Nawoord bij ‘De lanterfanter’ – roman van Yusuf Atılgan

Gisteren is bij Uitgeverij Jurgen Maas De lanterfanter verschenen. Voor iedereen die niet bij de presentatie kon zijn of meer wil weten over Yusuf Atılgan en zijn roman, hieronder het nawoord dat ik bij De lanterfanter schreef.

Tekst: Hanneke van der Heijden.

De romankunst wordt door bijvoorbeeld Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk opgevat als de kunst om je in een ander te verplaatsen: om je eigen leven te beschrijven als was het dat van een ander, het leven van een ander als dat van jezelf. Dat is een optimistische opvatting, want ze gaat uit van de vooronderstelling dat begrip van de ander, van zijn leven, zijn gedachten en drijfveren, daadwerkelijk mogelijk is.

Zo’n omschrijving laat goed zien hoe ongewoon het is wat Yusuf Atılgan (1921-1989) in zijn debuut ondernam, want als schepper van C. verplaatst Atılgan zich paradoxaal genoeg in een personage dat zich juist niet in anderen wil of kan verplaatsen, in een man die ervan overtuigd is dat het onmogelijk is je in die mate in een ander in te leven. ‘Ze zouden het toch niet begrijpen,’ zegt C. Het is de allerlaatste zin van de roman, C. doet er verder het zwijgen toe.

Het vraagstuk hoe zich tot ‘de ander’ te verhouden is wat C. op zijn lange wandeltochten het meest bezighoudt. En de stad biedt vele gelegenheden voor confrontaties met ‘de ander’. Zich bewegend tussen de drommen mensen op straat, zijn stappen steeds weer herhalend, beziet C. het moderne stadsleven, ondergaat de werking van de anonieme massa’s, wordt gedwongen in het sociale gewoel zijn plaats als individu te bepalen.

De stad waar Atılgans hoofdpersoon doorheen loopt krijgt net als hijzelf geen naam. Maar de wijken wel, en de routes van C. zijn zo realistisch beschreven dat je ze haast kunt na lopen. Het is dan ook niet moeilijk te achterhalen dat De lanterfanter gesitueerd is in het Istanbul van de jaren vijftig. Met zo’n miljoen inwoners was de stad weliswaar vele malen kleiner dan nu, de massale migratie van het Turkse platteland was nog maar net op gang gekomen, maar ook toen al was Istanbul de grootste stad van het land.

Twee personages van andere Turkse auteurs, die ook in het Nederlandse taalgebied bekend zijn, waren C. in zekere zin voorgegaan. ‘De overbodige man’ in het gelijknamige verhaal van Sait Faik Abasıyanık (1945), een bohemien, die niet werkt en zich geen zorgen hoeft te maken over zijn inkomen, loopt voortdurend door de Istanbulse straten. Gekweld door ennui springt hij uiteindelijk in de golven van de Bosporus. In de roman Sereen (1949) van Ahmet Hamdi Tanpınar loopt Mümtaz een etmaal lang door Istanbul, waarbij de stad hem voortdurend herinnert aan het verleden. Tanpınar, die zelf tot de belangrijkste romanciers in Turkije zou behoren, was een van Atılgans docenten toen die begin jaren veertig in Istanbul Turkse filologie studeerde. In een interview noemde Atılgan zijn colleges later een van zijn belangrijkste ervaringen.

In tegenstelling tot Mümtaz komt C. nauwelijks in de historische wijken van de stad, en om het verleden van zijn land is het hem niet te doen. C. verblijft een zomer lang op een van de Prinseneilanden, ten zuiden van de stad, en gaat naar de Europese oever van de Bosporus. Maar hij loopt vooral door de wijken in het Europese deel van Istanbul waar het mondaine leven zich afspeelt en het moderne leven naar westers model volop tot ontwikkeling komt; wijken als Beyoğlu, Taksim, Harbiye. Het stadsbestuur voerde er in de jaren veertig en vijftig grote stedelijke veranderingen door. Op het Taksimplein werd een modern park aangelegd naar Parijs’ voorbeeld, er werd gebouwd aan een groot, modern theater, er kwamen pleinen en brede lanen voorzien van trottoirs voor de wandelaars.

