Yaşar Kemal – Toen de tractor naar Turkije kwam (reportage)

Waarom zo nodig naar de heuvels bij Eyüp, waar ik heg noch steg ken, terwijl er zoveel andere plaatsen zijn waar ik heen had gekund, Zeytinburnu bijvoorbeeld, of al die heuvels waar migranten uit de rest van het land wonen, de heuvels van zat ik hier maar niet, Çeliktepe, Kartal, de hellingen van Yakacık?

Ze zijn om allerlei verschillende redenen uit hun dorpen weggetrokken. Er komen steeds meer kinderen, er is niet genoeg grond voor iedereen, de koffers worden gepakt. Het heeft dat jaar te weinig geregend, ze hebben niks meer te eten, de koffers worden gepakt. Wil het drie jaar achtereen nauwelijks regenen, dan valt er in zo’n dorp niet te leven.

En dan is er een die wegtrok vanwege de tractor. Het is al een tijd geleden dat de tractor zijn intree in de dorpen heeft gedaan, dat de landheren die een tractor wisten te bemachtigen hun landarbeiders wegstuurden. Ik ben onderweg naar een familie die precies vanwege zo’n tractor zijn grond heeft moeten verlaten. Ik heb hun adres, maar het vinden van hun huis is een tweede. Uit die armenwijken vol provisorisch gebouwde huisjes is geen wijs te worden. Een wirwar van straten. Over hellingen en heuvels uitgespreid. Aan iedereen die ik tegenkom vraag ik waar Mustafa Kulaksız woont.

‘Mustafa Kulaksız. Hij moet hier ergens wonen. Hij komt uit een dorp in de buurt van Diyarbakır.’

‘Mustafa Kulaksız? Die ken ik niet, nooit van gehoord. Bij ons in de wijk komt trouwens niemand uit Diyarbakır. Die wonen ergens anders.’

‘Waar?’

‘Ergens anders.’

Daar sta ik dan.

‘Is er hier misschien iemand die Mustafa Kulaksız kent, heb jij hem wel eens gezien?’

‘Nooit van gehoord. Nee, nooit gezien… Kom je ook uit die streek soms?’

‘Nee.’

‘Waarom moet je hem dan hebben? Heb je werk voor hem?’

‘Nee.’

‘Geen idee.’

Zoekend en vragend beland ik in de armenwijken achter Eyüp. De wereld van de minaretten, de Gouden Hoorn, de begraafplaatsen ligt ver achter me. Hier begint de wereld van de blikken huizen. Na de marmeren paleizen waarin de doden begraven liggen komen de belabberde eenkamerhuizen van de levenden. Nee, eenkamerhuis is eigenlijk te veel gezegd, hokken, dat zijn het.

In de deuropening zit een vrouw. Het hoofd op haar knieën. Als ze me aan hoort komen kijkt ze op. Van binnen komt de stank van verbrande wol. Daarna ruik ik warme melk. Zo gaat het altijd in het oosten van Anatolië: je slaat tegen de vlakte van de lucht van verbrande wol, de lucht van gekookte melk, de lucht van penetrante mest.

‘Woont Mustafa Kulaksız hier?’

‘Daar woont die, daar zo,’ zegt ze. ‘Waarom moet je hem eigenlijk hebben?’

‘Ik kom hem opzoeken.’

‘Kom je bij hem uit de streek?’

‘Nee.’

‘Heb je werk voor hem?’

‘Nee.’

Ze kijkt me bevreemd aan.

‘Halo Mısto bedoel je toch?’ vroeg ze nog eens. ‘Zo noemen we hem hier.’

‘Ja, die ja.’

‘Daar zo, dat is zijn huis.’

In de verte zie ik een krakkemikkig kot, aan één kant vol gaten, scheefgezakt, het blikken dak verroest en in stukken.

‘Dat daar?’

‘Ja daar…’

Voor de deur zit een vrouw wol te spinnen. Ze is oud. Om haar hoofd heeft ze een rafelige doek, de randjes geborduurd. Bonte kleuren. Ze heeft een smalle, spitse neus. Ze trilt. Donkere ogen. Alles aan haar is donker. De zorgen zijn haar aan te zien. Haar voorhoofd, haar kin, haar wangen zijn gegroefd.

‘Woont Mustafa Kulaksız soms hier?’

Ze staat op, vouwt haar handen.

‘Ja, die woont hier,’ zegt ze beleefd. Ze schiet naar binnen, komt terug met een gammele stoel.

‘Ga zitten, jongen. Welkom. Hoe gaat het ermee? Hoe maken je vrouw en kinderen het? Welkom. Kom je uit dezelfde streek als Mısto? Hij is zo weer terug. Hij is beneden gras aan het plukken. Voor de kachel. Iets anders is er niet. Och ons dorp. Och jongen… Kom je uit hetzelfde dorp als Mısto? Kom je bij ons uit de streek? Hoe zou het daar nu zijn. Staat het gras al op de weilanden? Is de sneeuw in de bergen al gesmolten, jongen? Mekkeren de lila lammeren? Hoe lang duurt het nog voor het lentefeest begint? Zijn de mensen, de beesten de velden, de bergen en de dalen in getrokken? Zien de vlaktes geel van de bloemen? Kun je onze aarde al weer ruiken?’

