Hoe vertaalden we de roman ‘Dat vreemde in mijn hoofd’ van Orhan Pamuk? (Vertalersgeluktournee, 5 april 2017, Haarlem; 19 april 2017; Utrecht)

In april en mei trekt de Vertalersgeluktournee door Nederland. Welke keuzes maakt een vertaler? Voor welke dilemma’s komt zij (of hij) te staan? En wat maakt het vertalersvak zo mooi?

In een aantal boekhandels verspreid door Nederland spreken vertalers over hun vak en over het boek dat ze recentelijk vertaalden. De boeken die aan de orde komen zijn alle genomineerd voor de Europese Literatuurprijs 2017.

De roman Dat vreemde in mijn hoofd van de auteur Orhan Pamuk is een van de genomineerden voor deze prijs. Op 5 april en 19 april vertellen vertaalsters Hanneke van der Heijden en Margreet Dorleijn iets over de vertaling van deze roman.

Het programma van deze twee avonden is als volgt:

woensdag 5 april 2017, 19u30: Boekhandel Athenaeum, Haarlem

  • Hanneke van der Heijden over Dat vreemde in mijn hoofd van Orhan Pamuk (vertaald uit het Turks i.s.m. Margreet Dorleijn, De Bezige Bij)
  • Rien Verhoef over Notendop van Ian McEwan (uit het Engels, De Harmonie)
  • Annemarie Vlaming over Ons soort mensen van Juli Zeh (uit het Duits, Ambo|Anthos)

Entr’acte door Lisa Thunnissen (Spaans) en Anne Lopes Michielsen (Portugees) van de Vereniging van Nieuwe Vertalers

Gesprek met vertalers en publiek onder leiding van Toef Jaeger.

Toegang is gratis. Reserveren kan via haarlem@athenaeum.nl of in de winkel.

 

 

 

Woensdag 19 april, 20:00: Literaire Boekhandel Lijnmarkt, Utrecht

  • Margreet Dorleijn over Dat vreemde in mijn hoofd van Orhan Pamuk (vertaald uit het Turks i.s.m. Margreet Dorleijn, De Bezige Bij)
  • Lucienne Pruijs over Het oude land van Dörte Hansen (vertaald uit het Duits, HarperCollins Holland)
  • Harrie Lemmens over Reis naar het einde van António Lobo Antunes (vertaald uit het Portugees, Ambo|Anthos)

Entr’acte door Eva Wissenburg (Frans) en Anne Lopes Michielsen (Portugees) van de Vereniging van Nieuwe Vertalers
Gesprek met vertalers en publiek onder leiding van Nienke Willemsen

Klik hier voor een overzicht van alle avonden tijdens de Vertalersgeluktournee.

 

Hoe vertaalden we de roman ‘Dat vreemde in mijn hoofd’ van Orhan Pamuk? (Vertalersgeluktournee, 5 april 2017, Haarlem; 19 april 2017; Utrecht)

In april en mei trekt de Vertalersgeluktournee door Nederland. Welke keuzes maakt een vertaler? Voor welke dilemma’s komt zij (of hij) te staan? En wat maakt het vertalersvak zo mooi?

In een aantal boekhandels verspreid door Nederland spreken vertalers over hun vak en over het boek dat ze recentelijk vertaalden. De boeken die aan de orde komen zijn alle genomineerd voor de Europese Literatuurprijs 2017.

De roman Dat vreemde in mijn hoofd van de auteur Orhan Pamuk is een van de genomineerden voor deze prijs. Op 5 april en 19 april vertellen vertaalsters Hanneke van der Heijden en Margreet Dorleijn iets over de vertaling van deze roman.

Het programma van deze twee avonden is als volgt: Lees verder…

Net verschenen: ‘Dat vreemde in mijn hoofd’ van Orhan Pamuk

Zes jaar na het Het museum van de onschuld is er een nieuwe roman van Orhan Pamuk in het Nederlands verschenen: Dat vreemde in mijn hoofd. Het boek beschrijft ‘het leven, de avonturen en dromen’ van Mevlut Karataş, een optimistisch ingestelde jongen die in de jaren zestig van een dorp in de buurt van Konya verhuist naar Istanbul om daar met zijn vader als venter geld te verdienen.

