ons geld was zo goed als niks meer over. Mısto, zei iemand uit onze streek, Mısto, hier zitten we tussen de anderen die bij ons vandaan komen, hier kunnen we niet als kruier werken, dat geeft geen pas. Maar Istanbul is groot.

‘Niemand die ons daar kent. We gaan er heen en zoeken werk als kruier. Maar toen we hier eenmaal stonden hadden we nog geen dak boven ons hoofd. Een huis huren kostte honderdvijftig lira. We huurden er een. Toen hadden we geen rooie cent meer. Er zit niks anders op, zeiden ze, we moeten zelf provisorisch iets bouwen. Mısto werkte, en ik werkte ook. Met het geld dat we verdienden hebben we in de loop van de tijd drie keer zo’n hutje gebouwd, alle drie zijn ze gesloopt. Dit is het vierde, nu zijn we op. Mısto is oud geworden… Ach jongen, als we in het dorp zaten, hoefde ik maar een sok in de maand te breien om een gouden munt te verdienen. Maar hier, wat weten ze hier nou van gebreide sokken, nergens weten ze wat van…’

In de verte verschijnt Mısto, op zijn rug wat plukken gras, een paar vergane planken, een stuk oud blik. Een grote oude man, zijn rug gekromd, zijn baard, zijn haren wit.

Blij springt Zare op.

‘Bezoek,’ zegt ze. ‘Deze man is bij ons op bezoek. En hij komt bij ons uit de streek. De hele dag heeft hij lopen zoeken, iedereen heeft hij gevraagd waar Mısto woont.’

Mısto omhelst me, zijn ogen zijn vochtig.

‘Welkom, beste jongen. Wat een eer dat je ons opzoekt. Wat een eer dat je komt kijken… Hoe is het bij ons in de streek? Staan de rozen al in bloei? Begint het lentefeest binnenkort? Zijn de tulpen, de hyacinten uitgekomen? Zingt Haso zijn liederen? Speelt Sofi op zijn rietfluit? Welkom beste man. Wat een eer dat je komt kijken…’

‘Graag gedaan,’ antwoord ik.

‘Bezoek, da’s al zo’n tijd geleden…’

 

Eerder verschenen in digitale reader #5 van 360 Magazine. Oorspronkelijke titel: Traktör yüzünden. Afgedrukt in: Yaşar Kemal, Röportaj Yazarlığında 60 Yıl. İstanbul: Yapı Kredi Yayınları, 2011. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden.

 

Toen de tractor naar Turkije kwam – Reportage van Yaşar Kemal

Op 28 februari stierf in Istanbul de schrijver Yaşar Kemal (1923-2015). Jarenlang was hij Turkijes kandidaat voor de Nobelprijs voor de literatuur. Zijn debuutroman, Kleine Memed, is een van meest en een van de eerst vertaalde Turkse boeken. In veel landen, ook in Nederland, begint de Turkse literatuur met Yaşar Kemal.

Maar behalve fictie schreef Kemal ook journalistieke reportages. Ze verschenen in de periode 1951 – 1963 in het dagblad Cumhuriyet, en maakten indruk door hun levendigheid en sociale betrokkenheid. Voor veel van zijn artikelen bracht Kemal lange tijd door met de mensen waarover hij schreef. Om door te kunnen dringen tot de kern van het verhaal, van de werkelijkheid, moet je met de mensen leven, echt leven, en vergeten dat je slechts als schrijver deel uitmaakt van hun leven, schrijft hij in het voorwoord bij een bundeling van zijn stukken. Daarin verschilt naar zijn mening een reportage van een nieuwsbericht, en daarin komt een reportage overeen met literatuur. Kemal zelf is in de verhalen uitdrukkelijk aanwezig, maar als iemand die voortdurend in gesprek is met zijn omgeving. Zijn reportages staan dan ook vol dialogen – ook in dat opzicht betekenden ze een vernieuwing.