‘Ik kom zo goed als uit dezelfde streek,’ zeg ik. ‘Het is een tijdje terug dat ik bij jullie dorp in de buurt was, maar het duurt nog even voor het lentefeest begint. De gele bloemen hebben hun rokken nog niet gespreid. De lila lammeren uit de liederen mekkeren nog niet. Ik bezing de problemen van wie huis en haard heeft moeten verlaten.’

‘Je bent een troubadour dus,’ zegt ze. ‘Maar waar is je saz?’

‘Zoiets, maar ik maak geen muziek. Ik bezing ze op papier.’

Ze blijft een tijd stil, denkt na.

‘Schrijf maar op, jongen,’ zegt ze, ‘schrijf in godsnaam maar op. Maar schrijf het in een groot schrift, want aan mijn problemen komt geen eind. En schrijf het goed op.’

Naast haar ligt een half afgebreide sok met ingewikkelde patronen, de pennen steken erin.

‘Mısto heeft geen werk, jongen. Soms vindt hij wat voor een maand of drie, dan zit hij weer vijf maanden zonder. Mısto is al met al een oude man geworden. Erg oud. Mısto kent de taal van de grote stad niet. Jonge kerels zijn zo gewend. Mısto niet, die kan niet wennen. Ach Mısto toch, een beer van een kerel was het, nu lijkt hij wel een wijf. Ik ben begonnen sokken te breien, jongen, sokken met mooie patronen, om een lichtpuntje te hebben, om Mısto te helpen, want hier zien ze hem niet staan. Nee, dan bij ons in de streek, daar deden ze een moord voor sokken van Zare. De landheer, Resul, betaalde er grif een gouden munt voor. Ik brei ze met zulke mooie, zulke schitterende patronen, je weet niet wat je ziet, maar niemand die ernaar kijkt. Maar bij ons in het dorp, als ik daar sokken had gebreid ging het nieuws als een lopend vuurtje rond. Je had er die er een os voor gaven. Drie maanden deed ik over een sok, ik breide ze met allerlei patronen, uit een sprookje leken ze. Ach jongen. We moesten wel verdomme, we waren gedwongen.’

Het huilen staat Zare nader dan het lachen. Lange vingers heeft ze, slanke, ranke polsen, op haar handen kun je de sporen nog zien van heel oude henna.

‘Denk je dat er hier ook maar iemand is die me kent? Ze kijken je scheef aan, ze weten niet wat van je te denken. We moesten wel verdomme, we waren gedwongen…’

Zare staat op het punt in tranen uit te barsten. Wat te doen? Ik moet haar af zien te leiden. Kwam Halo Mısto nou maar.

‘Waar blijft die Mısto toch?’

‘Niet weggaan hoor jongen, Mısto komt zo. Mısto houdt van bezoek. Het is al een tijd geleden, al zo’n tijd geleden dat er iemand op bezoek kwam. Mısto snakt naar bezoek. Jongen, blijf tot Mısto er is. Hij doet me wat aan als ik hem moet zeggen dat je op bezoek bent geweest, dat ik je heb laten gaan. Wacht, dan zet ik thee voor je. Sterke thee, zoals bij ons in de streek. Welkom. Als ik je zwarte ogen zie, moet ik aan ons dorp denken. Dankzij jou hebben we ons dorp nu hier. Ik ben zo blij dat je er bent.’

Ik kan me niet langer inhouden en stel haar de vraag die ik voor Mısto had bewaard.

‘We moesten wel verdomme, we waren gedwongen,’ begint ze. En eenmaal begonnen, kan ze niet meer ophouden. ‘Je moet weten, dat jaar gebeurde er een ramp, een tractor of hoe heet zo’n ding, de landheer kocht er dat jaar twee. Een blauwe en een rode. Een hitte dat er af kwam. Die zwarte ogen van je, ik ben toch zo blij dat je er bent. Toen die tractors er eenmaal waren riep de landheer alle arbeiders bij zich. Nou mensen, zei hij, tabee. Jullie zijn niet meer nodig. Mısto ging pal voor zijn neus staan. Vroeger was het een hele andere, een beer van een kerel was het, voor de duvel niet bang. Een leven ver van huis en haard, dat heeft Mısto klein gekregen, jongen. Zeg, zei Mısto tegen de landheer, met wat voor recht denk je ons van onze grond te verjagen? De landheer moest lachen. Hebben wij soms niet op deze grond gezwoegd? zei Mısto. Dat klopt beste man, zei de landheer tegen Mısto, je hebt hier gewerkt maar nu hebben we een tractor. Ik heb jullie niet meer nodig. Ik ga niet weg van mijn grond, zei Mısto. Goed dan, zei de landheer op het eind, dit jaar kun je blijven. Een jaar ging voorbij. Vooruit makker, zei de landheer toen, wegwezen nu. Je zoekt maar een oplossing. Mısto hield voet bij stuk, hij weigerde te vertrekken. Toen kwam de tractor om het land te ploegen. Mısto ging ervoor liggen. De landheer beval dat ding over Mısto heen te rijden. Maar de jongen achter het stuur was iemand met een goed hart. Toen hij bij Mısto kwam hield hij halt. Jongen, zei Mısto, je hebt een veel groter hart dan de landheer. Dertig jaar heb ik voor hem gewerkt. En nu zou hij die tractor zo over me heen laten rijden. Toen zijn we gegaan.

