‘Radeloos als we waren’ tijdens de Vertalersgeluktournee (9, 11 en 20 mei 2016, Nijmegen en Amsterdam)

In april en mei trekt de Vertalersgeluktournee weer door Nederland. Welke keuzes maakt een vertaler? Voor welke dilemma’s komt zij (of hij) te staan? Wat maakt het vertalersvak zo mooi?

In een aantal boekhandels verspreid door Nederland spreken vertalers over hun vak en over het boek dat ze recentelijk vertaalden. De boeken die aan de orde komen zijn alle genomineerd voor de Europese Literatuurprijs 2016.

Radeloos als we waren van de Turkse auteur Barış Bıçakçı is een van de genomineerden voor deze prijs. Op 9, 11 en 20 mei zal ik in boekhandels in Amsterdam en Nijmegen iets over mijn vertaling van deze roman vertellen.

Het programma van deze drie avonden is als volgt:

 

maandag 9 mei 2016, 19u30: Boekhandel van Rossum in Amsterdam
● Hanneke van der Heijden over Radeloos als we waren van Barış Bıçakçı (uit het Turks, Leesmagazijn)
● Liesbeth van Nes over Een heel leven van Robert Seethaler (uit het Duits, De Bezige Bij)
● Harm Damsma en Niek Miedema over Het boek van wonderlijke nieuwe dingen van Michel Faber (uit het Engels, Podium)
● Interactieve entr’acte door Vertaalkriebels, netwerk voor jonge vertalers
Moderatoren: Joost Baars & Frieda Jacobowitz

 

woensdag 11 mei 2016, 19u30: Boekhandel Dekker van de Vegt in Nijmegen
● Martin de Haan over Onderworpen van Michel Houellebecq (uit het Frans, Arbeiderspers)
● Manon Smits over De Jonge Bruid van Alessandro Baricco (uit het Italiaans, De Bezige Bij)
● Hanneke van der Heijden over Radeloos als we waren van Barış Bıçakçı (uit het Turks, Leesmagazijn)

 

vrijdag 20 mei 2016, 20u: Boekhandel van Pampus in Amsterdam
● Hanneke van der Heijden over Radeloos als we waren van Barış Bıçakçı (uit het Turks, Leesmagazijn)
● Sophie Kuiper over Waar vier wegen samenkomen van Tommi Kinnunen (uit het Fins, Prometheus)
● Marianne Molenaar over Vrouw van Karl Ove Knausgård (uit het Noors, De Geus)
● Interactieve entr’acte door Vertaalkriebels, netwerk voor jonge vertalers
Moderator: Coen Verbraak (ov)

Toegang is vrij.

Klik hier voor een overzicht van alle avonden tijdens de Vertalersgeluktournee.

 

‘Radeloos als we waren’ tijdens de Vertalersgeluktournee (9, 11 en 20 mei 2016, Nijmegen en Amsterdam)

In april en mei trekt de Vertalersgeluktournee weer door Nederland. Welke keuzes maakt een vertaler? Voor welke dilemma’s komt zij (of hij) te staan? Wat maakt het vertalersvak zo mooi?

In een aantal boekhandels verspreid door Nederland spreken vertalers over hun vak en over het boek dat ze recentelijk vertaalden. De boeken die aan de orde komen zijn alle genomineerd voor de Europese Literatuurprijs 2016.

Radeloos als we waren van de Turkse auteur Barış Bıçakçı is een van de genomineerden voor deze prijs. Op 9, 11 en 20 mei zal ik in boekhandels in Amsterdam en Nijmegen iets over mijn vertaling van deze roman vertellen.

Het programma van deze drie avonden is als volgt: Lees verder…

De Droste-vertaler. Over het vertalen van ‘Radeloos als we waren’ van Barış Bıçakçı

De roman Radeloos als we waren van Barış Bıçakçı is genomineerd voor de Europese Literatuurprijs. Naar aanleiding van de nominatie vroeg boekhandel Athenaeum in Amsterdam me iets te schrijven over de vertaling van de roman. Onderstaand stuk is ook op de website van de boekhandel gepubliceerd. Hier is een fragment uit de roman te lezen. 