Dromen heeft de jonge Mevlut twee: een meisje en een eigen zaak. Een meisje naar zijn hart vindt hij als een van zijn neven trouwt. Hij vangt haar blik temidden van de bruiloftsgasten. Drie jaar lang schrijft Mevlut haar brieven, dan besluit hij haar te schaken. Maar als hij na een tocht door de bergen bij een bliksemflits haar gezicht ziet, dringt de vraag zich op: gaat het in het leven om wat je zelf graag wilt, of om wat het lot voor je in petto heeft?

Mevluts dromen over een eigen zaak komen uit als hij na vele jaren venten met yoghurt, met boza, een dikvloeibare gierstdrank, met krasloten, gebakken rijst met kikkererwten en allerlei andere zaken, een zaakje met zijn boezemvriend opent. Mevlut kan zich bedrijfsleider noemen. Maar ook dan blijft het lopen door de donkere straten van Istanbul lokken.

Een straatventer is natuurlijk bij uitstek iemand die getuige is van het dagelijks leven in een stad, van de veranderingen die zich binnenshuis en op straat afspelen. En in Istanbul verandert nu eenmaal voortdurend van alles. Dat vreemde in mijn hoofd is dan ook niet alleen een familiegeschiedenis waarin Mevlut en zijn gezin centraal staan. De roman geeft tegelijkertijd ‘een beeld van Istanbul tussen 1969 en 2012 gezien door de ogen van tal van personen’, zoals het in de tweede helft van de ondertitel heet. Lees verder…

Orhan Pamuk – Dat vreemde in mijn hoofd (fragment)

Eind februari 1985, na een lange koude dag waarop de zaken niet bijster goed waren gegaan, had Mevlut de vuile borden en glazen verzameld en stond hij op het punt om van Kabataş naar huis te gaan, toen Süleyman in zijn vrachtwagentje kwam aanrijden. ‘Iedereen heeft jullie nieuwe dochtertje al een kraamcadeautje gegeven en een kraaltje tegen het boze oog opgespeld, behalve ik,’ zei Süleyman, ‘Kom in de auto zitten, dan kletsen we even bij. Hoe gaan de zaken? Heb je het niet koud zo de hele dag buiten?’

Zodra Mevlut in de wagen zat, moest hij eraan denken hoe vaak Samiha met de mooie ogen op deze stoel had gezeten voordat ze een jaar geleden was verdwenen, hoe vaak Süleyman met haar door Istanbul had getoerd.

‘Ik verkoop nu al twee jaar rijst met kikkererwten, maar tot nu toe heb ik nog nooit bij een klant in de auto gezeten,’ zei Mevlut. ‘Hoog is het hier, ik word duizelig, ik stap weer uit.’

‘Blijf zitten, we moeten praten!’ zei Süleyman. Hij pakte Mevluts hand die het portier al wilde openen. Hij keek zijn jeugdvriend strak aan met een blik vol liefdesverdriet en verslagenheid.

[...]

‘Süleyman, jongen, jij en je broer zijn goed bezig, terwijl ik maar loop te sappelen. De helft van de nieuwe flats die Vural laat bouwen is al verkocht terwijl de fundering nog niet eens klaar is, hoorde ik.’

‘We verdienen goddank heel behoorlijk,’ zei Süleyman. ‘Maar we willen dat jij ook goed gaat verdienen. Korkut denkt er net zo over.’

‘En wat zou ik moeten doen? Een fornuis neerzetten en thee verkopen in zijn kantoor soms?’

‘Lijkt je dat wat, thee verkopen?’

