Şavkar Altınel en het ongeziene zwerven

Net in een tijd dat in Turkije het maatschappelijke debat over identiteit zijn weerslag vindt in literaire romans – want ook in Turkije wordt er veelvuldig gediscussieerd over nationale en individuele identiteiten; net ook in een tijd dat op de Turkse televisie voor de allereerste keer spotjes worden uitgezonden om literair werk aan de man te brengen – want voor de nieuwe roman van Murathan Mungan wordt niet alleen in kranten maar ook op het scherm geadverteerd; net dus in een tijd waarin zo veel doordrongen lijkt van het verlangen dan wel de plicht bij deze of gene groep te horen, de wil gezien te worden, werd in een kelderzaal in Istanbul een jaarlijkse literaire prijs uitgereikt aan een schrijver die het liefst nergens bij hoort, die ernaar streeft zich ongezien voort te bewegen, niet gekend te worden, een buitenstaander te blijven.

Şavkar Altınel (1953), een auteur die werd geboren in Istanbul, maar op zijn zeventiende zijn vaderland verliet en zich via Chicago en Glasgow uiteindelijk in een plaatsje in de buurt van Londen vestigde, ontving begin april de Erdal Öz-prijs voor zijn hele oeuvre: een kleine verzameling poëzie, poëziebeschouwingen, poëzievertalingen en essayistische reisboeken. Een oeuvre dus van weinig beoefende genres – dat was de derde verrassing.

Hoe gevarieerd ook in genre, in thematiek wordt Altınels werk hecht bijeengehouden door dat buitenstaanderschap. Het is voor Şavkar Altınel geen status die zo snel mogelijk vaarwel gezegd moet worden, maar een onvermijdelijke – sterker nog: een wenselijke, want een buitenstaander ziet het beste wat er gebeurt. En wie kan kijken als een buitenstaander, komt weliswaar tot het ontluisterende besef dat het leven zich niet ergens anders afspeelt, dat verwachtingen nooit worden ingelost, maar dat de wereld niettemin vol is van dingen die het waard zijn om in het geheugen gegrift te worden, enkel omdat ze mooi en betekenisvol zijn. Of lijken. ‘Zo literatuur een beginpunt heeft, dan is dat het punt waarop we in de wereld een buitenstaander worden,’ zei Altınel bij de uitreiking. En in zijn boeken voegt hij daar fluisterend aan toe: als je reist naar een plek waar niemand je kent, je dus geen identiteit en naam meer hebt, ben je zelfs, misschien, onvindbaar voor de dood.

Nergens bij horen en ongezien willen zijn, dat verrast niet alleen literaire jury’s en de dood; het is ook een verfrissende keuze op plekken waar identiteit en zichtbaarheid een strohalm dreigen te worden.

Dit bericht is in mei 2011 verschenen op Schwob.