 

Een vertaler vertalen

Waarom, vraag je je soms af, zijn er toch zo weinig romanpersonages die vertalen? Universiteitsdocenten, reizigers, artsen, journalisten, rijke nietsdoeners, arme werklozen, daarvan zijn in romans genoeg voorbeelden te vinden. Zelfs over schrijvers schrijven schrijvers graag. Maar hoofdpersonen die vertalen? 

Dat een vertaler een vertaler vertaalt is dan ook een zeldzaamheid. Als vertaler van Turks proza heb ik me de afgelopen jaren ingeleefd in een middeleeuwse miniatuurschilder aan het Osmaanse hof, in een gemeenteambtenaar in een perzikenboomgaard, in een vergane zeeman, in een verhalenventer van het spoor, in Orhan Pamuk die over zijn jeugd vertelt, in een boom, een hond, een muntstuk. Maar in een vertaler, nee.

Totdat uitgeverij Leesmagazijn Bizim Büyük Çaresizliğimiz ter vertaling aanbood, de vierde roman van Barış Bıçakçı (1966). De auteur maakte zijn literaire debuut met een dichtbundel. Dat geldt voor meer auteurs in Turkije, maar Bıçakçı heeft ook na zijn overstap op proza een precieze, poëtische stijl behouden. Bizim Büyük Çaresizliğimiz, dat in 2004 verscheen, betekende Bıçakçı’s literaire doorbraak in Turkije, overigens zonder dat hij ook maar enig vraaggesprek of interview gaf, zelfs zijn foto is nauwelijks te vinden. Maar Bıçakçı en zijn roman zijn in nog een heel ander opzicht bijzonder: de hoofdpersoon en verteller van het verhaal, Ender, verdient zijn brood met vertalen.

 

Beloftes van somberheid

Of eigenlijk is Ender een halve hoofdpersoon. Niet omdat hij vertaalt, moet ik er meteen even bij zeggen, want de uitoefenaars van ons beroep worden helaas maar al te vaak aangezien voor een soort schimmensen, schaduwfiguren, halfschrijvers. Ender is in zekere zin maar half mens vanwege de verbondenheid met zijn boezemvriend Çetin, het andere hoofdpersonage, en hun beider tekortkomingen; ze maken ‘met zijn tweeën hoogstens één man’, zoals hij in het verslag van hun lange, hechte vriendschap schrijft. De twee mannen van eind dertig hebben net eindelijk samen een flat betrokken als de ouders van studente Nihal bij een verkeersongeluk omkomen en zij bij hen intrekt. Wanneer ze alle twee op de veel jongere Nihal verliefd worden, blijkt nog eens zozeer hoe de twee mannen worstelen met het leven, met de ouderdom.

Ender werkt thuis en vertaalt boeken voor Turkse uitgevers. Zelf ben ik niet zo’n thuiswerker, en de uitgevers voor wie ik boeken vertaal houden kantoor in Nederland, maar op een paar van dat soort details na: daar zat ik plots met werktafel en al op een Droste-blik. Ender, met zijn hang naar herhaling in zijn poging het verstrijken van de tijd te bezweren, zou er misschien van dromen een plaats te bemachtigen in een Drosteplaatje, dat zich met rigide wettigmatigheid tot in het oneindige herhaalt, maar zou het ons, andere vertalers, niet nog mismoediger maken dan het vastgeklonken zijn aan onze stoel al doet, dat onding in onze kantoren waarop we noodgedwongen vele uren doorbrengen? De titel van Bıçakçı’s roman, Radeloos als we waren, beloofde ook al niet zo veel vrolijks. Lees verder…

‘Radeloos als we waren’ van Barış Bıçakçı genomineerd voor de Europese literatuurprijs 2016

Zojuist is bekend geworden dat de roman Radeloos als we waren van de Turkse auteur Barış Bıçakçı is genomineerd voor de Europese literatuurprijs.