‘Er komt een klant aan,’ zei Mevlut en stapte uit. Er was in de wijde omtrek geen klant te bekennen. Maar Mevlut ging met zijn rug naar Süleymans vrachtwagentje staan en deed of hij voor een klant een bord opschepte. Hij schepte een grote lepel rijst op, en wreef die met de achterkant van de lepel los. Terwijl hij de gasfles die in de venterskar stond dichtdraaide merkte hij dat Süleyman ook was uitgestapt en naar hem toe kwam lopen, en daar was hij blij om.

‘We hoeven er niet over door te praten als je dat niet wilt,’ zei Süleyman, ‘maar ik wil de baby dit cadeautje zelf geven, dan kan ik haar meteen bewonderen.’

‘Als je de weg naar mijn huis niet kent, moet je maar achter me aan rijden,’ zei Mevlut en begon de kar te duwen.

‘Laten we de kar in de vrachtwagen zetten,’ stelde Süleyman voor.

‘Je moet dit driewielige eethuis niet onderschatten. De keuken en het fornuis die erin zitten zijn heel breekbaar maar ook erg zwaar.’

Mevlut duwde, zoals iedere middag om een uur of vier, vijf, met veel gehijg en gepuf de kar de steile Kazancıstraat op, richting Taksim, op weg naar huis (dat kostte twintig minuten), terwijl Süleyman langzaam achter hem aan reed.

‘Mevlut, zullen we je kar aan de bumper binden, dan kan ik je heel langzaam trekken.’

Zijn aanbod was oprecht en hartelijk, maar Mevlut liep stug door alsof hij hem niet gehoord had. Even verderop parkeerde hij zijn mobiele eethuis en zette de rem erop. ‘Rij maar door naar Taksim, en wacht daar op mij bij de bushalte naar Tarlabaşı.’

Süleyman gaf gas, reed de helling op en was al snel uit het zicht verdwenen. Het zat Mevlut niet lekker dat Süleyman nu zijn armoedige huis zou zien. Het had hem goed gedaan dat zijn neef zich zo onderdanig had opgesteld. De gedachte kwam bij hem op dat hij dankzij Süleyman een ingang had bij de Vurals, en dat hij met Rayiha en de kinderen zo misschien een wat comfortabeler leven zou kunnen krijgen.

 

Uit: Orhan Pamuk, Dat vreemde in mijn hoofd. Roman. Amsterdam: De Bezige bij, 2016. Oorspronkelijke titel: Kafamda Bir Tuhaflık. (2014) Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden & Margreet Dorleijn.

 

Een bozaventer in Istanbul – nieuwe roman van Orhan Pamuk

Eind vorig jaar verscheen na zes jaar een nieuwe roman van Orhan Pamuk, Kafamda Bir Tuhaflık. De titel (in het Nederlands: Dat vreemde in mijn hoofd) is ontleend aan een lang episch gedicht van William Wordsworth: The Prelude; or, Growth of a Poet’s Mind. Wordsworth beschrijft daarin zijn leven en zijn ontwikkeling tot dichter:  ‘strangeness in my mind, / A feeling that I was not for that hour, / Nor for that place.’

Ook Pamuks roman beschrijft een leven. Niet dat van een dichter – tenminste niet van een dichter die zijn poëzie op papier zet. Pamuks roman gaat over een straatventer, Mevlut Karataş, en over ‘de poëzie van de vreemde dingen die door zijn hoofd spelen’ wanneer hij in Taksim en andere oude wijken van Istanbul over straat loopt om yoghurt en de winterdrank boza te verkopen. Daarmee doet Mevlut enigszins denken aan Ka, de dichter die in een van Pamuks eerdere romans, Sneeuw, veelvuldig door de straten van de oostelijke stad Kars loopt terwijl hem af en toe een nieuw gedicht invalt.

Maar terwijl Ka is geboren en getogen in Istanbul en afreist naar een stad in de provincie, maakt Mevlut juist een reis andersom. In 1969, hij is dan twaalf, verhuist hij van het Anatolische dorp waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht naar Istanbul in de hoop daar een ander bestaan op te bouwen. Het is een reis die miljoenen mensen in Turkije de afgelopen vijftig jaar hebben gemaakt.