‘Eerst naar Adana. Daar waren mensen die we nog kenden uit onze streek. Als dagloners werkten we op het veld. Een hitte. Zo heet als het daar is jongen. Een oven is er niks bij. We hielden het niet vol. Van ons hele hebben en houden, en ook van ons geld was zo goed als niks meer over. Mısto, zei iemand uit onze streek, Mısto, hier zitten we tussen de anderen die bij ons vandaan komen, hier kunnen we niet als kruier werken, dat geeft geen pas. Maar Istanbul is groot.

‘Niemand die ons daar kent. We gaan er heen en zoeken werk als kruier. Maar toen we hier eenmaal stonden hadden we nog geen dak boven ons hoofd. Een huis huren kostte honderdvijftig lira. We huurden er een. Toen hadden we geen rooie cent meer. Er zit niks anders op, zeiden ze, we moeten zelf provisorisch iets bouwen. Mısto werkte, en ik werkte ook. Met het geld dat we verdienden hebben we in de loop van de tijd drie keer zo’n hutje gebouwd, alle drie zijn ze gesloopt. Dit is het vierde, nu zijn we op. Mısto is oud geworden… Ach jongen, als we in het dorp zaten, hoefde ik maar een sok in de maand te breien om een gouden munt te verdienen. Maar hier, wat weten ze hier nou van gebreide sokken, nergens weten ze wat van…’

In de verte verschijnt Mısto, op zijn rug wat plukken gras, een paar vergane planken, een stuk oud blik. Een grote oude man, zijn rug gekromd, zijn baard, zijn haren wit.

Blij springt Zare op.

‘Bezoek,’ zegt ze. ‘Deze man is bij ons op bezoek. En hij komt bij ons uit de streek. De hele dag heeft hij lopen zoeken, iedereen heeft hij gevraagd waar Mısto woont.’

Mısto omhelst me, zijn ogen zijn vochtig.

‘Welkom, beste jongen. Wat een eer dat je ons opzoekt. Wat een eer dat je komt kijken… Hoe is het bij ons in de streek? Staan de rozen al in bloei? Begint het lentefeest binnenkort? Zijn de tulpen, de hyacinten uitgekomen? Zingt Haso zijn liederen? Speelt Sofi op zijn rietfluit? Welkom beste man. Wat een eer dat je komt kijken…’

‘Graag gedaan,’ antwoord ik.

‘Bezoek, da’s al zo’n tijd geleden…’

 

Eerder verschenen in digitale reader #5 van 360 Magazine. Oorspronkelijke titel: Traktör yüzünden. Afgedrukt in: Yaşar Kemal, Röportaj Yazarlığında 60 Yıl. İstanbul: Yapı Kredi Yayınları, 2011. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden.

 

Toen de tractor naar Turkije kwam – Reportage van Yaşar Kemal

Op 28 februari stierf in Istanbul de schrijver Yaşar Kemal (1923-2015). Jarenlang was hij Turkijes kandidaat voor de Nobelprijs voor de literatuur. Zijn debuutroman, Kleine Memed, is een van meest en een van de eerst vertaalde Turkse boeken. In veel landen, ook in Nederland, begint de Turkse literatuur met Yaşar Kemal.

Maar behalve fictie schreef Kemal ook journalistieke reportages. Ze verschenen in de periode 1951 – 1963 in het dagblad Cumhuriyet, en maakten indruk door hun levendigheid en sociale betrokkenheid. Voor veel van zijn artikelen bracht Kemal lange tijd door met de mensen waarover hij schreef. Om door te kunnen dringen tot de kern van het verhaal, van de werkelijkheid, moet je met de mensen leven, echt leven, en vergeten dat je slechts als schrijver deel uitmaakt van hun leven, schrijft hij in het voorwoord bij een bundeling van zijn stukken. Daarin verschilt naar zijn mening een reportage van een nieuwsbericht, en daarin komt een reportage overeen met literatuur. Kemal zelf is in de verhalen uitdrukkelijk aanwezig, maar als iemand die voortdurend in gesprek is met zijn omgeving. Zijn reportages staan dan ook vol dialogen – ook in dat opzicht betekenden ze een vernieuwing.

