Nawoord bij ‘Hotel Moederland’ – roman van Yusuf Atılgan

Na De lanterfanter publiceerde Uitgeverij Jurgen Maas in het najaar van 2017 een tweede roman van Yusuf Atılgan. Hieronder het nawoord dat ik bij deze roman schreef. 

 

‘Waren anderen per se nodig?’ peinst Zebercet in zijn fauteuil, nadat een politiecommissaris had moeten grinniken bij het horen van zijn ongebruikelijke naam – Zebercet is Turks voor het mineraal olivijn, maar het zijn meestal meisjes die naar een edelsteen worden vernoemd. De commissaris is niet de eerste die om de klerk van Hotel Moederland lacht; de kleine, magere man is in zijn leven al vaak geplaagd en bespot. Daar zal spoedig een einde aan komen. Vlak na zijn overpeinzing sluit Zebercet zich voorgoed op in zijn hotel.

Zebercets verzuchting lijkt een echo uit De lanterfanter, de roman waarmee Yusuf Atılgan (1921-1989) veertien jaar voor Hotel Moederland debuteerde. Want ook het hoofdpersonage in Atılgans eerste roman, C. wordt hij genoemd, heeft weinig op met anderen. De twee mannen, beiden rond de dertig, beiden alleen, hebben trouwens wel meer overeenkomsten. Allebei zien ze maar één uitweg uit hun eenzaamheid: een vrouw met wie ze geestelijk dan wel lichamelijk een zo sterke nabijheid kunnen ervaren dat die de zinloosheid van hun levens tenietdoet. Beiden hebben even het idee zo’n vrouw te hebben gevonden. Maar de aard van hun verwachtingen maakt desillusie onvermijdelijk, en de levens van de beide mannen nemen vervolgens een totaal andere wending.

De romans De lanterfanter (1959) en Hotel Moederland (1973) zouden de belangrijkste werken worden in het kleine oeuvre van Yusuf Atılgan, dat verder nog een bundel korte verhalen en een kinderboek omvat, waardoor eenzaamheid en vervreemding de hoofdthema’s van zijn oeuvre vormen. Een derde roman bleef onvoltooid.

Maar hoezeer Atılgans twee, in Turkije beroemd geworden, personages in hun werdegang ook op elkaar lijken, in andere opzichten zijn ze elkaars tegenpolen. Het lijkt wel of Atılgan de thema’s eenzaamheid en vervreemding vanuit twee volledig tegengestelde situaties heeft benaderd. Lanterfanter C. is een bohemien, die zich voornamelijk in intellectuele en artistieke kringen begeeft. Hij weigert een baan te nemen, eigenlijk verzet hij zich tegen iedere maatschappelijke verwachting. Als zoon uit een welgestelde familie hoeft hij zich over geld geen zorgen te maken. Een groot deel van zijn tijd brengt hij buiten door, slenterend op straat, waar hij in de stroom van passanten zijn ware liefde hoopt te vinden, ondertussen zijn medemensen gadeslaat, en vol zelfvertrouwen hun gewoontes en hun stereotiepe gedrag becommentarieert. Want C. kijkt neer op wie zich wel iets gelegen laat liggen aan conventies, routines en patronen – en dat is in feite iedereen. Lees verder…

Barış Bıçakçı – Radeloos als we waren (fragment)

Deze maand verscheen bij uitgeverij Leesmagazijn mijn vertaling van een roman van Barış Bıçakçı: Radeloos als we waren. Hieronder een kort fragment uit het boek. Klik hier voor een aankondiging van de roman.

[...] Toen dat jaar de lente aanbrak deed die ons denken aan onze gebreken, aan al die dingen die nooit afgemaakt zouden worden. Halfslachtige wolken, een zon als een spiegelei, een warmte waarvan niet duidelijk was uit welk lichaamsdeel die de kou zou verdrijven. Onze neus, ons hart, onze lendenen soms?