‘Tot nu toe heb ik steeds verteld over de mensen die in Istanbul zijn geboren,’ zei Pamuk in een interview bij het verschijnen van zijn roman. ‘Toen ik geboren werd telde de stad een miljoen inwoners. Nu zijn dat er vijftien miljoen. Ik wilde die veertien miljoen beschrijven.’ Maar Pamuk haast zich te benadrukken dat zijn hoofdpersoon niet gezien moet worden als een inwisselbare representant van al die migranten in Istanbul. Pamuk: ‘In slecht geconstrueerde sociale romans zijn het meestal de middenklassen, de mensen met een goede opleiding en een culturele bagage, de rijken die een individu zijn. De anderen zijn op zijn hoogst een aandoenlijk, kleurig detail. [...] Waar ik het hardst aan heb gewerkt is het tot uitdrukking brengen van de individualiteit van mijn armoedige hoofdpersoon, ik wilde hem kunnen beschrijven als iemand die ook door dat vreemde in zijn hoofd anders is dan alle anderen, ik wilde hem kunnen beschrijven als Hamlet.’

Hier is een fragment uit de roman te lezen (in het Turks; klikken op ‘Tadımlık’).

De Nederlandse vertaling komt begin 2016 uit bij De Bezige Bij, in een vertaling van Hanneke van der Heijden en Margreet Dorleijn.

 

De eerste zinnen van Sait Faik Abasıyanık – Over het vertalen van ‘Verhalen uit Istanbul’

Volgens een van zijn collega-auteurs, Leylâ Erbil, was hij een schrijver met zijn tafel in zijn zak. Sait Faik Abasıyanık kon overal schrijven: op een bankje in het park, op een wiebelend tafeltje in een kroeg, desnoods op zijn knie. Dat kwam goed uit, want de ‘Turkse meester van het korte verhaal’ schrijft niet over binnenskamerse thema’s. Zijn onderwerp is de straat, de mensen op straat wel te verstaan. Gewone mensen over wie hij in een zo op het oog heel dagelijks taalgebruik schrijft. ‘Hij komt naast je zitten in een koffiehuis in Istanbul en begint te vertellen over haar inwoners [...]’ zegt Murat Isik in zijn nawoord bij Verhalen uit Istanbul. Sait Faiks manier van werken, zijn onderwerp, het klinkt allemaal heel gemakkelijk en voor de hand liggend.

Maar de manuscripten in het museum van Sait Faik (zoals hij in Turkije kortweg wordt genoemd) zien er allesbehalve uit als alsof ze op een knokige knie of een wiebelend tafeltje zijn geschreven. In zijn voormalige woonhuis op het Prinseneiland Burgazada liggen er een aantal in een vitrine: gelige blaadjes uit een schoolschrift gescheurd, en met een paperclip bij elkaar gehouden. De Arabische letters – zoals veel van zijn collega’s schreef Sait Faik ook na de alfabethervorming van 1928 nog in Osmaans schrift – staan regelmatig naast elkaar. Kennelijk had Sait Faik nog een andere tafel dan die in zijn broekzak, eentje waaraan hij verder werkte aan zijn aantekeningen.

 

Raadselachtigheid
Dat Sait Faiks verhalen niet op een knokige knie alleen geschreven kunnen zijn, dat er heel wat meer aan geschaafd en gevijld als je in eerste instantie denkt, blijkt ook als je de verhalen vertaalt, en dus vele malen overleest. Ze mogen de indruk wekken alsof iemand in het koffiehuis naast je zit te vertellen, bij nader inzien hebben ze een compactheid en raadselachtigheid die in de meeste koffiehuisgesprekken ver te zoeken is.