Zelf woonde Atılgan toen hij halverwege de jaren vijftig zijn debuutroman schreef allesbehalve in een grote, moderne stad. Nadat hij midden jaren veertig een aantal maanden in de gevangenis had gezeten omdat hij communistische propaganda
maakte, verhuisde hij terug naar het dorp waar hij een deel van zijn jeugd had doorgebracht: Hacırahmanlı, een klein plaatsje in de provincie Manisa in Zuidwest-Turkije. In eerste instantie bewerkte hij er het land zelf, later besteedde hij het boerenwerk uit. Hij leidde een tamelijk teruggetrokken leven.

De rurale samenleving – driekwart van de bevolking van Turkije woonde op het platteland – begon in de jaren vijftig radicaal te veranderen. In 1950 had de Democratische Partij, die een grote aanhang had onder de bourgeoisie en op het platteland, de verkiezingen gewonnen. Er ging dan ook veel politieke aandacht uit naar maatregelen om de economische situatie van de middenstand en de boeren te verbeteren, bijvoorbeeld door grootschalige landbouwmechanisatie. De gevolgen hiervan waren enorm. Het leidde onder andere tot massale werkloosheid op het platteland en een migratiegolf naar de grote steden.

Ook de literatuur richtte zich op de ontwikkelingen in de dorpen, het leven op het platteland en de problemen van de boerenbevolking. De roman en het korte verhaal dienden vooral om kritiek te leveren op de ingrijpende politieke ontwikkelingen, het sociaal-realisme voerde de boventoon in de literaire wereld. ‘De ander’ in de literatuur was dan ook niet in de eerste plaats een individu van wie de eigen gedachten, verlangens en conflicten op de voorgrond stonden, maar eerder een representant van een bepaalde sociaaleconomische klasse, waarvan de misstanden moesten worden beschreven.

Voor Atılgan ging het, net als voor een klein groepje andere schrijvers die in de jaren vijftig debuteerden, veel meer om existentiële vraagstukken in de verhouding tot de ander. In zijn dagelijks leven waren de anderen tot 1976 vooral de bewoners van Hacırahmanlı. Als een gestudeerd, belezen man woonde hij in een kleine gemeenschap waar men zich voornamelijk bezighield met het verbouwen van katoen, tabak en druiven. Zijn collega’s uit de stad hadden het bij dergelijke situaties graag over de kloof tussen de intellectueel en het volk. Ook Atılgans eerdere veroordeling voor communistische activiteiten onderscheidde hem van zijn dorpsgenoten. Het communisme was in Turkije nog altijd verboden. Wie veroordeeld was moest zich ook nadat hij zijn straf had uitgezeten nog lange tijd wekelijks op het politiebureau melden, werd in de gaten gehouden en liep met zijn aanwezigheid het risico anderen in gevaar te brengen. Omgekeerd waren er de vooroordelen van de dorpsbewoners tegenover communisten, vertelt Halil Şahan, een van Atılgans vrienden en dorpsgenoten, in het voorwoord bij een pas verschenen bundel met brieven die Atılgan aan Şahan schreef. Atılgan klaagt tegen hem zo nu en dan over zijn intellectuele frustraties. De dorpsbewoners hebben het over Atılgans hoekigheid, zijn afkeer van sociaal wenselijk maar niet gemeend gedrag – in hun ogen blijft hij anders. Maar de politieke bewustwording in het dorp groeide onder invloed van Atılgans aanwezigheid volgens Şahan ook.

Terwijl Atılgans collega-auteurs uit de stad over de dorpen schreven, vaak zonder het dorpsleven van nabij te kennen, en de eerste schrijvers die daadwerkelijk in een dorp woonden het bestaande, romantische beeld van het dorpsleven probeerden te nuanceren, werkte Atılgan in het dorp van zijn jeugd aan een roman die zich afspeelde in de grootste stad van het land. Atılgans tegendraadsheid ging nog verder, want in een tijd waarin het maatschappelijke leven in het teken stond van economische ontwikkeling en productiviteit, debuteerde hij met een roman over een man die niet van zins is de handen uit de mouwen te steken, die zich verzet tegen het keurslijf van een baan, die ingaat tegen de verwachtingen die het gros van Atılgans landgenoten van het leven koesterde.

Zo creëerde hij als een van de eersten in de Turkse literatuur een personage dat zich afzet tegen de maatschappij – en in feite ook tegen de lezer, die natuurlijk evenzeer van de maatschappij deel uitmaakt. Na ‘Ze zouden het toch niet begrijpen’ zwijgt net als C. ook de auteur. Atılgan nam daarmee een heel andere positie in ten opzichte van zijn lezers dan de meesten van zijn collega’s. Tot dan toe gaven auteurs in Turkije de lezer vaak raad, ze voedden hem op, wezen hem de weg. Ze konden in hun fictie kritisch zijn over de maatschappij, maar ze keerden zich er niet van af. Atılgan maakte zich dan ook weinig illusies over het succes van zijn romandebuut.

