Orhan Pamuk – Dat vreemde in mijn hoofd (fragment)

Eind februari 1985, na een lange koude dag waarop de zaken niet bijster goed waren gegaan, had Mevlut de vuile borden en glazen verzameld en stond hij op het punt om van Kabataş naar huis te gaan, toen Süleyman in zijn vrachtwagentje kwam aanrijden. ‘Iedereen heeft jullie nieuwe dochtertje al een kraamcadeautje gegeven en een kraaltje tegen het boze oog opgespeld, behalve ik,’ zei Süleyman, ‘Kom in de auto zitten, dan kletsen we even bij. Hoe gaan de zaken? Heb je het niet koud zo de hele dag buiten?’

Zodra Mevlut in de wagen zat, moest hij eraan denken hoe vaak Samiha met de mooie ogen op deze stoel had gezeten voordat ze een jaar geleden was verdwenen, hoe vaak Süleyman met haar door Istanbul had getoerd.

‘Ik verkoop nu al twee jaar rijst met kikkererwten, maar tot nu toe heb ik nog nooit bij een klant in de auto gezeten,’ zei Mevlut. ‘Hoog is het hier, ik word duizelig, ik stap weer uit.’

‘Blijf zitten, we moeten praten!’ zei Süleyman. Hij pakte Mevluts hand die het portier al wilde openen. Hij keek zijn jeugdvriend strak aan met een blik vol liefdesverdriet en verslagenheid.

[…]

‘Süleyman, jongen, jij en je broer zijn goed bezig, terwijl ik maar loop te sappelen. De helft van de nieuwe flats die Vural laat bouwen is al verkocht terwijl de fundering nog niet eens klaar is, hoorde ik.’

‘We verdienen goddank heel behoorlijk,’ zei Süleyman. ‘Maar we willen dat jij ook goed gaat verdienen. Korkut denkt er net zo over.’

‘En wat zou ik moeten doen? Een fornuis neerzetten en thee verkopen in zijn kantoor soms?’

‘Lijkt je dat wat, thee verkopen?’

‘Er komt een klant aan,’ zei Mevlut en stapte uit. Er was in de wijde omtrek geen klant te bekennen. Maar Mevlut ging met zijn rug naar Süleymans vrachtwagentje staan en deed of hij voor een klant een bord opschepte. Hij schepte een grote lepel rijst op, en wreef die met de achterkant van de lepel los. Terwijl hij de gasfles die in de venterskar stond dichtdraaide merkte hij dat Süleyman ook was uitgestapt en naar hem toe kwam lopen, en daar was hij blij om.

‘We hoeven er niet over door te praten als je dat niet wilt,’ zei Süleyman, ‘maar ik wil de baby dit cadeautje zelf geven, dan kan ik haar meteen bewonderen.’

‘Als je de weg naar mijn huis niet kent, moet je maar achter me aan rijden,’ zei Mevlut en begon de kar te duwen.

‘Laten we de kar in de vrachtwagen zetten,’ stelde Süleyman voor.

‘Je moet dit driewielige eethuis niet onderschatten. De keuken en het fornuis die erin zitten zijn heel breekbaar maar ook erg zwaar.’

Mevlut duwde, zoals iedere middag om een uur of vier, vijf, met veel gehijg en gepuf de kar de steile Kazancıstraat op, richting Taksim, op weg naar huis (dat kostte twintig minuten), terwijl Süleyman langzaam achter hem aan reed.

‘Mevlut, zullen we je kar aan de bumper binden, dan kan ik je heel langzaam trekken.’

Zijn aanbod was oprecht en hartelijk, maar Mevlut liep stug door alsof hij hem niet gehoord had. Even verderop parkeerde hij zijn mobiele eethuis en zette de rem erop. ‘Rij maar door naar Taksim, en wacht daar op mij bij de bushalte naar Tarlabaşı.’

Süleyman gaf gas, reed de helling op en was al snel uit het zicht verdwenen. Het zat Mevlut niet lekker dat Süleyman nu zijn armoedige huis zou zien. Het had hem goed gedaan dat zijn neef zich zo onderdanig had opgesteld. De gedachte kwam bij hem op dat hij dankzij Süleyman een ingang had bij de Vurals, en dat hij met Rayiha en de kinderen zo misschien een wat comfortabeler leven zou kunnen krijgen.

 

Uit: Orhan Pamuk, Dat vreemde in mijn hoofd. Roman. Amsterdam: De Bezige bij, 2016. Oorspronkelijke titel: Kafamda Bir Tuhaflık. (2014) Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden & Margreet Dorleijn.