Bıçakçı’s roman, in Nederland uitgegeven door uitgeverij Leesmagazijn, staat samen met negentien andere romans uit Europa op de longlist van de Europese Literatuurprijs. De twintig titels zijn door dertien Nederlandse boekhandels geselecteerd als de beste Europese romans die in 2015 in het Nederlands zijn verschenen.

Een vakjury zal uit de longlist een shortlist van vijf boeken kiezen. De shortlist wordt op 8 juni bekend gemaakt tijdens een feestelijke bijeenkomst in Spui25 in Amsterdam.

Radeloos als we waren (Turkse titel: Bizim Büyük Çaresizliğimiz) kwam in Turkije uit in 2004. Het is de lichtvoetige en ontroerende geschiedenis van twee vrienden in Ankara, Ender en Çetin, die een jonge studente als huisgenote krijgen, twee mannen van middelbare leeftijd en hun terloopse worsteling met het leven en het ouder worden. Klik hier voor meer informatie over Radeloos als we waren..

Klik hier voor een fragment uit de roman. Lees verder…

Barış Bıçakçı – Radeloos als we waren (fragment)

Deze maand verscheen bij uitgeverij Leesmagazijn mijn vertaling van een roman van Barış Bıçakçı: Radeloos als we waren. Hieronder een kort fragment uit het boek. Klik hier voor een aankondiging van de roman.

[...] Toen dat jaar de lente aanbrak deed die ons denken aan onze gebreken, aan al die dingen die nooit afgemaakt zouden worden. Halfslachtige wolken, een zon als een spiegelei, een warmte waarvan niet duidelijk was uit welk lichaamsdeel die de kou zou verdrijven. Onze neus, ons hart, onze lendenen soms?

We kochten basilicumplantjes bij het winkelcentrum van de gemeente in Ulus, mijn moeder gaf ons bladeren van twee verschillende geraniums mee (een witte en een rode), die we in theeglaasjes water zetten. We richtten het balkon in, spoten het goed schoon met de tuinslang. Op donderdagavond voetbalden we voortaan op een kunstgrasveld, fantastisch was het dat we een vaste keeper hadden en dat de regels voor ingooi werden toegepast! We gingen geregeld kijken in het Park van de Jeugd en zagen zo hoe de vijver pas na weken weer gevuld was. We brachten een kort bezoek aan de begraafplaats en spreidden ook daar onze hovenierstalenten tentoon. We vroegen ons af waar de mussen opeens gebleven waren die de hele winter in de dode takken van de wilg voor het huiskamerraam herrie hadden zitten maken en heen en weer huppend de kruimels oppikten die we in de vensterbank hadden gestrooid, en sommige weekenden gingen we picknicken op de Işıkberg. Voor de picknick vulden we de kofferruimte van onze automobiel met van alles en nog wat, alleen een impressionistische schilder ontbrak: een laag uitklapbaar picknicktafeltje, drie klapstoeltjes, een paar kussens, een behoorlijk groot vloerkleed (waarop mijn lieve vriend zich op zijn zij zou uitstrekken, het hoofd rustend in zijn rechterhand), een samowar, een porseleinen theepot, een barbecue, een fles petroleum gewikkeld in pakpapier, een stapel oude kranten, een transistorradiootje, een kleine gele plastic bal, een grote blauwe met zwarte strepen, de tas met de hengel (mijn lieve vriend moet en zal in iedere waterplas zijn hengel uitgooien), een triktrakspel met een leren zakje triktrakstenen, een thermosfles en een oude boodschappentas met hengsels van metaalkleurig canvas en gevuld met allerlei keukengerei.