Voor de digitale reader van het tijdschrift 360 Magazine vertaalde ik een van Kemals reportages. Het stuk verscheen oorspronkelijk in februari 1960, en maakte deel uit van een serie over de vele mensen die, om uiteenlopende redenen, hun dorpen op het Anatolische platteland hebben moeten verlaten en in Istanbul een nieuw bestaan proberen op te bouwen. Anderen die in dezelfde omstandigheden verkeerden, kwamen als gastarbeider naar West-Europa.

Het artikel is nu ook hieronder te lezen.

 

Toen de tractor naar Turkije kwam

Waarom zo nodig naar de heuvels bij Eyüp, waar ik heg noch steg ken, terwijl er zoveel andere plaatsen zijn waar ik heen had gekund, Zeytinburnu bijvoorbeeld, of al die heuvels waar migranten uit de rest van het land wonen, de heuvels van zat ik hier maar niet, Çeliktepe, Kartal, de hellingen van Yakacık?

Ze zijn om allerlei verschillende redenen uit hun dorpen weggetrokken. Er komen steeds meer kinderen, er is niet genoeg grond voor iedereen, de koffers worden gepakt. Het heeft dat jaar te weinig geregend, ze hebben niks meer te eten, de koffers worden gepakt. Wil het drie jaar achtereen nauwelijks regenen, dan valt er in zo’n dorp niet te leven.

En dan is er een die wegtrok vanwege de tractor. Het is al een tijd geleden dat de tractor zijn intree in de dorpen heeft gedaan, dat de landheren die een tractor wisten te bemachtigen hun landarbeiders wegstuurden. Ik ben onderweg naar een familie die precies vanwege zo’n tractor zijn grond heeft moeten verlaten. Ik heb hun adres, maar het vinden van hun huis is een tweede. Uit die armenwijken vol provisorisch gebouwde huisjes is geen wijs te worden. Een wirwar van straten. Over hellingen en heuvels uitgespreid. Aan iedereen die ik tegenkom vraag ik waar Mustafa Kulaksız woont.

‘Mustafa Kulaksız. Hij moet hier ergens wonen. Hij komt uit een dorp in de buurt van Diyarbakır.’

‘Mustafa Kulaksız? Die ken ik niet, nooit van gehoord. Bij ons in de wijk komt trouwens niemand uit Diyarbakır. Die wonen ergens anders.’

‘Waar?’

‘Ergens anders.’

Daar sta ik dan.

‘Is er hier misschien iemand die Mustafa Kulaksız kent, heb jij hem wel eens gezien?’

‘Nooit van gehoord. Nee, nooit gezien… Kom je ook uit die streek soms?’

‘Nee.’

‘Waarom moet je hem dan hebben? Heb je werk voor hem?’

‘Nee.’

‘Geen idee.’

Lees verder…

Barış Bıçakçı – Radeloos als we waren (fragment)

Deze maand verscheen bij uitgeverij Leesmagazijn mijn vertaling van een roman van Barış Bıçakçı: Radeloos als we waren. Hieronder een kort fragment uit het boek. Klik hier voor een aankondiging van de roman.

[...] Toen dat jaar de lente aanbrak deed die ons denken aan onze gebreken, aan al die dingen die nooit afgemaakt zouden worden. Halfslachtige wolken, een zon als een spiegelei, een warmte waarvan niet duidelijk was uit welk lichaamsdeel die de kou zou verdrijven. Onze neus, ons hart, onze lendenen soms?

