Mahir Öztaş – De grond waarvan we werden weggeplukt (fragment)

In 2009 publiceerde Mahir Öztaş (1951) zijn derde roman. Eerder schreef hij drie verhalenbundels en een dichtbundel. Zijn proza werd meerdere malen bekroond. Zijn korte verhaal ‘De andere vrouw’ is opgenomen in de bloemlezing Moderne Turkse verhalen. Hieronder een kort fragment uit de nog onvertaalde roman Koparıldığımız topraklar. Mahir Öztaş maakte vele reizen in Europa, Azië en Afrika.

Wij, migranten, beschouwden onze herinneringen nooit als een last die we torsten, maar begonnen ze toch ondraaglijk op ons te drukken, dan zetten we het meteen op een klagen en aarzelden we geen moment om ze van ons af te schudden.

Daar had ik ook aan moeten denken toen ik op een keer langs een brede weg liep, midden in een lawaaierige stad, haastig om maar zo snel mogelijk op de plaats te komen waar ik met een vriend had afgesproken. Het sneeuwde en het was koud. De eentonigheid was verstikkend; de donkerte van de onverlichte gevels gaf de gebouwen een naargeestig, benauwend aanzien en had iets slaapverwekkends. Mijn hoofd was een chaos, ik was waarschijnlijk bij de verkeerde metrohalte uitgestapt, want de plek waar ik heen moest was verder weg dan ik had gedacht. Soms zat er niets anders op dan de consequenties van mijn verstrooidheid maar uit te staan, er was niemand te zien, het was zo goed als uitgestorven. De verlatenheid, de straten zo huiveringwekkend leeg, het paste allemaal op geen enkele manier bij de stad, waarvan ik wist dat die vervuld was van een latente kracht. Ik voelde me eenzaam en verkleumd, wat me opeens naar een ver verleden voerde, naar een andere avond waarop ik in een sneeuwstorm de weg was kwijtgeraakt. Daar stond ik dan, in Londen, midden in de stad die ik zo goed dacht te kennen, en opnieuw had ik de grootste moeite om de weg te vinden.

Buiten adem en vervuld van angst probeerde ik een uitweg te vinden uit al die eendere zijstraten. Langzamerhand was ik doorweekt geraakt, struikelend sloeg ik een van de donkere straten in, en kwam toen uit bij een plein dat baadde in het licht. Plotseling zag ik in de sneeuwstorm het silhouet van een enorme kathedraal opdoemen. Ik duwde de deur open en mengde me verkleumd in de menigte. De kathedraal was gevuld met gezichten die me totaal vreemd waren, hier en daar stonden onderling fluisterende reizigers. De meeste van hen waren waarschijnlijk alleen gekomen om wat rond te kijken. Daarna was ik naar het voorste gedeelte gelopen, waar engelen rondfladderden en de zuilen, gewelven en richels rond de voorstellingen van goud verguldsel waren voorzien. Het flakkerende kaarslicht en de wiegende wierookbranders vormden betoverende schaduwen. Alles was overspoeld door een golf van geestdrift en geloof, iets wat me totaal vreemd was, maar toch kon het me allemaal op geen enkele manier tot rust brengen. Waarom kon de angst nu ieder moment over me heen vallen? Kwam het alleen doordat ik niet kon uitmaken welke kant ik uit wilde? Waren het de vreemde melodieën die mijn ziel zo somber stemden, het licht dat de omgeving niet verlichtte maar met zijn geflakker eerder in schaduwen leek te hullen? Of was het de vettige lucht, en de herinneringen die die bij me opriep? De kinderlijke en weemoedige aanblik van de vergulde versieringen, de walm, die misschien afkomstig was van de kaarsen onder de kruisbeelden, van de wierook of de olielampen, de roerende en gewijde muziek, die van alle kanten tegelijkertijd kwam, het omspoelde mijn hoofd en voerde me naar het verleden, naar jaren terug.

 

Fragment uit: Mahir Öztaş, Koparıldığımız topraklar. Roman. Istanbul: Yapı Kredi Yayınları, 2009. pp.41-44. Vertaling uit het Turks: Hanneke van der Heijden.