Zo kalm, zo heerlijk als de tijd tussen het bekende geren en geschrans van een picknick voorbijging! Een paar vogels die halsstarrig hetzelfde sprankelende liedje moesten zingen, het vertrouwde geklater van het beekje, het groen van de zilversparren, van de essen, van de dennenbomen, die hoger op de helling dichter werden, de bloemen die overal uit de grond schoten… Nihal zakt met haar fototoestel in haar hand op haar knieën voor een veld vergeet-mij-nietjes, brengt haar bovenlijf naar voren, weer naar achteren, houdt dan stil en duwt met haar vingertop op het knopje om af te drukken, zakt als ze klaar is nog verder door haar knieën, op haar hielen, haar camera tegen haar buik geduwd en blijft zo een tijdje zitten. Staat dan op en gaat naar een schaapskudde die de helling afloopt, laat de hond, een beest dat tot haar middel reikt, aan haar hand snuffelen, glimlacht naar de herder, die voort wandelt met een transistorradio om zijn nek, als een lange jurk met split deelt de kudde zich precies vóór Nihal in tweeën. Ze draait zich om en kijkt naar de hond, die de over de helling uitgewaaierde kudde achterna loopt, daalt dan af naar de oever van de beek, trekt haar schoenen en sokken uit. Ze stroopt haar broekspijpen op, waadt een stukje door het water. Maakt een foto van een met mos overdekt rotsblok. Stapt in het licht dat door het riet gefilterd wordt, draait zich plotseling naar ons om, schreeuwt fluisterend tussen de bladeren van de boom die tussen ons in staat: ‘Een schildpad!’, ze is zoals ze is! Jij en ik zeggen helemaal niks, verroeren geen vin, Çetin. Dit is een schilderij namelijk, een opvoering, wij kijken toe. [...]

Fragment uit: Barış Bıçakçı, Radeloos als we waren. (Roman). Amsterdam: Uitgeverij Leesmagazijn, 2015. Uit het Turks vertaald door Hanneke van der Heijden. Oorspronkelijke titel: Bizim büyük çaresizliğimiz (Istanbul, 2004).

 

 

Net verschenen: roman ‘Radeloos als we waren’ van Barış Bıçakçı

In sommige romans gaat alles met een zekere lichtheid. Er wordt gewandeld over de bevroren vijver van een stadspark, er wordt gerookt, gekletst, er worden letters in de lucht geschreven. En zelfs een tas die als een onheilsbode bij de kapstok neerploft lijkt nauwelijks de grond te raken.

In Radeloos als we waren beschrijft Ender de dagen van hem en Çetin in zo’n lichtheid. Sinds hun middelbare schooltijd zijn ze bevriend, nu zijn ze halverwege hun leven en delen eindelijk een huis. Niet dat alles zo eenvoudig gaat als het lijkt. Ze wonen er nog maar net, of de jonge studente Nihal trekt bij hen in. Daar zitten ze, Ender en Çetin, de een met een buikje, de ander met een kale kop, twee mannen die elkaar innig liefhebben en worstelen met het leven en ouder worden.

Barış Bıçakçı (Adana, 1966) schreef de roman Bizim büyük çaresizliğimiz in 2004. Mijn vertaling, Radeloos als we waren, is net verschenen bij uitgeverij Leesmagazijn. Een bijzondere roman, die zich bovendien nu eens niet in Istanbul maar in Ankara afspeelt.

Klik hier voor een kort fragment uit de roman.

 

De eerste zinnen van Sait Faik Abasıyanık – Over het vertalen van ‘Verhalen uit Istanbul’

Volgens een van zijn collega-auteurs, Leylâ Erbil, was hij een schrijver met zijn tafel in zijn zak. Sait Faik Abasıyanık kon overal schrijven: op een bankje in het park, op een wiebelend tafeltje in een kroeg, desnoods op zijn knie. Dat kwam goed uit, want de ‘Turkse meester van het korte verhaal’ schrijft niet over binnenskamerse thema’s. Zijn onderwerp is de straat, de mensen op straat wel te verstaan. Gewone mensen over wie hij in een zo op het oog heel dagelijks taalgebruik schrijft. ‘Hij komt naast je zitten in een koffiehuis in Istanbul en begint te vertellen over haar inwoners [...]’ zegt Murat Isik in zijn nawoord bij Verhalen uit Istanbul. Sait Faiks manier van werken, zijn onderwerp, het klinkt allemaal heel gemakkelijk en voor de hand liggend.