Die bondigheid delen ze vanzelfsprekend met veel korte verhalen. Het is wat het genre ook zo indrukwekkend maakt: in het bestek van een paar pagina’s wordt een hele wereld opgetrokken. Sait Faiks verhalen beslaan meestal niet meer dan zes, zeven pagina’s in druk, soms zelfs maar drie of vier. Natuurlijk, ook een roman wordt niet op een achternamiddag op papier gezet. Maar toch, in alle romans die ik heb vertaald kun je in de Turkse tekst, niet zozeer in het begin of aan het eind misschien, maar wel daar tussenin, passages aanwijzen waar de aandacht van de auteur is verslapt, waar het weefsel van de zinnen losser is, het ritme minder dwingend, waar de schrijver zijn kapmes in zijn broekzak heeft laten zitten.

Een schrijver van korte verhalen kan zich dat niet veroorloven. Bij Sait Faik zie je dat het duidelijkst in zijn vroege werk: hecht geconstrueerde verhalen zijn het met een klassieke structuur, vaak over ongebruikelijke situaties. Over een vrouw die te arm is om haar man te begraven bijvoorbeeld maar hem ook niet onbegraven kan laten. Over een man die jarenlang de drie, vier straten van zijn wijk niet uit is geweest, en dan op een dag de sprong waagt. Over twee dronkaards die de kroeg uitlopen en midden in Istanbul in een zwoele viooltjesvallei belanden. De hechte structuur maakt ze compact, hun raadselachtigheid ontlenen ze aan hun onderwerp: wie maakt dagelijks angstvallig dezelfde wandeling door de drie straten om zijn huis, en geen steegje verder?

 

Mobiles
Maar Sait Faik heeft ook nog een ander soort verhalen, het soort waar hij zich in de loop van zijn schrijverschap steeds meer op toelegde. Die verhalen gaan juist over heel dagelijkse situaties. Ze lezen als toevallige uitsneden uit het leven van alledag, en hebben zo op het eerste gezicht een veel lossere structuur. Man zit op het lege benedendek van veerboot, tweede man komt erbij en begint een keuvelgesprek. Of: man zit in wachtruimte van de veerbootmaatschappij (Sait Faik houdt van varen), man twee vraagt hem of hij soms snapt wat er op een blaadje met laboratoriumuitslagen staat. Situaties kortom die iedereen mee kan maken, verhalen zoals je ze zelf aan het eind van de dag denkt te kunnen vertellen. Denkt, want ook die verhalen zijn, net als de mensen waar ze over gaan, veel minder gewoon als ze lijken.

Waar zit hem dat in? In de eerste plaats natuurlijk in Sait Faiks veel geprezen oog voor veelzeggende details en situaties uit het dagelijks leven. Maar daarbij in zijn speelse geest, die ogenschijnlijk ongerelateerde zaken met elkaar verbindt. En volgens mij ook in het feit dat hij de verbanden tussen de verschillende gebeurtenissen heel vaak niet benoemt. Die drie dingen samen maken ook zijn latere dagelijkse verhalen zo raadselachtig en compact. Er gebeurt van alles. Maar over hoe het een met het ander samenhangt houdt Sait Faik zich op de vlakte, dat is aan de lezer.

Sait Faiks distantie zie je terug in de inhoud, want wat de precieze beweegredenen van de personages zijn vertelt hij meestal niet.

‘Waarom we naar dat boerenhuis gingen waar in de keuken gebraden eend, in de jus gekookte tarwe en griesmeelkoek met boter klaarstonden, wist ik die dag niet. En nu ik bedrukt en verlaten door het hotelraam naar de voorbijrijdende tramstellen kijk, zeg ik niet waarom we op een goede dag aan het eind van de middag naar dat huis in het dorp gingen, zonder enige omhaal, alsof we werden verwacht.’ 

