Nawoord bij ‘De lanterfanter’ – roman van Yusuf Atılgan

Gisteren is bij Uitgeverij Jurgen Maas De lanterfanter verschenen. Voor iedereen die niet bij de presentatie kon zijn of meer wil weten over Yusuf Atılgan en zijn roman, hieronder het nawoord dat ik bij De lanterfanter schreef.

Tekst: Hanneke van der Heijden.

De romankunst wordt door bijvoorbeeld Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk opgevat als de kunst om je in een ander te verplaatsen: om je eigen leven te beschrijven als was het dat van een ander, het leven van een ander als dat van jezelf. Dat is een optimistische opvatting, want ze gaat uit van de vooronderstelling dat begrip van de ander, van zijn leven, zijn gedachten en drijfveren, daadwerkelijk mogelijk is.

Zo’n omschrijving laat goed zien hoe ongewoon het is wat Yusuf Atılgan (1921-1989) in zijn debuut ondernam, want als schepper van C. verplaatst Atılgan zich paradoxaal genoeg in een personage dat zich juist niet in anderen wil of kan verplaatsen, in een man die ervan overtuigd is dat het onmogelijk is je in die mate in een ander in te leven. ‘Ze zouden het toch niet begrijpen,’ zegt C. Het is de allerlaatste zin van de roman, C. doet er verder het zwijgen toe.

Het vraagstuk hoe zich tot ‘de ander’ te verhouden is wat C. op zijn lange wandeltochten het meest bezighoudt. En de stad biedt vele gelegenheden voor confrontaties met ‘de ander’. Zich bewegend tussen de drommen mensen op straat, zijn stappen steeds weer herhalend, beziet C. het moderne stadsleven, ondergaat de werking van de anonieme massa’s, wordt gedwongen in het sociale gewoel zijn plaats als individu te bepalen.

De stad waar Atılgans hoofdpersoon doorheen loopt krijgt net als hijzelf geen naam. Maar de wijken wel, en de routes van C. zijn zo realistisch beschreven dat je ze haast kunt na lopen. Het is dan ook niet moeilijk te achterhalen dat De lanterfanter gesitueerd is in het Istanbul van de jaren vijftig. Met zo’n miljoen inwoners was de stad weliswaar vele malen kleiner dan nu, de massale migratie van het Turkse platteland was nog maar net op gang gekomen, maar ook toen al was Istanbul de grootste stad van het land.

Twee personages van andere Turkse auteurs, die ook in het Nederlandse taalgebied bekend zijn, waren C. in zekere zin voorgegaan. ‘De overbodige man’ in het gelijknamige verhaal van Sait Faik Abasıyanık (1945), een bohemien, die niet werkt en zich geen zorgen hoeft te maken over zijn inkomen, loopt voortdurend door de Istanbulse straten. Gekweld door ennui springt hij uiteindelijk in de golven van de Bosporus. In de roman Sereen (1949) van Ahmet Hamdi Tanpınar loopt Mümtaz een etmaal lang door Istanbul, waarbij de stad hem voortdurend herinnert aan het verleden. Tanpınar, die zelf tot de belangrijkste romanciers in Turkije zou behoren, was een van Atılgans docenten toen die begin jaren veertig in Istanbul Turkse filologie studeerde. In een interview noemde Atılgan zijn colleges later een van zijn belangrijkste ervaringen.

In tegenstelling tot Mümtaz komt C. nauwelijks in de historische wijken van de stad, en om het verleden van zijn land is het hem niet te doen. C. verblijft een zomer lang op een van de Prinseneilanden, ten zuiden van de stad, en gaat naar de Europese oever van de Bosporus. Maar hij loopt vooral door de wijken in het Europese deel van Istanbul waar het mondaine leven zich afspeelt en het moderne leven naar westers model volop tot ontwikkeling komt; wijken als Beyoğlu, Taksim, Harbiye. Het stadsbestuur voerde er in de jaren veertig en vijftig grote stedelijke veranderingen door. Op het Taksimplein werd een modern park aangelegd naar Parijs’ voorbeeld, er werd gebouwd aan een groot, modern theater, er kwamen pleinen en brede lanen voorzien van trottoirs voor de wandelaars.