Maar de manuscripten in het museum van Sait Faik (zoals hij in Turkije kortweg wordt genoemd) zien er allesbehalve uit als alsof ze op een knokige knie of een wiebelend tafeltje zijn geschreven. In zijn voormalige woonhuis op het Prinseneiland Burgazada liggen er een aantal in een vitrine: gelige blaadjes uit een schoolschrift gescheurd, en met een paperclip bij elkaar gehouden. De Arabische letters – zoals veel van zijn collega’s schreef Sait Faik ook na de alfabethervorming van 1928 nog in Osmaans schrift – staan regelmatig naast elkaar. Kennelijk had Sait Faik nog een andere tafel dan die in zijn broekzak, eentje waaraan hij verder werkte aan zijn aantekeningen.

 

Raadselachtigheid
Dat Sait Faiks verhalen niet op een knokige knie alleen geschreven kunnen zijn, dat er heel wat meer aan geschaafd en gevijld als je in eerste instantie denkt, blijkt ook als je de verhalen vertaalt, en dus vele malen overleest. Ze mogen de indruk wekken alsof iemand in het koffiehuis naast je zit te vertellen, bij nader inzien hebben ze een compactheid en raadselachtigheid die in de meeste koffiehuisgesprekken ver te zoeken is.

Die bondigheid delen ze vanzelfsprekend met veel korte verhalen. Het is wat het genre ook zo indrukwekkend maakt: in het bestek van een paar pagina’s wordt een hele wereld opgetrokken. Sait Faiks verhalen beslaan meestal niet meer dan zes, zeven pagina’s in druk, soms zelfs maar drie of vier. Natuurlijk, ook een roman wordt niet op een achternamiddag op papier gezet. Maar toch, in alle romans die ik heb vertaald kun je in de Turkse tekst, niet zozeer in het begin of aan het eind misschien, maar wel daar tussenin, passages aanwijzen waar de aandacht van de auteur is verslapt, waar het weefsel van de zinnen losser is, het ritme minder dwingend, waar de schrijver zijn kapmes in zijn broekzak heeft laten zitten.

Een schrijver van korte verhalen kan zich dat niet veroorloven. Bij Sait Faik zie je dat het duidelijkst in zijn vroege werk: hecht geconstrueerde verhalen zijn het met een klassieke structuur, vaak over ongebruikelijke situaties. Over een vrouw die te arm is om haar man te begraven bijvoorbeeld maar hem ook niet onbegraven kan laten. Over een man die jarenlang de drie, vier straten van zijn wijk niet uit is geweest, en dan op een dag de sprong waagt. Over twee dronkaards die de kroeg uitlopen en midden in Istanbul in een zwoele viooltjesvallei belanden. De hechte structuur maakt ze compact, hun raadselachtigheid ontlenen ze aan hun onderwerp: wie maakt dagelijks angstvallig dezelfde wandeling door de drie straten om zijn huis, en geen steegje verder?

 

Mobiles
Maar Sait Faik heeft ook nog een ander soort verhalen, het soort waar hij zich in de loop van zijn schrijverschap steeds meer op toelegde. Die verhalen gaan juist over heel dagelijkse situaties. Ze lezen als toevallige uitsneden uit het leven van alledag, en hebben zo op het eerste gezicht een veel lossere structuur. Man zit op het lege benedendek van veerboot, tweede man komt erbij en begint een keuvelgesprek. Of: man zit in wachtruimte van de veerbootmaatschappij (Sait Faik houdt van varen), man twee vraagt hem of hij soms snapt wat er op een blaadje met laboratoriumuitslagen staat. Situaties kortom die iedereen mee kan maken, verhalen zoals je ze zelf aan het eind van de dag denkt te kunnen vertellen. Denkt, want ook die verhalen zijn, net als de mensen waar ze over gaan, veel minder gewoon als ze lijken.