Dat schrijft Sait Faik al in de allereerste regels van zijn allereerste verhaal. En veel is die houding in de loop van zijn schrijverschap niet veranderd: motieven worden meestal slechts gesuggereerd. Maar ook in grammaticale zin is Sait Faik weinig toeschietelijk: voegwoorden tussen zinnen die de verbanden duidelijk maken ontbreken vaak. De volgorde van zinnen en gebeurtenissen is de enige structuur die Sait Faik geeft. Wat hun onderlinge logische verband is, waarom ze bij elkaar horen mag de lezer zelf verzinnen. Het is een beetje als met de mobiles van Alexander Calder: er zweven zo veel dingen zo intrigerend en licht in de ruimte dat je pas later de touwtjes en staven ziet die ze bij elkaar houden, pas na een tijdje opmerkt dat het geheel wel degelijk vastzit aan vloer of plafond.

 

Papiervisjes en bolvormige basilicumplanten
Sait Faik schrijft over gewone mensen, inderdaad. Maar hij laat in zijn verhalen zien dat achter ieder mens iets bijzonders schuilt als je er maar oog voor hebt. Daarmee is hij een auteur van het detail, zijn blik gaat niet uit naar het algemene, maar naar het particuliere. Die blik deelt hij voor een belangrijk deel met een vertaler: een tekst moet nu eenmaal tot op de onopvallendste komma vertaald worden. Bovendien heeft taal, iedere taal, zoveel onregelmatigheden, is betekenis op zo’n onsystematische manier afhankelijk van de context, heeft iedere auteur zulke idiosyncratische wendingen in zijn stijl, dat je als vertaler al snel het gevoel krijgt je niet op algemene regels te kunnen verlaten. Dat gevoel maakt het ook zo moeilijk om iets algemeens te zeggen over het vertalen van een tekst, om je weer los te wringen van de particulariteit van een alinea, een zin, een woord, van het ritme van lettergrepen, de herhaling van klanken – kortom van al het gevlooi dat vertalen vaak heel leuk maakt: juist omdat het zich aan iedere systematiek lijkt te onttrekken. En omdat dat gedetailleerde gepeuter je bij dingen brengt waar je zelf niet makkelijk zou komen. (In de roman die ik nu vertaal, een boek van de jonge auteur Barış Bıçakçı, zegt de hoofdpersoon, die ook vertaler is: ‘Ik had het [encyclopedie]deel in mijn hand waarin ik iets wilde opzoeken over de Chinese taal Pinghua, maar had bij toeval een foto gezien van de beestjes die opeens overal in huis zaten, was erachter gekomen dat het papiervisjes waren, en las met de aangename opwinding van een detective, nu en dan een blik op de foto werpend, dat ze zich voeden met het stijfsel uit bijvoorbeeld boekbanden en behang.’). En ook omdat al die aandacht voor kleinigheden je bij invloedrijke auteurs als Sait Faik Abasıyanık laat zien hoe allerlei observaties en details uit zijn werk doorsijpelen in dat van andere auteurs. Hoe bijvoorbeeld het personage dat in ‘Een man en de ochtenden in de stad’ vertelt hoe hij overvallen kan worden door droefheid wanneer de hele stad plotseling overdekt lijkt met de modder van de straten, ook aan het woord lijkt te zijn in Istanbul. Herinneringen en de stad van Orhan Pamuk. ‘Soms,’ schrijft Pamuk in het hoofdstuk ‘Ongelukkig zijn is jezelf en de stad haten’, ‘verandert de stad in een totaal andere plek. Plotseling trekken de kleuren waardoor je je thuis voelt uit de straten weg… [...] Van het ene op het andere moment zijn alle parken veranderd in modderige terreinen… [...] Terwijl er een intense somberheid en weemoed van de stad op mij overgaat, van mij op de stad, merk ik dat er aan de stad, en ook aan mij, helemaal niets meer valt te beleven…’ Of hoe de venijnige, recalcitrante zinnen waarin de hoofdpersoon van ‘Waarom doe ik toch zo?’ vertelt dat hij dingen doet die hij niet wil doen maar ook niet kan laten, precies passen bij de gevoelswereld van de ‘griplozen’ in Het leven in stukken van Oğuz Atay. Of hoe de bolvormige basilicumplanten die in Sait Faiks verhaal ‘De grammofoon en de schrijfmachine’ gestreeld worden ‘zoals je het hoofd van een kind streelt’, precies zo worden aangeraakt in Barış Bıçakçı’s roman.