De recensenten waren inderdaad niet onverdeeld enthousiast over De lanterfanter. Sommigen oordeelden dat de roman ‘totaal losstond van de samenleving’. Lezers van hedendaags Nederlandstalig proza klinkt zo’n kwalificatie misschien tamelijk mild in de oren – hier verschijnen tenslotte al decennialang romans waarin sociaal engagement niet per se de boventoon voert – maar in de Turkse literaire wereld van de jaren vijftig gold een gebrek aan engagement als weinig minder dan een doodzonde.

Hoe zwaar dat sociaal engagement wel woog bleek ook tijdens een vergadering die de juryleden van de Yunus Nadiprijs, een belangrijke prijs voor romans, in 1958 belegden. Atılgans debuut was een van de ingezonden manuscripten. Orhan Kemal, auteur van een groot aantal romans waarin sociale misstanden aan de kaak worden gesteld die vooral de armsten in de samenleving treffen, zei tijdens de juryvergadering: ‘Ik heb De lanterfanter gelezen. Ook een heel aardige roman moet ik zeggen… Er schuilt een romanschrijver in die jongen. Hij heeft goed materiaal in handen… Goed uitgewerkt ook… Dat is wel duidelijk… Maar waar gaat die roman over? Wat voor interpretatie geeft hij? [...] Als ik het boek eenmaal uit heb, wat voor boodschap heb ik dan meegekregen?’

Ook tot Atılgans verbazing kreeg De lanterfanter uiteindelijk toch de tweede prijs. De toekenning bleef desondanks een compromis: in tegenstelling tot de romans die met de eerste en de derde prijs werden bekroond, romans die aansloten bij de sociaal-realistische traditie, werd Atılgans roman niet als feuilleton in een landelijke krant gepubliceerd. Waarschijnlijk vreesde men dat de ongebruikelijke thematiek en stijl te veel zouden afwijken van de smaak van de krantenlezers. In 1959 verscheen de tekst in druk, maar voorlopig werd De lanterfanter vooral een vreemd boek gevonden. Pas veertien jaar later, vlak nadat Atılgan zijn tweede roman had gepubliceerd, kreeg zijn debuut een tweede druk.

In die kleine kring van lezers en auteurs had Atılgans debuut echter een grote invloed. Oğuz Atay was een van de lezers van het eerste uur. In 1971-1972 publiceerde hij zijn debuut, Tutunamayanlar (in het Nederlands verschenen onder de titel Het leven in stukken), een roman die op vele generaties lezers in Turkije een onuitwisbare indruk zou maken. Een van de eerste exemplaren stuurde hij naar Atılgan. De ‘griplozen’, die het onderwerp van Atays roman zijn, zijn een rechtstreekse reactie op de mensen die in De lanterfanter meewarig worden beschreven: mensen die krampachtig op zoek zijn naar houvast.

Pas in de jaren tachtig kreeg Atılgans debuut, net als Atays Het leven in stukken, een veel groter lezerspubliek. De aanvankelijke reserve die veel lezers voor C. hadden gehad veranderde in vereenzelviging. Atılgans personage werd nu gezien als iemand die zich buiten de hypocriete samenleving wist te plaatsen, een vrije geest. De groeiende aandacht en waardering zijn moeilijk los te zien van de maatschappelijke ontwikkelingen in Turkije. Op 12 september 1980 pleegde het leger een staatsgreep. Het schrikbewind zou in de jaren die volgden het politieke en culturele leven lamleggen. In het geapolitiseerde leven nam materialisme geleidelijk de plaats in van politieke ideologieën. In C.’s verzet tegen het maatschappelijke bestel, tegen de leefwijze en verwachtingen van de kleine burgerij, in zijn gevoel van vervreemding, herkenden Atılgans nieuwe lezers een zielsverwant.

De herwaardering voor Atılgans debuut richtte zich daarmee vooral op de antiburgerlijke, existentiële aspecten van de tekst. Atılgan zelf werd echter niet alleen geïnspireerd door filosofen als Husserl en Sartre, maar ook door Freud. Halil Şahan herinnert zich Atılgans bewondering voor de manier waarop Freud veelzeggende details strategisch in zijn teksten gebruikte. Ook Freuds ideeën vormden Atılgans roman.