Waar zit hem dat in? In de eerste plaats natuurlijk in Sait Faiks veel geprezen oog voor veelzeggende details en situaties uit het dagelijks leven. Maar daarbij in zijn speelse geest, die ogenschijnlijk ongerelateerde zaken met elkaar verbindt. En volgens mij ook in het feit dat hij de verbanden tussen de verschillende gebeurtenissen heel vaak niet benoemt. Die drie dingen samen maken ook zijn latere dagelijkse verhalen zo raadselachtig en compact. Er gebeurt van alles. Maar over hoe het een met het ander samenhangt houdt Sait Faik zich op de vlakte, dat is aan de lezer.

Sait Faiks distantie zie je terug in de inhoud, want wat de precieze beweegredenen van de personages zijn vertelt hij meestal niet.

‘Waarom we naar dat boerenhuis gingen waar in de keuken gebraden eend, in de jus gekookte tarwe en griesmeelkoek met boter klaarstonden, wist ik die dag niet. En nu ik bedrukt en verlaten door het hotelraam naar de voorbijrijdende tramstellen kijk, zeg ik niet waarom we op een goede dag aan het eind van de middag naar dat huis in het dorp gingen, zonder enige omhaal, alsof we werden verwacht.’ 

Dat schrijft Sait Faik al in de allereerste regels van zijn allereerste verhaal. En veel is die houding in de loop van zijn schrijverschap niet veranderd: motieven worden meestal slechts gesuggereerd. Maar ook in grammaticale zin is Sait Faik weinig toeschietelijk: voegwoorden tussen zinnen die de verbanden duidelijk maken ontbreken vaak. De volgorde van zinnen en gebeurtenissen is de enige structuur die Sait Faik geeft. Wat hun onderlinge logische verband is, waarom ze bij elkaar horen mag de lezer zelf verzinnen. Het is een beetje als met de mobiles van Alexander Calder: er zweven zo veel dingen zo intrigerend en licht in de ruimte dat je pas later de touwtjes en staven ziet die ze bij elkaar houden, pas na een tijdje opmerkt dat het geheel wel degelijk vastzit aan vloer of plafond.

 