Zelf woonde Atılgan toen hij halverwege de jaren vijftig zijn debuutroman schreef allesbehalve in een grote, moderne stad. Nadat hij midden jaren veertig een aantal maanden in de gevangenis had gezeten omdat hij communistische propaganda
maakte, verhuisde hij terug naar het dorp waar hij een deel van zijn jeugd had doorgebracht: Hacırahmanlı, een klein plaatsje in de provincie Manisa in Zuidwest-Turkije. In eerste instantie bewerkte hij er het land zelf, later besteedde hij het boerenwerk uit. Hij leidde een tamelijk teruggetrokken leven.

De rurale samenleving – driekwart van de bevolking van Turkije woonde op het platteland – begon in de jaren vijftig radicaal te veranderen. In 1950 had de Democratische Partij, die een grote aanhang had onder de bourgeoisie en op het platteland, de verkiezingen gewonnen. Er ging dan ook veel politieke aandacht uit naar maatregelen om de economische situatie van de middenstand en de boeren te verbeteren, bijvoorbeeld door grootschalige landbouwmechanisatie. De gevolgen hiervan waren enorm. Het leidde onder andere tot massale werkloosheid op het platteland en een migratiegolf naar de grote steden.

Ook de literatuur richtte zich op de ontwikkelingen in de dorpen, het leven op het platteland en de problemen van de boerenbevolking. De roman en het korte verhaal dienden vooral om kritiek te leveren op de ingrijpende politieke ontwikkelingen, het sociaal-realisme voerde de boventoon in de literaire wereld. ‘De ander’ in de literatuur was dan ook niet in de eerste plaats een individu van wie de eigen gedachten, verlangens en conflicten op de voorgrond stonden, maar eerder een representant van een bepaalde sociaaleconomische klasse, waarvan de misstanden moesten worden beschreven.

Voor Atılgan ging het, net als voor een klein groepje andere schrijvers die in de jaren vijftig debuteerden, veel meer om existentiële vraagstukken in de verhouding tot de ander. In zijn dagelijks leven waren de anderen tot 1976 vooral de bewoners van Hacırahmanlı. Als een gestudeerd, belezen man woonde hij in een kleine gemeenschap waar men zich voornamelijk bezighield met het verbouwen van katoen, tabak en druiven. Zijn collega’s uit de stad hadden het bij dergelijke situaties graag over de kloof tussen de intellectueel en het volk. Ook Atılgans eerdere veroordeling voor communistische activiteiten onderscheidde hem van zijn dorpsgenoten. Het communisme was in Turkije nog altijd verboden. Wie veroordeeld was moest zich ook nadat hij zijn straf had uitgezeten nog lange tijd wekelijks op het politiebureau melden, werd in de gaten gehouden en liep met zijn aanwezigheid het risico anderen in gevaar te brengen. Omgekeerd waren er de vooroordelen van de dorpsbewoners tegenover communisten, vertelt Halil Şahan, een van Atılgans vrienden en dorpsgenoten, in het voorwoord bij een pas verschenen bundel met brieven die Atılgan aan Şahan schreef. Atılgan klaagt tegen hem zo nu en dan over zijn intellectuele frustraties. De dorpsbewoners hebben het over Atılgans hoekigheid, zijn afkeer van sociaal wenselijk maar niet gemeend gedrag – in hun ogen blijft hij anders. Maar de politieke bewustwording in het dorp groeide onder invloed van Atılgans aanwezigheid volgens Şahan ook.