Voor de digitale reader van het tijdschrift 360 Magazine vertaalde ik een van Kemals reportages. Het stuk verscheen oorspronkelijk in februari 1960, en maakte deel uit van een serie over de vele mensen die, om uiteenlopende redenen, hun dorpen op het Anatolische platteland hebben moeten verlaten en in Istanbul een nieuw bestaan proberen op te bouwen. Anderen die in dezelfde omstandigheden verkeerden, kwamen als gastarbeider naar West-Europa.

Het artikel is nu ook hieronder te lezen.

 

Toen de tractor naar Turkije kwam

Waarom zo nodig naar de heuvels bij Eyüp, waar ik heg noch steg ken, terwijl er zoveel andere plaatsen zijn waar ik heen had gekund, Zeytinburnu bijvoorbeeld, of al die heuvels waar migranten uit de rest van het land wonen, de heuvels van zat ik hier maar niet, Çeliktepe, Kartal, de hellingen van Yakacık?

Ze zijn om allerlei verschillende redenen uit hun dorpen weggetrokken. Er komen steeds meer kinderen, er is niet genoeg grond voor iedereen, de koffers worden gepakt. Het heeft dat jaar te weinig geregend, ze hebben niks meer te eten, de koffers worden gepakt. Wil het drie jaar achtereen nauwelijks regenen, dan valt er in zo’n dorp niet te leven.

En dan is er een die wegtrok vanwege de tractor. Het is al een tijd geleden dat de tractor zijn intree in de dorpen heeft gedaan, dat de landheren die een tractor wisten te bemachtigen hun landarbeiders wegstuurden. Ik ben onderweg naar een familie die precies vanwege zo’n tractor zijn grond heeft moeten verlaten. Ik heb hun adres, maar het vinden van hun huis is een tweede. Uit die armenwijken vol provisorisch gebouwde huisjes is geen wijs te worden. Een wirwar van straten. Over hellingen en heuvels uitgespreid. Aan iedereen die ik tegenkom vraag ik waar Mustafa Kulaksız woont.

‘Mustafa Kulaksız. Hij moet hier ergens wonen. Hij komt uit een dorp in de buurt van Diyarbakır.’

‘Mustafa Kulaksız? Die ken ik niet, nooit van gehoord. Bij ons in de wijk komt trouwens niemand uit Diyarbakır. Die wonen ergens anders.’

‘Waar?’

‘Ergens anders.’

Daar sta ik dan.

‘Is er hier misschien iemand die Mustafa Kulaksız kent, heb jij hem wel eens gezien?’

‘Nooit van gehoord. Nee, nooit gezien… Kom je ook uit die streek soms?’

‘Nee.’

‘Waarom moet je hem dan hebben? Heb je werk voor hem?’

‘Nee.’

‘Geen idee.’

Lees verder…

Yaşar Kemal in De Groene Amsterdammer: in memoriam

Onderstaand in memoriam schreef ik voor De Groene Amsterdammer van 11 maart 2015.

Anna Karenina, Robinson Crusoe, Alice: sommige romanpersonages hebben zo’n sterk karakter, appelleren aan zoiets specifieks bij de lezers, dat ze haast loskomen van hun schrijvers. Als er in de Turkse literatuur één personage is voor wie dat geldt, dan is dat Kleine Memed. Op 28 februari stierf zijn bedenker, Yaşar Kemal, 91 jaar oud. Maar op de begrafenis in Istanbul, waar sommige lezers met Kemals boek in de hand in de menigte stonden, verzekerden spandoeken en slogans dat zijn personage springlevend is, al was het maar in hun hart.

Memed is de hoofdpersoon van Kemals gelijknamige debuutroman, die uitkwam in 1953. Het boek vertelt het verhaal van een dorpsjongen uit Çukurova, een vruchtbare streek in Zuid-Turkije, die in opstand komt tegen grootgrondbezitter Abdi en zich aansluit bij een roversbende. Yaşar Kemal, het pseudoniem van Kemal Sadık Gökçeli, geeft een realistische beschrijving van het zware leven van de landarbeiders vóór de mechanisatie van de landbouw, en van de grandioze natuur waarin ze leven. Die twee elementen combineert hij met het fictieve verhaal van rovers die niets anders overblijft dan zelf het recht in handen te nemen. Het is het verhaal van ‘gedwongen mensen’, in Kemals woorden, zoals hij na Memed nog vele gedwongen mensen zou beschrijven, in romans en reportages.

De roman beleefde druk na druk, het boek groeide uit tot een serie – Yaşar Kemal hield van lijvige boeken en grote reeksen, zoals hij ook in gesprekken een niet te stuiten waterval van verhalen was. En hoewel Memed ook in het vierde en laatste deel nog steeds zijn fictieve leven leidt, doken er een aantal jaren geleden in de Turkse pers mensen op die volhielden dat de bandiet gestorven was, zijn graf gevonden, dat hij kortom echt had bestaan.