We kochten basilicumplantjes bij het winkelcentrum van de gemeente in Ulus, mijn moeder gaf ons bladeren van twee verschillende geraniums mee (een witte en een rode), die we in theeglaasjes water zetten. We richtten het balkon in, spoten het goed schoon met de tuinslang. Op donderdagavond voetbalden we voortaan op een kunstgrasveld, fantastisch was het dat we een vaste keeper hadden en dat de regels voor ingooi werden toegepast! We gingen geregeld kijken in het Park van de Jeugd en zagen zo hoe de vijver pas na weken weer gevuld was. We brachten een kort bezoek aan de begraafplaats en spreidden ook daar onze hovenierstalenten tentoon. We vroegen ons af waar de mussen opeens gebleven waren die de hele winter in de dode takken van de wilg voor het huiskamerraam herrie hadden zitten maken en heen en weer huppend de kruimels oppikten die we in de vensterbank hadden gestrooid, en sommige weekenden gingen we picknicken op de Işıkberg. Voor de picknick vulden we de kofferruimte van onze automobiel met van alles en nog wat, alleen een impressionistische schilder ontbrak: een laag uitklapbaar picknicktafeltje, drie klapstoeltjes, een paar kussens, een behoorlijk groot vloerkleed (waarop mijn lieve vriend zich op zijn zij zou uitstrekken, het hoofd rustend in zijn rechterhand), een samowar, een porseleinen theepot, een barbecue, een fles petroleum gewikkeld in pakpapier, een stapel oude kranten, een transistorradiootje, een kleine gele plastic bal, een grote blauwe met zwarte strepen, de tas met de hengel (mijn lieve vriend moet en zal in iedere waterplas zijn hengel uitgooien), een triktrakspel met een leren zakje triktrakstenen, een thermosfles en een oude boodschappentas met hengsels van metaalkleurig canvas en gevuld met allerlei keukengerei.

Zo kalm, zo heerlijk als de tijd tussen het bekende geren en geschrans van een picknick voorbijging! Een paar vogels die halsstarrig hetzelfde sprankelende liedje moesten zingen, het vertrouwde geklater van het beekje, het groen van de zilversparren, van de essen, van de dennenbomen, die hoger op de helling dichter werden, de bloemen die overal uit de grond schoten… Nihal zakt met haar fototoestel in haar hand op haar knieën voor een veld vergeet-mij-nietjes, brengt haar bovenlijf naar voren, weer naar achteren, houdt dan stil en duwt met haar vingertop op het knopje om af te drukken, zakt als ze klaar is nog verder door haar knieën, op haar hielen, haar camera tegen haar buik geduwd en blijft zo een tijdje zitten. Staat dan op en gaat naar een schaapskudde die de helling afloopt, laat de hond, een beest dat tot haar middel reikt, aan haar hand snuffelen, glimlacht naar de herder, die voort wandelt met een transistorradio om zijn nek, als een lange jurk met split deelt de kudde zich precies vóór Nihal in tweeën. Ze draait zich om en kijkt naar de hond, die de over de helling uitgewaaierde kudde achterna loopt, daalt dan af naar de oever van de beek, trekt haar schoenen en sokken uit. Ze stroopt haar broekspijpen op, waadt een stukje door het water. Maakt een foto van een met mos overdekt rotsblok. Stapt in het licht dat door het riet gefilterd wordt, draait zich plotseling naar ons om, schreeuwt fluisterend tussen de bladeren van de boom die tussen ons in staat: ‘Een schildpad!’, ze is zoals ze is! Jij en ik zeggen helemaal niks, verroeren geen vin, Çetin. Dit is een schilderij namelijk, een opvoering, wij kijken toe. [...]

Fragment uit: Barış Bıçakçı, Radeloos als we waren. (Roman). Amsterdam: Uitgeverij Leesmagazijn, 2015. Uit het Turks vertaald door Hanneke van der Heijden. Oorspronkelijke titel: Bizim büyük çaresizliğimiz (Istanbul, 2004).

 

 

Yaşar Kemal in De Groene Amsterdammer: in memoriam

Onderstaand in memoriam schreef ik voor De Groene Amsterdammer van 11 maart 2015.

