‘Verhalen uit Istanbul’ – Het oog van Sait Faik Abasıyanık

Bij de verschijning van Verhalen uit Istanbul, een verzameling van 35 korte verhalen geschreven door een van Turkijes belangrijkste auteurs: Sait Faik Abasıyanık.

Hoe vaak zouden de woorden ‘kijken’, ‘zien’, ‘gadeslaan’ in de verhalen van Sait Faik Abasıyanık voorkomen? Dat vraagt Leylâ Erbil zich af in een essay over het werk van Turkijes beroemdste schrijver van korte verhalen. Zo’n honderdtachtig verhalen liet Sait Faik na toen hij in 1954 stierf, 48 jaar oud. Bijna al die verhalen gaan over Istanbul en de Prinseneilanden. En in bijna al die verhalen wordt gekeken, veel gekeken. Je kunt je afvragen of literatuur mogelijk is zonder te kijken. Waarschijnlijk niet. Maar niet iedere schrijver kijkt naar hetzelfde, ziet dezelfde dingen.

Waar kijkt Sait Faik naar? Niet naar gebouwen, niet naar al die monumenten waar je in Istanbul over struikelt, niet naar de geschiedenis. Sait Faik – zoals hij in Turkije bekend staat – kijkt naar mensen: de mensen die net als hij in Istanbul leven, net als hij in de jaren dertig, veertig, vijftig van de twintigste eeuw. Een roerige tijd, in Turkije en daarbuiten. Maar hoezeer de politieke gebeurtenissen het leven ook kleuren, Sait Faik kijkt niet naar de politici, de economen, de figuren die het voor het zeggen hebben en daarmee ieders blik vangen. Zijn blik zuigt zich juist vast aan de mensen van wie wordt weggekeken.

In een van de verhalen die over de Engelse auteur Bruce Chatwin de ronde doen steekt de schrijver diagonaal een groot plein over, zijn hand voor zich uitgestrekt, voor niets anders oog dan voor iets heel bijzonders dat in zijn handpalm ligt uitgestald: een truffel. Aan die anekdote moest ik vaak denken toen ik Verhalen uit Istanbul vertaalde. Precies zo’n blik heeft Sait Faik, al richt die zich niet op truffels, en ook niet op mensen die truffels eten. Sait Faik kijkt naar een kreeftenvisser die zelf nooit een kreeft heeft geproefd, naar een vrouw die te arm is om haar man te begraven, naar een straatjongen die een liedje zingt voor zijn hond, naar de lelijkste vis van de zee. Naar iedereen die er niet bij hoort, er niet bij wil horen.

Daarbij slaat Sait Faik die mensen, dieren en hun levens niet gade als een afstandelijke reporter, en zijn blik is evenmin meewarig of cynisch. Dat spreekt niet vanzelf: hij was afkomstig uit een gegoede familie. Zijn vader deed zijn best hem het handelsleven in te krijgen, maar zonder succes. Sait Faik koos voor het schrijven. En hij koos partij, maar niet voor de kant waar hij door zijn afkomst toe behoorde.

Er waren meer schrijvers die dat deden, ook in Sait Faiks tijd. Nâzım Hikmet bijvoorbeeld schreef Mensenlandschappen, een soort ‘encyclopedie van beroemdheden’, portretten van ‘arbeiders, boeren en handwerkslieden wier roem nooit doordrong tot buiten de fabrieken, werkplaatsen, dorpen en arbeidersbuurten’. Yaşar Kemal schreef reportages over mensen die uit armoede in grotten wonen of geen andere middelen van bestaan hebben dan smokkel. Maar anders dan zijn tijdgenoten kijkt Sait Faik niet alleen naar de mensen over wie hij schrijft, maar ook naar zijn eigen blik.

Dat onderzoek van zijn eigen blik doet hij bijvoorbeeld in Vier plusjes – wat mij betreft een van de mooiste verhalen uit de bundel. Het verhaal begint met de vraag hoe we op straat bepalen aan wie we de weg vragen: ‘Waarom kiest men al uit die jongeren net ons?’ Het verhaal gaat ook over een fysionomist, over een boot die gemist had moeten worden, over een man met een papiertje met laboratoriumuitslagen en over de reden waarom de verteller zijn schoenen laat poetsen als hem onderweg naar zijn geliefde om een vuurtje wordt gevraagd. Sait Faik houdt net als Bruce Chatwin van details en ongewone, springerige verbanden. Dat maakt zijn verhalen speels, hoe onrechtvaardig de wereld die hij beschrijft vaak ook is.

Het oog van Sait Faik is verbonden met zijn hart, zegt Leylâ Erbil, zelf schrijfster, in haar stuk. ‘Sommige mensen hebben niet alleen een mooi gezicht, mooie ogen, wenkbrauwen, wimpers, schouders en voeten, maar ook een mooie maag, een mooi hart, een mooi middenrif en strottenhoofd,’ schrijft Sait Faik al in 1934, in een van zijn vroegste verhalen. Een schrijver die kijkt met zijn hart, ziet niet alleen de buitenkant, maar ook wat daarachter schuilgaat, van organen tot drijfveren.

Kijken met je hart. Dat klinkt misschien zoetsappig. Of gemakkelijk. Tot je bedenkt hoe vaak er gekeken wordt zonder dat er maar het dunste draadje tussen oog en hart loopt. Kijken met je hart is ook een politieke daad. Het is het allereerste waarmee democratie begint, al wordt dat vaak vergeten.

 

Sait Faik Abasıyanık, Verhalen uit Istanbul. Amsterdam: Podium, 2014. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden. Met een nawoord door Murat Isik.

Binnenkort op deze site en op die van boekhandel Athenaeum in Amsterdam meer over het vertalen van de korte verhalen van Sait Faik Abasıyanık.