 

Binnensluipende partikels
Maar hoe verleidelijk het ook is om bij al die talloze details stil te staan, het vertalen van een tekst is natuurlijk veel meer als het vertalen van woorden, van zinnen. Als ik iets in zijn algemeenheid moet zeggen over de vertaling van Sait Faiks Verhalen uit Istanbul, dan gaat dat precies over de verbanden, de coherentie in de tekst: over Sait Faiks talent om weinig expliciete logische verbanden aan te brengen en tegelijkertijd een sfeer te creëren alsof er ‘in een koffiehuis iemand tegen je praat’. Voor de Nederlandse vertaling betekent dat vooral dat je heel voorzichtig moet zijn met het gebruik van allerlei voegwoorden en partikels, die vaak ongemerkt de zinnen binnensluipen en wel degelijk een verband aangeven.

Helemaal zonder dit soort woorden kan een verhaal niet: het zou een houterige tekst opleveren, en in het Turks is Sait Faik niet houterig. Maar teveel van die woorden kan ook niet: dat zou verbanden expliciteren die Sait Faik juist aan de interpretatie van de lezer overlaat. Wat dat betreft is het vertalen van Sait Faik als het maken van een mobile, waarin alles los lijkt te zweven, waarin je zinnen alleen een stokje knoopt als het echt niet anders kan, en waarin de lezer pas na een tijdje ziet dat al die losse onderdelen toch met één koord aan het plafond verankerd zijn.

 

Dit artikel werd geschreven op uitnodiging van Athenaeum boekhandel.

De roman van Barış Bıçakçı, De grote vertwijfeling [werktitel], komt dit najaar uit bij uitgeverij Leesmagazijn.

 

Pamuks museum van de onschuld wint een prijs

Het ‘Museum van de onschuld’ van Orhan Pamuk is verkozen tot Europees museum van het jaar. De prijs, een initiatief van het European Museum Forum onder auspiciën van de Raad van Europa, werd op 18 mei jongstleden uitgereikt in Tallinn (Estland).

Het museum dat Pamuk in Istanbul opzette, is inhoudelijk verbonden met zijn gelijknamige roman. Ieder van de 83 vitrines in het museum hoort bij een van de 83 hoofdstukken in de roman Het museum van de onschuld. Volgens de jury van de prijs kan het museum worden opgevat als een ‘historisch museum over het leven in Istanbul in de tweede helft van de twintigste eeuw’, maar ook als een ‘op objecten gebaseerde versie van het fictieve liefdesverhaal in de gelijknamige roman’. De jury vindt dat het museum daarnaast ook een model biedt voor verdere ontwikkelingen in de museumsector.

 

Orhan Pamuk over een kastanjeboom en het Gezi-park in Taksim

Meer en meer kunstenaars en artiesten mengen zich in de publieke debat over de massale betogingen in het Gezi-park in Istanbul en in andere steden in Turkije. Orhan Pamuk is een van hen. Een kort artikel dat hij schreef naar aanleiding van de protesten verscheen afgelopen donderdag in verschillende Turkse kranten. De protesten begonnen toen een groep actievoerders wilde voorkomen dat een aantal bomen in het park op Taksim, in het centrum van Istanbul, gekapt zouden worden en de politie vervolgens ongemeen hard tegen hen optrad.