We kochten basilicumplantjes bij het winkelcentrum van de gemeente in Ulus, mijn moeder gaf ons bladeren van twee verschillende geraniums mee (een witte en een rode), die we in theeglaasjes water zetten. We richtten het balkon in, spoten het goed schoon met de tuinslang. Op donderdagavond voetbalden we voortaan op een kunstgrasveld, fantastisch was het dat we een vaste keeper hadden en dat de regels voor ingooi werden toegepast! We gingen geregeld kijken in het Park van de Jeugd en zagen zo hoe de vijver pas na weken weer gevuld was. We brachten een kort bezoek aan de begraafplaats en spreidden ook daar onze hovenierstalenten tentoon. We vroegen ons af waar de mussen opeens gebleven waren die de hele winter in de dode takken van de wilg voor het huiskamerraam herrie hadden zitten maken en heen en weer huppend de kruimels oppikten die we in de vensterbank hadden gestrooid, en sommige weekenden gingen we picknicken op de Işıkberg. Voor de picknick vulden we de kofferruimte van onze automobiel met van alles en nog wat, alleen een impressionistische schilder ontbrak: een laag uitklapbaar picknicktafeltje, drie klapstoeltjes, een paar kussens, een behoorlijk groot vloerkleed (waarop mijn lieve vriend zich op zijn zij zou uitstrekken, het hoofd rustend in zijn rechterhand), een samowar, een porseleinen theepot, een barbecue, een fles petroleum gewikkeld in pakpapier, een stapel oude kranten, een transistorradiootje, een kleine gele plastic bal, een grote blauwe met zwarte strepen, de tas met de hengel (mijn lieve vriend moet en zal in iedere waterplas zijn hengel uitgooien), een triktrakspel met een leren zakje triktrakstenen, een thermosfles en een oude boodschappentas met hengsels van metaalkleurig canvas en gevuld met allerlei keukengerei.

Zo kalm, zo heerlijk als de tijd tussen het bekende geren en geschrans van een picknick voorbijging! Een paar vogels die halsstarrig hetzelfde sprankelende liedje moesten zingen, het vertrouwde geklater van het beekje, het groen van de zilversparren, van de essen, van de dennenbomen, die hoger op de helling dichter werden, de bloemen die overal uit de grond schoten… Nihal zakt met haar fototoestel in haar hand op haar knieën voor een veld vergeet-mij-nietjes, brengt haar bovenlijf naar voren, weer naar achteren, houdt dan stil en duwt met haar vingertop op het knopje om af te drukken, zakt als ze klaar is nog verder door haar knieën, op haar hielen, haar camera tegen haar buik geduwd en blijft zo een tijdje zitten. Staat dan op en gaat naar een schaapskudde die de helling afloopt, laat de hond, een beest dat tot haar middel reikt, aan haar hand snuffelen, glimlacht naar de herder, die voort wandelt met een transistorradio om zijn nek, als een lange jurk met split deelt de kudde zich precies vóór Nihal in tweeën. Ze draait zich om en kijkt naar de hond, die de over de helling uitgewaaierde kudde achterna loopt, daalt dan af naar de oever van de beek, trekt haar schoenen en sokken uit. Ze stroopt haar broekspijpen op, waadt een stukje door het water. Maakt een foto van een met mos overdekt rotsblok. Stapt in het licht dat door het riet gefilterd wordt, draait zich plotseling naar ons om, schreeuwt fluisterend tussen de bladeren van de boom die tussen ons in staat: ‘Een schildpad!’, ze is zoals ze is! Jij en ik zeggen helemaal niks, verroeren geen vin, Çetin. Dit is een schilderij namelijk, een opvoering, wij kijken toe. [...]

Fragment uit: Barış Bıçakçı, Radeloos als we waren. (Roman). Amsterdam: Uitgeverij Leesmagazijn, 2015. Uit het Turks vertaald door Hanneke van der Heijden. Oorspronkelijke titel: Bizim büyük çaresizliğimiz (Istanbul, 2004).

 

 

Net verschenen: roman ‘Radeloos als we waren’ van Barış Bıçakçı

In sommige romans gaat alles met een zekere lichtheid. Er wordt gewandeld over de bevroren vijver van een stadspark, er wordt gerookt, gekletst, er worden letters in de lucht geschreven. En zelfs een tas die als een onheilsbode bij de kapstok neerploft lijkt nauwelijks de grond te raken.

In Radeloos als we waren beschrijft Ender de dagen van hem en Çetin in zo’n lichtheid. Sinds hun middelbare schooltijd zijn ze bevriend, nu zijn ze halverwege hun leven en delen eindelijk een huis. Niet dat alles zo eenvoudig gaat als het lijkt. Ze wonen er nog maar net, of de jonge studente Nihal trekt bij hen in. Daar zitten ze, Ender en Çetin, de een met een buikje, de ander met een kale kop, twee mannen die elkaar innig liefhebben en worstelen met het leven en ouder worden.

Barış Bıçakçı (Adana, 1966) schreef de roman Bizim büyük çaresizliğimiz in 2004. Mijn vertaling, Radeloos als we waren, is net verschenen bij uitgeverij Leesmagazijn. Een bijzondere roman, die zich bovendien nu eens niet in Istanbul maar in Ankara afspeelt.

Klik hier voor een kort fragment uit de roman.