Het is moeilijk voor te stellen maar Bodrum, de Turkse badplaats waar ieder jaar tienduizenden toeristen hun vakantie doorbrengen, was tot ver in de twintigste eeuw een ballingoord. Op de plaats waar nu de hotels en resorts zijn neergeplant, stonden nog gewoon bossen. Wegen waren er nauwelijks. De bevolking leefde van de vis en het land. Er was te eten, maar ook niet veel meer dan dat.

Maar misschien was Bodrum ook toen al minder geschikt als ballingoord als de overheid had gedacht. In 1925 arriveert Cevat Şakir Kabaağaçlı (1890-1973), auteur van romans en vooral korte verhalen. Wat bedoeld was als strafmaatregel voor het schrijven van een artikel dat de politieke machthebbers in het verkeerde keelgat schoot, pakte onverwacht heel anders uit: Kabaağaçlı bleek zich in Bodrum als een vis in het water te voelen. De zoon van een pasja, opgeleid in Oxford, getrouwd in Italië, bleef nog vele jaren in het dorp wonen, ook toen zijn ballingschap in 1928 werd opgeheven. Hij legde een tuin aan en ging de zee op. Hij schreef er verhalen en romans over vissers en boeren (een daarvan, over vissers die op een kolkende zee met hun sloep omslaan, staat in Moderne Turkse verhalen). Zijn werk verscheen niet onder zijn eigen naam, maar onder het pseudoniem Halikarnas Balıkçısı, ‘de visser van Halicarnassus’, de naam van de Griekse stad die er ooit lag.

In zijn memoires, Mavi Sürgün (‘Ballingschap in blauw’; 1961), beschrijft Halikarnas Balıkçısı wat zich laat aanzien als een fascinerend leven. Terug van zijn buitenlandse reizen werkt hij in Istanbul als schrijver, vertaler en karikaturist voor verschillende literaire tijdschriften. Het verhaal ‘Hapishanede idama mahkûm olanlar bile bile asılmaya nasıl giderler’ (‘Hoe gaan de terdoodveroordeelden in het volle besef van wat hen te wachten staat naar het schavot’), dat in Resimli Hafta (‘De geïllustreerde week’) verschijnt, komt hem op een arrestatie te staan. Hij wordt overgebracht naar een gevangenis in de nieuwe maar straatarme hoofdstad Ankara en ziet daar Zekeriya Sertel terug, zijn hoofdredacteur, die eveneens is gearresteerd. Sertel wordt uiteindelijk verbannen naar Sinop, een kleine stad aan de Zwarte Zee. Kabaağaçlı wacht een reis van anderhalve maand per trein en te voet naar zijn ballingsoord aan de zuidkust.

Kabaağaçlı’s memoires werden in 1992 door Erden Kıral verfilmd. De regisseur had toen al verschillende verfilmingen van Turkse literaire teksten op zijn naam staan. In 1979 bewerkte hij bijvoorbeeld de roman Bereketli Topraklar Üzerinde (‘Op vruchtbare grond’; 1954/1964) van Orhan Kemal (1914-1970) tot speelfilm. Het verhaal speelt zich af in Çukurova, het gebied rond Adana, dat bekend stond om zijn vruchtbare grond, zijn malariamuggen en zijn feodale structuur. Drie boerenjongens uit Centraal-Anatolië reizen naar de streek op zoek naar werk. Hun zoektocht voert langs de katoenvelden, de rijstfabrieken, de kroegen en bordelen in de stad. Kemal schetst een realistisch beeld van het leven van eenvoudige mensen in een snel veranderende samenleving. De romans die hij over dat thema schreef worden nog steeds bewerkt tot televisieseries.

Mavi Sürgün en Bereketli Topraklar Üzerinde van Erden Kıral zijn te zien op het Eerste Rode Tulp Filmfestival dat van 5-9 juni in de Rotterdamse bioscoop LantarenVenster zal worden gehouden. Ter gelegenheid van het festival zijn beide films gerestaureerd. Kırals meest recente film, Yük (‘De last’), is de openingsfilm van het festival. De regisseur, die in 1983 een Zilveren Beer won op het filmfestival van Berlijn, zal samen met twee van zijn acteurs, Tülin Özen en Tansu Biçer, bij de opening van het festival aanwezig zijn.

Klik hier voor het festivalprogramma.