Anna Karenina, Robinson Crusoe, Alice: sommige romanpersonages hebben zo’n sterk karakter, appelleren aan zoiets specifieks bij de lezers, dat ze haast loskomen van hun schrijvers. Als er in de Turkse literatuur één personage is voor wie dat geldt, dan is dat Kleine Memed. Op 28 februari stierf zijn bedenker, Yaşar Kemal, 91 jaar oud. Maar op de begrafenis in Istanbul, waar sommige lezers met Kemals boek in de hand in de menigte stonden, verzekerden spandoeken en slogans dat zijn personage springlevend is, al was het maar in hun hart.

Memed is de hoofdpersoon van Kemals gelijknamige debuutroman, die uitkwam in 1953. Het boek vertelt het verhaal van een dorpsjongen uit Çukurova, een vruchtbare streek in Zuid-Turkije, die in opstand komt tegen grootgrondbezitter Abdi en zich aansluit bij een roversbende. Yaşar Kemal, het pseudoniem van Kemal Sadık Gökçeli, geeft een realistische beschrijving van het zware leven van de landarbeiders vóór de mechanisatie van de landbouw, en van de grandioze natuur waarin ze leven. Die twee elementen combineert hij met het fictieve verhaal van rovers die niets anders overblijft dan zelf het recht in handen te nemen. Het is het verhaal van ‘gedwongen mensen’, in Kemals woorden, zoals hij na Memed nog vele gedwongen mensen zou beschrijven, in romans en reportages.

De roman beleefde druk na druk, het boek groeide uit tot een serie – Yaşar Kemal hield van lijvige boeken en grote reeksen, zoals hij ook in gesprekken een niet te stuiten waterval van verhalen was. En hoewel Memed ook in het vierde en laatste deel nog steeds zijn fictieve leven leidt, doken er een aantal jaren geleden in de Turkse pers mensen op die volhielden dat de bandiet gestorven was, zijn graf gevonden, dat hij kortom echt had bestaan.

Die hardnekkige geruchten laten zien hoe goed Kemal erin is geslaagd een sage te creëren. Hij wist wat hij deed: hij was ook in Çukurova geboren, hij had jarenlang tussen de dagloners en arbeiders gewerkt. Hij sprak de volkstaal, kende de sages die rondtrekkende troubadours declameerden, had de betovering gevoeld die ervan uitging. Sterker nog, hij was zelf als troubadour te voet langs de dorpen getrokken, vele kilometers door de bergen, om met zijn verhalen het vertrouwen van de mensen te wekken en in ruil voor zijn sagen hun rouwzangen op te tekenen.

De orale tradities hebben Kemals boeken blijvend beïnvloed, in zijn onderwerpen, in zijn taalgebruik, en in de kritiek die hij verwoordt. Dankzij zijn grote psychologische inzicht slaagde hij erin om tegelijkertijd een Anatolische en een universele schrijver te zijn. Jarenlang was hij Turkijes kandidaat voor de Nobelprijs voor de literatuur. Kleine Memed is een van meest vertaalde Turkse boeken. In veel landen, ook in Nederland, begint de Turkse literatuur met Yaşar Kemal.

In Turkije groeide Kleine Memed uit tot een symbool voor de strijd tegen onrecht. Een strijd die ook zijn bedenker voerde, met andere middelen maar met dezelfde daadkracht en volharding. Vanwege de politieke actualiteit spreken de Turkse kranten nu, net na Kemals dood, vooral over zijn inspanningen voor vrede in het Koerdische zuidoosten van Turkije. Toen op de afscheidsbijeenkomst meteen na de begrafenis werd gememoreerd dat de auteur Sait Faik zijn vriend Kemal ooit ‘de meest Koerdische Turk, de meest Turkse Koerd’ had genoemd, barstte een luid applaus los. Maar Kemal, die van Koerdische afkomst was, hield zich niet alleen met de Koerdische kwestie bezig. Als bestuurslid van de arbeiderspartij zette hij zich jarenlang in voor de arbeidersbeweging, als voorzitter van PEN voor de vrijheid van meningsuiting. Hij schreef uitvoerige reportages over mensen die uit pure armoede in grotten leven of levensgevaarlijk smokkelwerk verrichten. Hij bemiddelde voor honger stakende politieke gevangenen. Hij riep op tot het behoud van de natuur. Dat alles zonder het hoofd te buigen voor dreigementen noch voor de rechtszaken waarmee hij van zijn zeventiende tot zijn tweeënzeventigste te maken kreeg. Een van zijn laatste boeken was een verzameling teksten en toespraken waarin hij oproept tot vrede, democratie en mensenrechten. ‘Dit is een oproep,’ schrijft hij in het voorwoord. ‘Ik heb het tegen u.’