Terwijl Atılgans collega-auteurs uit de stad over de dorpen schreven, vaak zonder het dorpsleven van nabij te kennen, en de eerste schrijvers die daadwerkelijk in een dorp woonden het bestaande, romantische beeld van het dorpsleven probeerden te nuanceren, werkte Atılgan in het dorp van zijn jeugd aan een roman die zich afspeelde in de grootste stad van het land. Atılgans tegendraadsheid ging nog verder, want in een tijd waarin het maatschappelijke leven in het teken stond van economische ontwikkeling en productiviteit, debuteerde hij met een roman over een man die niet van zins is de handen uit de mouwen te steken, die zich verzet tegen het keurslijf van een baan, die ingaat tegen de verwachtingen die het gros van Atılgans landgenoten van het leven koesterde.

Zo creëerde hij als een van de eersten in de Turkse literatuur een personage dat zich afzet tegen de maatschappij – en in feite ook tegen de lezer, die natuurlijk evenzeer van de maatschappij deel uitmaakt. Na ‘Ze zouden het toch niet begrijpen’ zwijgt net als C. ook de auteur. Atılgan nam daarmee een heel andere positie in ten opzichte van zijn lezers dan de meesten van zijn collega’s. Tot dan toe gaven auteurs in Turkije de lezer vaak raad, ze voedden hem op, wezen hem de weg. Ze konden in hun fictie kritisch zijn over de maatschappij, maar ze keerden zich er niet van af. Atılgan maakte zich dan ook weinig illusies over het succes van zijn romandebuut.

De recensenten waren inderdaad niet onverdeeld enthousiast over De lanterfanter. Sommigen oordeelden dat de roman ‘totaal losstond van de samenleving’. Lezers van hedendaags Nederlandstalig proza klinkt zo’n kwalificatie misschien tamelijk mild in de oren – hier verschijnen tenslotte al decennialang romans waarin sociaal engagement niet per se de boventoon voert – maar in de Turkse literaire wereld van de jaren vijftig gold een gebrek aan engagement als weinig minder dan een doodzonde.

Hoe zwaar dat sociaal engagement wel woog bleek ook tijdens een vergadering die de juryleden van de Yunus Nadiprijs, een belangrijke prijs voor romans, in 1958 belegden. Atılgans debuut was een van de ingezonden manuscripten. Orhan Kemal, auteur van een groot aantal romans waarin sociale misstanden aan de kaak worden gesteld die vooral de armsten in de samenleving treffen, zei tijdens de juryvergadering: ‘Ik heb De lanterfanter gelezen. Ook een heel aardige roman moet ik zeggen… Er schuilt een romanschrijver in die jongen. Hij heeft goed materiaal in handen… Goed uitgewerkt ook… Dat is wel duidelijk… Maar waar gaat die roman over? Wat voor interpretatie geeft hij? [...] Als ik het boek eenmaal uit heb, wat voor boodschap heb ik dan meegekregen?’

Ook tot Atılgans verbazing kreeg De lanterfanter uiteindelijk toch de tweede prijs. De toekenning bleef desondanks een compromis: in tegenstelling tot de romans die met de eerste en de derde prijs werden bekroond, romans die aansloten bij de sociaal-realistische traditie, werd Atılgans roman niet als feuilleton in een landelijke krant gepubliceerd. Waarschijnlijk vreesde men dat de ongebruikelijke thematiek en stijl te veel zouden afwijken van de smaak van de krantenlezers. In 1959 verscheen de tekst in druk, maar voorlopig werd De lanterfanter vooral een vreemd boek gevonden. Pas veertien jaar later, vlak nadat Atılgan zijn tweede roman had gepubliceerd, kreeg zijn debuut een tweede druk.