Papiervisjes en bolvormige basilicumplanten
Sait Faik schrijft over gewone mensen, inderdaad. Maar hij laat in zijn verhalen zien dat achter ieder mens iets bijzonders schuilt als je er maar oog voor hebt. Daarmee is hij een auteur van het detail, zijn blik gaat niet uit naar het algemene, maar naar het particuliere. Die blik deelt hij voor een belangrijk deel met een vertaler: een tekst moet nu eenmaal tot op de onopvallendste komma vertaald worden. Bovendien heeft taal, iedere taal, zoveel onregelmatigheden, is betekenis op zo’n onsystematische manier afhankelijk van de context, heeft iedere auteur zulke idiosyncratische wendingen in zijn stijl, dat je als vertaler al snel het gevoel krijgt je niet op algemene regels te kunnen verlaten. Dat gevoel maakt het ook zo moeilijk om iets algemeens te zeggen over het vertalen van een tekst, om je weer los te wringen van de particulariteit van een alinea, een zin, een woord, van het ritme van lettergrepen, de herhaling van klanken – kortom van al het gevlooi dat vertalen vaak heel leuk maakt: juist omdat het zich aan iedere systematiek lijkt te onttrekken. En omdat dat gedetailleerde gepeuter je bij dingen brengt waar je zelf niet makkelijk zou komen. (In de roman die ik nu vertaal, een boek van de jonge auteur Barış Bıçakçı, zegt de hoofdpersoon, die ook vertaler is: ‘Ik had het [encyclopedie]deel in mijn hand waarin ik iets wilde opzoeken over de Chinese taal Pinghua, maar had bij toeval een foto gezien van de beestjes die opeens overal in huis zaten, was erachter gekomen dat het papiervisjes waren, en las met de aangename opwinding van een detective, nu en dan een blik op de foto werpend, dat ze zich voeden met het stijfsel uit bijvoorbeeld boekbanden en behang.’). En ook omdat al die aandacht voor kleinigheden je bij invloedrijke auteurs als Sait Faik Abasıyanık laat zien hoe allerlei observaties en details uit zijn werk doorsijpelen in dat van andere auteurs. Hoe bijvoorbeeld het personage dat in ‘Een man en de ochtenden in de stad’ vertelt hoe hij overvallen kan worden door droefheid wanneer de hele stad plotseling overdekt lijkt met de modder van de straten, ook aan het woord lijkt te zijn in Istanbul. Herinneringen en de stad van Orhan Pamuk. ‘Soms,’ schrijft Pamuk in het hoofdstuk ‘Ongelukkig zijn is jezelf en de stad haten’, ‘verandert de stad in een totaal andere plek. Plotseling trekken de kleuren waardoor je je thuis voelt uit de straten weg… [...] Van het ene op het andere moment zijn alle parken veranderd in modderige terreinen… [...] Terwijl er een intense somberheid en weemoed van de stad op mij overgaat, van mij op de stad, merk ik dat er aan de stad, en ook aan mij, helemaal niets meer valt te beleven…’ Of hoe de venijnige, recalcitrante zinnen waarin de hoofdpersoon van ‘Waarom doe ik toch zo?’ vertelt dat hij dingen doet die hij niet wil doen maar ook niet kan laten, precies passen bij de gevoelswereld van de ‘griplozen’ in Het leven in stukken van Oğuz Atay. Of hoe de bolvormige basilicumplanten die in Sait Faiks verhaal ‘De grammofoon en de schrijfmachine’ gestreeld worden ‘zoals je het hoofd van een kind streelt’, precies zo worden aangeraakt in Barış Bıçakçı’s roman.

 

Binnensluipende partikels
Maar hoe verleidelijk het ook is om bij al die talloze details stil te staan, het vertalen van een tekst is natuurlijk veel meer als het vertalen van woorden, van zinnen. Als ik iets in zijn algemeenheid moet zeggen over de vertaling van Sait Faiks Verhalen uit Istanbul, dan gaat dat precies over de verbanden, de coherentie in de tekst: over Sait Faiks talent om weinig expliciete logische verbanden aan te brengen en tegelijkertijd een sfeer te creëren alsof er ‘in een koffiehuis iemand tegen je praat’. Voor de Nederlandse vertaling betekent dat vooral dat je heel voorzichtig moet zijn met het gebruik van allerlei voegwoorden en partikels, die vaak ongemerkt de zinnen binnensluipen en wel degelijk een verband aangeven.

Helemaal zonder dit soort woorden kan een verhaal niet: het zou een houterige tekst opleveren, en in het Turks is Sait Faik niet houterig. Maar teveel van die woorden kan ook niet: dat zou verbanden expliciteren die Sait Faik juist aan de interpretatie van de lezer overlaat. Wat dat betreft is het vertalen van Sait Faik als het maken van een mobile, waarin alles los lijkt te zweven, waarin je zinnen alleen een stokje knoopt als het echt niet anders kan, en waarin de lezer pas na een tijdje ziet dat al die losse onderdelen toch met één koord aan het plafond verankerd zijn.

 

Dit artikel werd geschreven op uitnodiging van Athenaeum boekhandel.

De roman van Barış Bıçakçı, De grote vertwijfeling [werktitel], komt dit najaar uit bij uitgeverij Leesmagazijn.