Yaşar Kemal was niet alleen een bekende, maar ook een geliefde schrijver. Dat is een zeldzame combinatie in Turkije. Die populariteit dankte hij aan zijn literaire werk, aan de vele romans die hij na Kleine Memed schreef, en evenzeer aan zijn politieke opstelling. Zoals hij in zijn romans het leven in Anatolië vertelde, niet kleinerend, niet verhullend, niet idealiserend, zo bleef hij zijn leven lang trouw aan zijn geweten. Als je hem op foto’s ziet, een rijzige gestalte met brede armgebaren, is het niet moeilijk voor te stellen hoe hij jarenlang boerenruzies beslechtte over wie aan de beurt was voor de irrigatie van zijn velden. Die gewetensvolle houding lijkt te maken te hebben met de moord op zijn vader, zelf was hij nog een kind toen het gebeurde. De precieze motieven voor die bloedwraak heeft hij nooit begrepen, vertelde hij. ‘Maar ik weet wel dat als je diep genoeg in jezelf kijkt, je zowel een moordenaar als een held kunt zien. Als je dat weet is het moeilijk om iemand te vinden die je nooit kunt vergeven.’

‘Kleine Memeds zijn onsterfelijk’ scandeerden bezoekers tijdens zijn begrafenis. En: ‘De sage is nog niet voltooid, het volk schrijft het einde’. Nu er in Turkije grote maatschappelijke onrust heerst, er verdenkingen van grootschalige fraude zijn geuit tegen politici, en de inkomensverschillen steeds groter worden, hebben Memed en Abdi een nieuwe invulling gekregen. Maar de menselijkheid van hun schepper wordt nu al gemist.

 

Een Nederlandse vertaling van Yaşar Kemals debuutroman verscheen in 1963 onder de titel Memed, door A.J.Richel vertaald uit het Engels. Margreet Dorleijn maakte in 2014 een nieuwe vertaling rechtstreeks uit het Turks. Kleine Memed verscheen net als andere boeken van Yaşar Kemal bij uitgeverij De Geus.

 

Tanpınars roman ‘Het klokkengelijkzetinstituut’ vertaald in het Italiaans

Na het Duits, Frans, Bosnisch, Macedonisch, Pools, Albaans, Kroatisch, Servisch, Georgisch, Hebreeuws, Bulgaars, Roemeens, Azeri, Arabisch, Nederlands, Spaans, Engels en nog zo’n twintig talen is de roman Saatleri Ayarlama Enstitüsü (‘Het klokkengelijkzetinstituut’) van Ahmet Hamdi Tanpınar nu ook vertaald in het Italiaans. Voor wie in Istanbul is: Tanpınars vertaler, Fabio Salomoni, wordt ter gelegenheid van de publicatie op woensdag 11 februari om 19.00 uur geïnterviewd in het Italiaans cultureel centrum. Voor meer informatie, zie de website van het instituut.

Enkele omslagen van vertalingen van Tanpınars roman (voor meer voorbeelden, klik hier):

 

 

 

 

 

 

 

Voor een fragment uit de Nederlandse vertaling, klik hier.