Verzet dat zo existentieel is roept de vraag op naar het motief daarachter: in hoeverre is het onwil, in hoeverre onmacht? Komen C.’s verzet tegen de anderen en zijn zoektocht naar ware liefde voort uit een drang naar individuele vrijheid of uit een psychologisch trauma? Zijn het de anderen of is hij het zelf?

Dat De lanterfanter zo’n belangrijke plaats bekleedt in de Turkse literatuur komt niet alleen doordat Atılgan met C. een van de eerste Turkse personages schiep dat zich afzet tegen het maatschappelijke bestel, maar ook doordat hij oog had voor de psychologische factoren die een rol spelen in C.’s verzet. Atılgans aandacht voor de verwevenheid van die twee, de buitenwereld van zijn personage en de binnenwereld, ‘de anderen’ en ‘het ik’, voorkomt dat de roman slechts een lofdicht is op het zwarte schaap, of het verzet tegen de kudde verwordt tot machteloze haat.

Na De lanterfanter en zijn tweede roman, Anayurt Oteli (‘Hotel Moederland’), een beklemmend verhaal dat zich afspeelt in een hotel in een provincieplaats, verhuisde Atılgan opnieuw naar Istanbul, waar hij plannen maakte voor een roman die zich zou afspelen in een dorp: Canistan. Het boek zou uiteindelijk postuum verschijnen. Yusuf Atılgan stierf in 1989, voordat hij zijn derde roman had kunnen voltooien. Met drie korte romans en een bundel verhalen, teksten waarvan de stilistische compactheid en de geladen stijl steevast bijdragen aan het gevoel van benauwing en vervreemding, zorgde Atılgan voor een keerpunt in het Turkse literaire proza. Na zijn dood zou de waardering voor zijn werk alleen maar toenemen.

Nawoord door Hanneke van der Heijden. Verschenen in: Yusuf Atılgan, De lanterfanter. Roman. Amsterdam: Uitgeverij Jurgen Maas, 2016. Vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden. Oorspronkelijke titel: Aylak Adam. Istanbul, 1959.

 

 

Presentatie van ‘De lanterfanter’ – Nederlandse vertaling van roman van Yusuf Atılgan (19 mei, Amsterdam)

Op 19 mei verschijnt De lanterfanter, de Nederlandse vertaling van de roman Aylak Adam.

‘De lanterfanter’ is het debuut van de Turkse schrijver Yusuf Atilgan. Het verscheen in 1959. En het was een heel ongewoon debuut: C., de hoofdpersoon, is een van de eerste tegendraadse figuren in de Turkse literatuur.

C. verzet zich tegen de dagelijkse verplichtingen die het leven van de anderen kenmerken. Hij leeft van een erfenis en verlummelt zijn dagen in de kroegen, trams en straten van Istanbul, op zoek naar het enige dat zijn leven zin kan geven: de ware liefde, die ene onvindbare vrouw. Niets anders geeft hem voldoening, noch de kortstondige romantiek, noch de kunst. Relaties met de mensen om hem heen, die hij grotendeels verafschuwt, doen dat al helemaal niet. Maar kan een mens zonder anderen? En hoe anders is hijzelf?

Tijdens een feestelijke presentatie stellen uitgever Jurgen Maas en vertaler Hanneke van der Heijden het boek voor.
Muzikanten van Het Levantijns Orkest spelen muziek uit de wereld van De lanterfanter: het Istanbul van de jaren vijftig.

Plaats: Podium Mozaiek, Amsterdam
Datum: donderdag 19 mei 2016
Aanvang: vanaf 20u

Toegang is vrij.

Voor een fragment uit de roman, klik hier.

 

Net verschenen: ‘Dat vreemde in mijn hoofd’ van Orhan Pamuk

Zes jaar na het Het museum van de onschuld is er een nieuwe roman van Orhan Pamuk in het Nederlands verschenen: Dat vreemde in mijn hoofd. Het boek beschrijft ‘het leven, de avonturen en dromen’ van Mevlut Karataş, een optimistisch ingestelde jongen die in de jaren zestig van een dorp in de buurt van Konya verhuist naar Istanbul om daar met zijn vader als venter geld te verdienen.

Dromen heeft de jonge Mevlut twee: een meisje en een eigen zaak. Een meisje naar zijn hart vindt hij als een van zijn neven trouwt. Hij vangt haar blik temidden van de bruiloftsgasten. Drie jaar lang schrijft Mevlut haar brieven, dan besluit hij haar te schaken. Maar als hij na een tocht door de bergen bij een bliksemflits haar gezicht ziet, dringt de vraag zich op: gaat het in het leven om wat je zelf graag wilt, of om wat het lot voor je in petto heeft?