Die hardnekkige geruchten laten zien hoe goed Kemal erin is geslaagd een sage te creëren. Hij wist wat hij deed: hij was ook in Çukurova geboren, hij had jarenlang tussen de dagloners en arbeiders gewerkt. Hij sprak de volkstaal, kende de sages die rondtrekkende troubadours declameerden, had de betovering gevoeld die ervan uitging. Sterker nog, hij was zelf als troubadour te voet langs de dorpen getrokken, vele kilometers door de bergen, om met zijn verhalen het vertrouwen van de mensen te wekken en in ruil voor zijn sagen hun rouwzangen op te tekenen.

De orale tradities hebben Kemals boeken blijvend beïnvloed, in zijn onderwerpen, in zijn taalgebruik, en in de kritiek die hij verwoordt. Dankzij zijn grote psychologische inzicht slaagde hij erin om tegelijkertijd een Anatolische en een universele schrijver te zijn. Jarenlang was hij Turkijes kandidaat voor de Nobelprijs voor de literatuur. Kleine Memed is een van meest vertaalde Turkse boeken. In veel landen, ook in Nederland, begint de Turkse literatuur met Yaşar Kemal.

In Turkije groeide Kleine Memed uit tot een symbool voor de strijd tegen onrecht. Een strijd die ook zijn bedenker voerde, met andere middelen maar met dezelfde daadkracht en volharding. Vanwege de politieke actualiteit spreken de Turkse kranten nu, net na Kemals dood, vooral over zijn inspanningen voor vrede in het Koerdische zuidoosten van Turkije. Toen op de afscheidsbijeenkomst meteen na de begrafenis werd gememoreerd dat de auteur Sait Faik zijn vriend Kemal ooit ‘de meest Koerdische Turk, de meest Turkse Koerd’ had genoemd, barstte een luid applaus los. Maar Kemal, die van Koerdische afkomst was, hield zich niet alleen met de Koerdische kwestie bezig. Als bestuurslid van de arbeiderspartij zette hij zich jarenlang in voor de arbeidersbeweging, als voorzitter van PEN voor de vrijheid van meningsuiting. Hij schreef uitvoerige reportages over mensen die uit pure armoede in grotten leven of levensgevaarlijk smokkelwerk verrichten. Hij bemiddelde voor honger stakende politieke gevangenen. Hij riep op tot het behoud van de natuur. Dat alles zonder het hoofd te buigen voor dreigementen noch voor de rechtszaken waarmee hij van zijn zeventiende tot zijn tweeënzeventigste te maken kreeg. Een van zijn laatste boeken was een verzameling teksten en toespraken waarin hij oproept tot vrede, democratie en mensenrechten. ‘Dit is een oproep,’ schrijft hij in het voorwoord. ‘Ik heb het tegen u.’

Yaşar Kemal was niet alleen een bekende, maar ook een geliefde schrijver. Dat is een zeldzame combinatie in Turkije. Die populariteit dankte hij aan zijn literaire werk, aan de vele romans die hij na Kleine Memed schreef, en evenzeer aan zijn politieke opstelling. Zoals hij in zijn romans het leven in Anatolië vertelde, niet kleinerend, niet verhullend, niet idealiserend, zo bleef hij zijn leven lang trouw aan zijn geweten. Als je hem op foto’s ziet, een rijzige gestalte met brede armgebaren, is het niet moeilijk voor te stellen hoe hij jarenlang boerenruzies beslechtte over wie aan de beurt was voor de irrigatie van zijn velden. Die gewetensvolle houding lijkt te maken te hebben met de moord op zijn vader, zelf was hij nog een kind toen het gebeurde. De precieze motieven voor die bloedwraak heeft hij nooit begrepen, vertelde hij. ‘Maar ik weet wel dat als je diep genoeg in jezelf kijkt, je zowel een moordenaar als een held kunt zien. Als je dat weet is het moeilijk om iemand te vinden die je nooit kunt vergeven.’

‘Kleine Memeds zijn onsterfelijk’ scandeerden bezoekers tijdens zijn begrafenis. En: ‘De sage is nog niet voltooid, het volk schrijft het einde’. Nu er in Turkije grote maatschappelijke onrust heerst, er verdenkingen van grootschalige fraude zijn geuit tegen politici, en de inkomensverschillen steeds groter worden, hebben Memed en Abdi een nieuwe invulling gekregen. Maar de menselijkheid van hun schepper wordt nu al gemist.

 

Een Nederlandse vertaling van Yaşar Kemals debuutroman verscheen in 1963 onder de titel Memed, door A.J.Richel vertaald uit het Engels. Margreet Dorleijn maakte in 2014 een nieuwe vertaling rechtstreeks uit het Turks. Kleine Memed verscheen net als andere boeken van Yaşar Kemal bij uitgeverij De Geus.