In die kleine kring van lezers en auteurs had Atılgans debuut echter een grote invloed. Oğuz Atay was een van de lezers van het eerste uur. In 1971-1972 publiceerde hij zijn debuut, Tutunamayanlar (in het Nederlands verschenen onder de titel Het leven in stukken), een roman die op vele generaties lezers in Turkije een onuitwisbare indruk zou maken. Een van de eerste exemplaren stuurde hij naar Atılgan. De ‘griplozen’, die het onderwerp van Atays roman zijn, zijn een rechtstreekse reactie op de mensen die in De lanterfanter meewarig worden beschreven: mensen die krampachtig op zoek zijn naar houvast.

Pas in de jaren tachtig kreeg Atılgans debuut, net als Atays Het leven in stukken, een veel groter lezerspubliek. De aanvankelijke reserve die veel lezers voor C. hadden gehad veranderde in vereenzelviging. Atılgans personage werd nu gezien als iemand die zich buiten de hypocriete samenleving wist te plaatsen, een vrije geest. De groeiende aandacht en waardering zijn moeilijk los te zien van de maatschappelijke ontwikkelingen in Turkije. Op 12 september 1980 pleegde het leger een staatsgreep. Het schrikbewind zou in de jaren die volgden het politieke en culturele leven lamleggen. In het geapolitiseerde leven nam materialisme geleidelijk de plaats in van politieke ideologieën. In C.’s verzet tegen het maatschappelijke bestel, tegen de leefwijze en verwachtingen van de kleine burgerij, in zijn gevoel van vervreemding, herkenden Atılgans nieuwe lezers een zielsverwant.

De herwaardering voor Atılgans debuut richtte zich daarmee vooral op de antiburgerlijke, existentiële aspecten van de tekst. Atılgan zelf werd echter niet alleen geïnspireerd door filosofen als Husserl en Sartre, maar ook door Freud. Halil Şahan herinnert zich Atılgans bewondering voor de manier waarop Freud veelzeggende details strategisch in zijn teksten gebruikte. Ook Freuds ideeën vormden Atılgans roman.

Verzet dat zo existentieel is roept de vraag op naar het motief daarachter: in hoeverre is het onwil, in hoeverre onmacht? Komen C.’s verzet tegen de anderen en zijn zoektocht naar ware liefde voort uit een drang naar individuele vrijheid of uit een psychologisch trauma? Zijn het de anderen of is hij het zelf?

Dat De lanterfanter zo’n belangrijke plaats bekleedt in de Turkse literatuur komt niet alleen doordat Atılgan met C. een van de eerste Turkse personages schiep dat zich afzet tegen het maatschappelijke bestel, maar ook doordat hij oog had voor de psychologische factoren die een rol spelen in C.’s verzet. Atılgans aandacht voor de verwevenheid van die twee, de buitenwereld van zijn personage en de binnenwereld, ‘de anderen’ en ‘het ik’, voorkomt dat de roman slechts een lofdicht is op het zwarte schaap, of het verzet tegen de kudde verwordt tot machteloze haat.

Na De lanterfanter en zijn tweede roman, Anayurt Oteli (‘Hotel Moederland’), een beklemmend verhaal dat zich afspeelt in een hotel in een provincieplaats, verhuisde Atılgan opnieuw naar Istanbul, waar hij plannen maakte voor een roman die zich zou afspelen in een dorp: Canistan. Het boek zou uiteindelijk postuum verschijnen. Yusuf Atılgan stierf in 1989, voordat hij zijn derde roman had kunnen voltooien. Met drie korte romans en een bundel verhalen, teksten waarvan de stilistische compactheid en de geladen stijl steevast bijdragen aan het gevoel van benauwing en vervreemding, zorgde Atılgan voor een keerpunt in het Turkse literaire proza. Na zijn dood zou de waardering voor zijn werk alleen maar toenemen.

Nawoord door Hanneke van der Heijden. Verschenen in: Yusuf Atılgan, De lanterfanter. Roman. Amsterdam: Uitgeverij Jurgen Maas, 2016. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden. Oorspronkelijke titel: Aylak Adam. Istanbul, 1959.