Mevluts dromen over een eigen zaak komen uit als hij na vele jaren venten met yoghurt, met boza, een dikvloeibare gierstdrank, met krasloten, gebakken rijst met kikkererwten en allerlei andere zaken, een zaakje met zijn boezemvriend opent. Mevlut kan zich bedrijfsleider noemen. Maar ook dan blijft het lopen door de donkere straten van Istanbul lokken.

Een straatventer is natuurlijk bij uitstek iemand die getuige is van het dagelijks leven in een stad, van de veranderingen die zich binnenshuis en op straat afspelen. En in Istanbul verandert nu eenmaal voortdurend van alles. Dat vreemde in mijn hoofd is dan ook niet alleen een familiegeschiedenis waarin Mevlut en zijn gezin centraal staan. De roman geeft tegelijkertijd ‘een beeld van Istanbul tussen 1969 en 2012 gezien door de ogen van tal van personen’, zoals het in de tweede helft van de ondertitel heet.

Daarmee kiest Pamuk deze keer niet alleen voor een groter tijdvak dan hij eerder deed: in Istanbul. Herinneringen en de stad beschreef hij de periode van de jaren vijftig van de vorige eeuw tot het begin van de jaren zeventig, Het museum van de onschuld speelde zich vooral af in de jaren zeventig tot negentig. Orhan Pamuk kiest in Dat vreemde in mijn hoofd ook een ander perspectief.  ‘Tot nu toe heb ik steeds verteld over de mensen die in Istanbul zijn geboren,’ zei hij in een interview bij het verschijnen van zijn nieuwe roman. ‘Toen ik geboren werd telde de stad een miljoen inwoners. Nu zijn dat er vijftien miljoen. Ik wilde die veertien miljoen beschrijven.’

Klik hier voor een fragment uit Dat vreemde in mijn hoofd, vertaald door Hanneke van der Heijden en Margreet Dorleijn.

 

‘Radeloos als we waren’ tijdens de Vertalersgeluktournee (9, 11 en 20 mei 2016, Nijmegen en Amsterdam)

In april en mei trekt de Vertalersgeluktournee weer door Nederland. Welke keuzes maakt een vertaler? Voor welke dilemma’s komt zij (of hij) te staan? Wat maakt het vertalersvak zo mooi?

In een aantal boekhandels verspreid door Nederland spreken vertalers over hun vak en over het boek dat ze recentelijk vertaalden. De boeken die aan de orde komen zijn alle genomineerd voor de Europese Literatuurprijs 2016.

Radeloos als we waren van de Turkse auteur Barış Bıçakçı is een van de genomineerden voor deze prijs. Op 9, 11 en 20 mei zal ik in boekhandels in Amsterdam en Nijmegen iets over mijn vertaling van deze roman vertellen.

Het programma van deze drie avonden is als volgt:

 

maandag 9 mei 2016, 19u30: Boekhandel van Rossum in Amsterdam
● Hanneke van der Heijden over 
Radeloos als we waren van Barış Bıçakçı (uit het Turks, Leesmagazijn)
● Liesbeth van Nes over Een heel leven van Robert Seethaler (uit het Duits, De Bezige Bij)
● Harm Damsma en Niek Miedema over Het boek van wonderlijke nieuwe dingen van Michel Faber (uit het Engels, Podium)
● Interactieve entr’acte door Vertaalkriebels, netwerk voor jonge vertalers
Moderatoren: Joost Baars & Frieda Jacobowitz

 

woensdag 11 mei 2016, 19u30: Boekhandel Dekker van de Vegt in Nijmegen
● Martin de Haan over Onderworpen van Michel Houellebecq (uit het Frans, Arbeiderspers)
● Manon Smits over De Jonge Bruid van Alessandro Baricco (uit het Italiaans, De Bezige Bij)
● Hanneke van der Heijden over Radeloos als we waren van Barış Bıçakçı (uit het Turks, Leesmagazijn)

 

vrijdag 20 mei 2016, 20u: Boekhandel van Pampus in Amsterdam
● Hanneke van der Heijden over Radeloos als we waren van Barış Bıçakçı (uit het Turks, Leesmagazijn)
● Sophie Kuiper over Waar vier wegen samenkomen van Tommi Kinnunen (uit het Fins, Prometheus)
● Marianne Molenaar over Vrouw van Karl Ove Knausgård (uit het Noors, De Geus)
● Interactieve entr’acte door Vertaalkriebels, netwerk voor jonge vertalers
Moderator: Coen Verbraak (ov)

Toegang is vrij.