 

Yaşar Kemal in De Groene Amsterdammer

Anna Karenina, Robinson Crusoe, Alice: sommige romanpersonages hebben zo’n sterk karakter, appelleren aan zoiets specifieks bij de lezers, dat ze haast loskomen van hun schrijvers. Als er in de Turkse literatuur één personage is voor wie dat geldt, dan is dat Kleine Memed. Op 28 februari stierf zijn bedenker, Yaşar Kemal, 91 jaar oud. Maar op de begrafenis in Istanbul, waar sommige lezers met Kemals boek in de hand in de menigte stonden, verzekerden spandoeken en slogans dat zijn personage springlevend is, al was het maar in hun hart.

De Turkse schrijver Yaşar Kemal, vaak genoemd als kandidaat voor de Nobelprijs voor de literatuur, overleed vorige week in Istanbul. Hij was niet alleen een bekende, maar ook een geliefde schrijver. Een zeldzame combinatie in Turkije.

Voor De Groene Amsterdammer van deze week schreef ik een in memoriam voor Yaşar Kemal. Het tijdschrift is van 12-18 maart te koop. Het stuk is ook digitaal te lezen, klik hier.

 

‘Verhalen uit Istanbul’ – Het oog van Sait Faik Abasıyanık

Bij de verschijning van Verhalen uit Istanbul, een verzameling van 35 korte verhalen geschreven door een van Turkijes belangrijkste auteurs: Sait Faik Abasıyanık.

Hoe vaak zouden de woorden ‘kijken’, ‘zien’, ‘gadeslaan’ in de verhalen van Sait Faik Abasıyanık voorkomen? Dat vraagt Leylâ Erbil zich af in een essay over het werk van Turkijes beroemdste schrijver van korte verhalen. Zo’n honderdtachtig verhalen liet Sait Faik na toen hij in 1954 stierf, 48 jaar oud. Bijna al die verhalen gaan over Istanbul en de Prinseneilanden. En in bijna al die verhalen wordt gekeken, veel gekeken. Je kunt je afvragen of literatuur mogelijk is zonder te kijken. Waarschijnlijk niet. Maar niet iedere schrijver kijkt naar hetzelfde, ziet dezelfde dingen.

Waar kijkt Sait Faik naar? Niet naar gebouwen, niet naar al die monumenten waar je in Istanbul over struikelt, niet naar de geschiedenis. Sait Faik – zoals hij in Turkije bekend staat – kijkt naar mensen: de mensen die net als hij in Istanbul leven, net als hij in de jaren dertig, veertig, vijftig van de twintigste eeuw. Een roerige tijd, in Turkije en daarbuiten. Maar hoezeer de politieke gebeurtenissen het leven ook kleuren, Sait Faik kijkt niet naar de politici, de economen, de figuren die het voor het zeggen hebben en daarmee ieders blik vangen. Zijn blik zuigt zich juist vast aan de mensen van wie wordt weggekeken.

In een van de verhalen die over de Engelse auteur Bruce Chatwin de ronde doen steekt de schrijver diagonaal een groot plein over, zijn hand voor zich uitgestrekt, voor niets anders oog dan voor iets heel bijzonders dat in zijn handpalm ligt uitgestald: een truffel. Aan die anekdote moest ik vaak denken toen ik Verhalen uit Istanbul vertaalde. Precies zo’n blik heeft Sait Faik, al richt die zich niet op truffels, en ook niet op mensen die truffels eten. Sait Faik kijkt naar een kreeftenvisser die zelf nooit een kreeft heeft geproefd, naar een vrouw die te arm is om haar man te begraven, naar een straatjongen die een liedje zingt voor zijn hond, naar de lelijkste vis van de zee. Naar iedereen die er niet bij hoort, er niet bij wil horen.

Daarbij slaat Sait Faik die mensen, dieren en hun levens niet gade als een afstandelijke reporter, en zijn blik is evenmin meewarig of cynisch. Dat spreekt niet vanzelf: hij was afkomstig uit een gegoede familie. Zijn vader deed zijn best hem het handelsleven in te krijgen, maar zonder succes. Sait Faik koos voor het schrijven. En hij koos partij, maar niet voor de kant waar hij door zijn afkomst toe behoorde.

Er waren meer schrijvers die dat deden, ook in Sait Faiks tijd. Nâzım Hikmet bijvoorbeeld schreef Mensenlandschappen, een soort ‘encyclopedie van beroemdheden’, portretten van ‘arbeiders, boeren en handwerkslieden wier roem nooit doordrong tot buiten de fabrieken, werkplaatsen, dorpen en arbeidersbuurten’. Yaşar Kemal schreef reportages over mensen die uit armoede in grotten wonen of geen andere middelen van bestaan hebben dan smokkel. Maar anders dan zijn tijdgenoten kijkt Sait Faik niet alleen naar de mensen over wie hij schrijft, maar ook naar zijn eigen blik.