In het stuk, dat inmiddels ook in de internationale pers is verschenen, beschrijft Pamuk hoe zijn familie in de jaren vijftig postte bij de kastanjeboom voor hun huis in de Istanbulse wijk Nişantaşı om die zo voor kap te behoeden. Die eendrachtige actie zorgde niet alleen voor het behoud van de boom, maar ook voor een herinnering die zijn familie samenbond. Wat die kastanjeboom is voor de familie Pamuk, is het Taksim-plein voor Istanbul, schrijft de auteur: het plein met het park bekleedt een onuitwisbare plaats in het leven van de inwoners van de stad door de herinneringen, zowel persoonlijke als politieke, die ermee verbonden zijn. De grote veranderingen die de regering voor het plein heeft gepland zonder dat de inwoners van Istanbul in de besluitvorming zijn betrokken en de haast om met de kap te beginnen betitelt hij als een grote fout.

Het artikel van Orhan Pamuk is in het Nederlands te lezen in NRC Handelsblad van 8/9 juni. Het stuk is ook digitaal beschikbaar, niet in het Nederlands, wel in onder andere het Duits, het Engels en het Turks.

 

Gevonden in vertaling: gedichten van Mehmet Yaşın

Een langs reizende Zwitserse dichter en vertaler raakt maar niet uitgepraat over de poëzie van Mehmet Yaşın. Turks kent hij niet, hij leest het werk van de op Cyprus geboren Yaşın (1958) in het Engels. Het is een van de twintig talen waarin Yaşıns poëzie is vertaald, schrijft hij op zijn website. Maar welke? Een gelukkige vondst op het internet: collega-turkoloog Dick Koopman vertaalde twee jaar geleden een selectie uit het werk van Yaşın in het Nederlands. De bundel heet De nachtbus.

Dat het werk van Yaşın zo veel vertaald is past bij het leven van de dichter zelf. Hij groeide op in Nicosia (Cyprus), volgde een universitaire opleiding in Ankara en Istanbul, en zette na politieke problemen in Turkije zijn academische carrière voort in Engeland. Sinds 2002 reist Yaşın heen en weer tussen Cambridge, Istanbul en Nicosia. Lees verder…

Literaire wandelingen in Istanbul

Er zijn maar weinig straten in Istanbul te vinden waar niet eens een schrijver of dichter, een vertaler, uitgever of recensent doorheen gelopen is – de Turkse literaire traditie is lang, en de literaire wereld drukbevolkt. Veel plekken in de stad zijn daarom met boeken, gedichten en tijdschriften in verband te brengen. Sommige van die plekken hebben een bijzondere betekenis gekregen omdat ze ooit in een tekst beschreven zijn. Of omdat er een boek, een gedicht, een tekst over een heel andere plek op papier werd gezet.

Voor wie wandelend door Istanbul meer te weten wil komen over Turkse literatuur en over de Turkse boekenwereld, organiseer ik literaire wandelingen – eerder deed ik dat onder meer voor lezers van NRC Handelsblad. Tijdens deze wandelingen vertel ik over het werk van een aantal Turkse schrijvers en de periode waarin ze leefden: auteurs die in het Nederlands vertaald zijn en schrijvers die alleen Turkse lezers kennen. Maar ook over de boekenwereld van nu: wat voor uitgevers zijn er? Wordt er veel vertaald? Wat lezen lezers in Turkije?

Er zijn twee keuzemogelijkheden:
- een wandeling door Beyoğlu en de oude wijken rond het centrum, over een aantal belangrijke schrijvers uit de moderne romanliteratuur, zoals Orhan Pamuk, Oğuz Atay, Ahmet Hamdi Tanpınar en Orhan Kemal. Desgewenst inclusief bezoek aan het Museum van de onschuld van Orhan Pamuk.

- een wandeling langs de Bosporus, over een aantal belangrijke dichters en schrijvers die eind negentiende, begin twintigste eeuw leefden, zoals Tevfik Fikret, Abdülhak Şinasi Hisar en Nigâr Hanım. Inclusief bezoek aan Aşiyan, het houten huis dat Tevfik Fikret ontwierp en waar hij tot zijn dood woonde. Het heeft een prachtig uitzicht over het water.

Andere wijken en thema’s in overleg.
De wandelingen duren ieder ongeveer 2,5 uur.

Voor meer informatie, stuur een e-mailtje via het contactformulier.