Tıflî-verhalen en brieven: van genres die komen en weer gaan

‘Een van de leuke dingen van een bestaan als osmanist,’ zei David Selim Sayers twee weken geleden tijdens een lezing, ‘is dat je een geheel nieuw literair genre kunt ontdekken.’ Dat wil zeggen, een genre dat in andere literaturen niet of nauwelijks bestaat. En dat lezers in Turkije, osmanisten, turkologen, alle onderzoekers die zich met de Turkse literatuurgeschiedenis bezighouden, inmiddels al lang weer zijn vergeten.

Sayers ontdekte zo’n genre. Tıflî hikâyeleri, zoals het wordt genoemd, ‘Tıflî-verhalen’. Er waren weliswaar eerdere onderzoekers die dit soort verhalen hadden opgemerkt, maar niemand had ze als zelfstandig literair genre herkend. Sayers onderzocht hun drukgeschiedenis, hun stijlkenmerken en historiciteit, en vond genoeg aanwijzingen om ze als apart literair genre te bestempelen. De studie die hij erover schreef is niet alleen een onderzoek naar de kenmerken van dit soort verhalen. De verhalen zelf beslaan meer dan de helft van het boek, omgezet in modern Turks en geïllustreerd met tekeningen uit de oorspronkelijke tekstedities.

Om wat voor teksten gaat het? Tıflî-verhalen spelen zich zonder uitzondering af tijdens het bewind van sultan Murad de Vierde (1623-1640). Behalve de sultan zelf duikt ook vaak zijn kamerheer op, Tıflî Ahmet Çelebi, degene naar wie het genre is vernoemd. Liefde, seks en geld zijn de belangrijkste thema’s in de verhalen, die in allerlei stijlen werden geschreven, van Osmaanse straattaal tot het Osmaans dat aan het hof in Istanbul werd gesproken. Toen de boekdrukkunst in het Osmaanse Rijk eenmaal opgang kwam, in de tweede helft van de negentiende eeuw, behoorden de Tıflî-verhalen tot de eerste werken die gedrukt werden. Nog geen honderdvijftig jaar geleden waren het met andere woorden bestsellers. Een mensengeheugen is kort.

Met zijn opmerking over het ontdekken van literaire genres vestigt Sayers de aandacht op iets wat vaak vergeten wordt. Want dat de literatuurgeschiedenis van een ander land meestal in een andere taal geschreven is, in een andere culturele context is gesitueerd, dat er vaak sprake is van andere waarden, dat ligt voor de hand. Dat er mogelijk over andere onderwerpen geschreven wordt, zal niemand verbazen (hoewel de onderwerpen van de Tıflî-verhalen tamelijk universeel lijken). Veel minder bekend is dat nationale literatuurgeschiedenissen ook van elkaar verschillen in de genres die beoefend of juist niet beoefend worden.

Zo deed de roman pas aan het eind van de negentiende eeuw zijn intrede in de Osmaans-Turkse literatuurgeschiedenis. Dat gebeurde onder invloed van de westerse, met name de Franse literatuur – mede dankzij vertalers, die veel van die romans in het Osmaans omzetten. Ook het korte verhaal raakte in die tijd onder Osmaanse lezers bekend. Omgekeerd worden sommige genres die in de West-Europese literatuur populair zijn in Turkije niet of nauwelijks beoefend. Science-fiction bijvoorbeeld wordt in Turkije weinig geschreven. Poëzie is in Turkije juist altijd veel geliefder geweest dan in Nederland – jongeren met literaire aspiraties schrijven meestal gedichten, geen romans of verhalen. Maar persoonlijk getinte boeken, teksten die rechtstreeks een blik gunnen op het leven van de schrijver zoals dagboeken en biografieën zijn weer relatief schaars. Dat geldt ook voor brieven – tenzij het gaat om open brieven met een politieke boodschap.

Dat dit soort persoonlijke teksten niet zo populair is in Turkije heeft ongetwijfeld te maken met culturele waarden. Maar de opkomst en ondergang van genres, en de mate van hun populariteit is niet alleen van culturele factoren afhankelijk. Zoals de drukpers meehielp aan de populariteit en verspreiding van de Tıflî-verhalen, zo kunnen technologische ontwikkelingen ook bijdragen aan het verdwijnen van genres.

‘Dit zal een van de laatste brievenboeken zijn die gepubliceerd worden,’ merkt Gülper Refiğ op in het voorwoord bij Sevgili Halit (‘Lieve Halit’), een selectie uit de correspondentie die haar man, de regisseur Halit Refiğ, met onder andere Oğuz Atay onderhield. Veertig jaar geleden mocht de post nog twee keer per dag bezorgd worden, nu is brieven schrijven bijna net zo ouderwets als houtsnijden of borduren, iets ambachtelijks voor mensen met veel tijd. Email- en twitter-correspondenties worden waarschijnlijk nog veel sneller vergeten dan de Tıflî-verhalen. Hopelijk is er als troost een prachtig digitaal genre aan het ontstaan.