Dat onderzoek van zijn eigen blik doet hij bijvoorbeeld in Vier plusjes – wat mij betreft een van de mooiste verhalen uit de bundel. Het verhaal begint met de vraag hoe we op straat bepalen aan wie we de weg vragen: ‘Waarom kiest men al uit die jongeren net ons?’ Het verhaal gaat ook over een fysionomist, over een boot die gemist had moeten worden, over een man met een papiertje met laboratoriumuitslagen en over de reden waarom de verteller zijn schoenen laat poetsen als hem onderweg naar zijn geliefde om een vuurtje wordt gevraagd. Sait Faik houdt net als Bruce Chatwin van details en ongewone, springerige verbanden. Dat maakt zijn verhalen speels, hoe onrechtvaardig de wereld die hij beschrijft vaak ook is.

Het oog van Sait Faik is verbonden met zijn hart, zegt Leylâ Erbil, zelf schrijfster, in haar stuk. ‘Sommige mensen hebben niet alleen een mooi gezicht, mooie ogen, wenkbrauwen, wimpers, schouders en voeten, maar ook een mooie maag, een mooi hart, een mooi middenrif en strottenhoofd,’ schrijft Sait Faik al in 1934, in een van zijn vroegste verhalen. Een schrijver die kijkt met zijn hart, ziet niet alleen de buitenkant, maar ook wat daarachter schuilgaat, van organen tot drijfveren.

Kijken met je hart. Dat klinkt misschien zoetsappig. Of gemakkelijk. Tot je bedenkt hoe vaak er gekeken wordt zonder dat er maar het dunste draadje tussen oog en hart loopt. Kijken met je hart is ook een politieke daad. Het is het allereerste waarmee democratie begint, al wordt dat vaak vergeten.

 

Sait Faik Abasıyanık, Verhalen uit Istanbul. Amsterdam: Podium, 2014. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden. Met een nawoord door Murat Isik.

Binnenkort op deze site en op die van boekhandel Athenaeum in Amsterdam meer over het vertalen van de korte verhalen van Sait Faik Abasıyanık.

 

Vertaalster van het eerste uur Güzin Dino (1910-2013) gestorven

Begin juni werd in Parijs de vertaalster, schrijfster en literatuurwetenschapster Güzin Dino begraven. Dino werd in 1910 in Istanbul geboren, maar woonde meer dan de helft van haar honderddriejarige leven in Frankrijk. Samen met de in 1998 gestorven Münevver Andaç behoorde ze tot de eersten die Turkstalige literatuur in het Frans vertaalden.

De Turkse jaren van Güzin Dino vielen samen met het eind van het Osmaanse Rijk en de roerige beginjaren van de Turkse republiek. Dino, dochter van een bankdirecteur, kleindochter van een journalist en dichter, groeide op in Istanbul, waar ze in de jaren dertig Frans studeerde. In 1942 kreeg ze een aanstelling bij de vakgroep romanistiek als assistente van Erich Auerbach, een vermaard filoloog en literatuurwetenschapper die, verbannen uit Nazi-Duitsland, naar Istanbul was uitgeweken. In 1943 verhuisde ze naar Adana, een stad in Zuid-Turkije, om er te trouwen met de schilder en dichter Abidin Dino. Hij en zijn broer Arif, die eveneens dichtte en schilderde, waren vanwege linkse politieke activiteiten verbannen. Güzin maakte daar, in Çukurova, een gebied waar veel schrijvers en kunstenaars vandaan komen, kennis met Yaşar Kemal, die nog in de rijstbouw werkte maar op het punt stond zijn eerste verhalen te schrijven. Hij zou de Dino’s, met wie hij dik bevriend raakte, later omschrijven als zijn ‘universiteit’.

Lees verder…

Baklava en noten – Hoe Turkse romans fictie worden

Geschreven in samenwerking met Karel Giltay*

 

‘Fictie doet zich graag voor als realiteit’, schrijft Guy Rooryck in zijn bespreking van de Perzische brieven van Montesquieu. (1) Dat is waar. Maar soms ook wordt fictie graag gepresenteerd als realiteit. De Perzische brieven kwamen aan de orde in het kader van het thema van een vorige aflevering van Filter: ‘De enscenering van het vreemde’. (2) Twee van de vier artikelen die onder deze titel waren geschaard bespraken teksten waarin het vreemde onderwerp is van gesprek: een buitenlander bezoekt het land van de auteur en laat in woord en gedrag blijken wat hij van zijn omgeving vindt, terwijl de autochtone personages alle kans krijgen om te reageren op ideeën en opvattingen van de bezoekende buitenstaander. Afhankelijk van de auteur ligt het accent op eigenaardigheden van de buitenlandse cultuur of op die van de eigen samenleving, maar in beide gevallen zijn het vreemde en het eigene elementen in de tekst.

Het kan ook anders. Wat als niet in de fictietekst een ontmoeting tussen culturen beschreven wordt, maar de buitenlandse tekst zelf door het publiek van het ontvangende land (de vertaler, de uitgever, de lezer) als het vreemde wordt beschouwd? Als met andere woorden, de ontmoeting van culturen niet tussen personages in de tekst plaatsvindt, maar daarbuiten, tussen de vertaalde tekst en zijn lezer, als de tekst niet het medium voor het vreemde is, maar het vreemde in hoogsteigen persoon.

Lees verder…

Orhan Pamuk – De andere kleuren. Beschouwingen en een verhaal (fragment)

Orhan Pamuk schrijft niet alleen romans, hij schrijft ook over romans: zijn gedachten bij het lezen van romans van andere auteurs, zijn ideeën over het schrijven van een roman heeft hij door de jaren heen uitgewerkt in artikelen en lezingen.

Een deel van die teksten is verzameld in de bundel De andere kleuren. Beschouwingen en een verhaal. Sommige gaan over bekende romans uit de wereldliteratuur, zoals De broers Karamazov van Dostojevski, Lolita van Nabokov of De vertellingen van duizend-en-één-nacht. In andere beschrijft Pamuk hoe hij het werk van (ook in het Nederlands vertaalde) Turkse auteurs leest: de romans van Yaşar Kemal, Oğuz Atay en Ahmet Hamdi Tanpınar.

Lees verder…

De onbekende reportages van Yaşar Kemal

Vlak vóór het nieuwe jaar werd de schrijver Yaşar Kemal (1926) in het Franse consulaat in Istanbul geridderd tot Grand Officier dans l’Ordre National de la Légion d’Honneur. Het betekende een promotie voor Kemal, het pseudoniem van Kemal Sadık Göğçeli, die in 1983 al was benoemd tot de rang van commandeur. Generaal Georgelin, die Kemal de orde opspeldde, vermeldde in zijn toespraak dat de auteur de op een na hoogste onderscheiding werd toegekend vanwege zijn ‘uitzonderlijke literaire werk en zijn grootmoedige verdediging van de rechten van minderheden, de culturele verscheidenheid en de interculturele dialoog’. Dat was een kwalificatie met een actuele dimensie, nu minderheden in Turkije steeds vaker van zich laten horen, en recentelijk de verhouding tussen de Turkse staat en het Koerdische zuidoosten weer op scherp is komen te staan.

Lees verder…

Schrijven aan de rand van de periferie – De romans van Mehmed Uzun

Duizenden mensen ging op 12 oktober 2007 de straat op in Diyarbakır, de grootste stad in Zuidoost-Turkije, met een overwegend Koerdische bevolking. De aanleiding: de uitvaart van de Koerdische auteur Mehmed Uzun (1953). Nog nooit, begon collega-auteur Yaşar Kemal zijn begrafenistoespraak, is een letterkundige door zo veel mensen uitgeleide gedaan. Uzun genoot een grote populariteit in zijn geboortestreek, hoewel veel van zijn Koerdische lezers zijn werk liever in het Turks lazen en hoewel ‘de schepper van de Koerdische roman’ al bijna dertig jaar als vluchteling in Stockholm woonde en werkte.

In een artikel over Vargas-Llosa, opgenomen in De andere kleuren, beschrijft Orhan Pamuk de typische positie van de zogenoemde derdewereldauteur, een schrijver in de periferie van de wereldliteratuur, een schrijver als de Peruaan Vargas-Llosa, een schrijver als Pamuk zelf. Deze positie, zegt Pamuk, wordt meer dan door de feitelijke plaats waar de auteur zijn literaire werk schrijft bepaald door de psychische afstand die de auteur voelt ten opzichte van de wereldliteratuur. De maatschappelijke problemen in zijn land van herkomst nopen de auteur tot een keuze over zijn relatie tot kunst en politiek, tot nationalisme en universaliteit. Tegelijkertijd verschaft de keur aan nieuwe, originele onderwerpen waar de derdewereldauteur uit kan putten hem al bijna vanzelf een zekere oorspronkelijkheid. Wat geldt voor Orhan Pamuk, geldt voor Mehmed Uzun in het kwadraat: als auteur uit Turkije bevindt hij zich in de periferie van de wereldliteratuur. Als Koerdische schrijver staat hij bovendien ook in het perifere Turkije in de marge. Terwijl hij als balling in Zweden tegelijkertijd nauw in contact is met het centrum van de wereldliteratuur. Het is zijn verhouding tot deze drie respectieve literaire gemeenschappen, de Koerdische, de Turkse en ‘de wereld’, die Uzuns schrijverschap heeft gekleurd. Dat komt het duidelijkst tot uiting in de taal die hij koos voor zijn romans, en in zijn literatuuropvatting.

Lees verder…