Klik hier voor een overzicht van alle avonden tijdens de Vertalersgeluktournee.

 

De Droste-vertaler. Over het vertalen van ‘Radeloos als we waren’ van Barış Bıçakçı

De roman Radeloos als we waren van Barış Bıçakçı is genomineerd voor de Europese Literatuurprijs. Naar aanleiding van de nominatie vroeg boekhandel Athenaeum in Amsterdam me iets te schrijven over de vertaling van de roman. Onderstaand stuk is ook op de website van de boekhandel gepubliceerd. Hier is een fragment uit de roman te lezen. 

 

Een vertaler vertalen

Waarom, vraag je je soms af, zijn er toch zo weinig romanpersonages die vertalen? Universiteitsdocenten, reizigers, artsen, journalisten, rijke nietsdoeners, arme werklozen, daarvan zijn in romans genoeg voorbeelden te vinden. Zelfs over schrijvers schrijven schrijvers graag. Maar hoofdpersonen die vertalen? 

Dat een vertaler een vertaler vertaalt is dan ook een zeldzaamheid. Als vertaler van Turks proza heb ik me de afgelopen jaren ingeleefd in een middeleeuwse miniatuurschilder aan het Osmaanse hof, in een gemeenteambtenaar in een perzikenboomgaard, in een vergane zeeman, in een verhalenventer van het spoor, in Orhan Pamuk die over zijn jeugd vertelt, in een boom, een hond, een muntstuk. Maar in een vertaler, nee.

Totdat uitgeverij Leesmagazijn Bizim Büyük Çaresizliğimiz ter vertaling aanbood, de vierde roman van Barış Bıçakçı (1966). De auteur maakte zijn literaire debuut met een dichtbundel. Dat geldt voor meer auteurs in Turkije, maar Bıçakçı heeft ook na zijn overstap op proza een precieze, poëtische stijl behouden. Bizim Büyük Çaresizliğimiz, dat in 2004 verscheen, betekende Bıçakçı’s literaire doorbraak in Turkije, overigens zonder dat hij ook maar enig vraaggesprek of interview gaf, zelfs zijn foto is nauwelijks te vinden. Maar Bıçakçı en zijn roman zijn in nog een heel ander opzicht bijzonder: de hoofdpersoon en verteller van het verhaal, Ender, verdient zijn brood met vertalen.

 

Beloftes van somberheid

Of eigenlijk is Ender een halve hoofdpersoon. Niet omdat hij vertaalt, moet ik er meteen even bij zeggen, want de uitoefenaars van ons beroep worden helaas maar al te vaak aangezien voor een soort schimmensen, schaduwfiguren, halfschrijvers. Ender is in zekere zin maar half mens vanwege de verbondenheid met zijn boezemvriend Çetin, het andere hoofdpersonage, en hun beider tekortkomingen; ze maken ‘met zijn tweeën hoogstens één man’, zoals hij in het verslag van hun lange, hechte vriendschap schrijft. De twee mannen van eind dertig hebben net eindelijk samen een flat betrokken als de ouders van studente Nihal bij een verkeersongeluk omkomen en zij bij hen intrekt. Wanneer ze alle twee op de veel jongere Nihal verliefd worden, blijkt nog eens zozeer hoe de twee mannen worstelen met het leven, met de ouderdom.

Ender werkt thuis en vertaalt boeken voor Turkse uitgevers. Zelf ben ik niet zo’n thuiswerker, en de uitgevers voor wie ik boeken vertaal houden kantoor in Nederland, maar op een paar van dat soort details na: daar zat ik plots met werktafel en al op een Droste-blik. Ender, met zijn hang naar herhaling in zijn poging het verstrijken van de tijd te bezweren, zou er misschien van dromen een plaats te bemachtigen in een Drosteplaatje, dat zich met rigide wettigmatigheid tot in het oneindige herhaalt, maar zou het ons, andere vertalers, niet nog mismoediger maken dan het vastgeklonken zijn aan onze stoel al doet, dat onding in onze kantoren waarop we noodgedwongen vele uren doorbrengen? De titel van Bıçakçı’s roman, Radeloos als we waren, beloofde ook al niet zo veel vrolijks.

En dan is de roman ook nog eens gesitueerd in Ankara, geen plaats die bekend staat om zijn frivole lichtvoetigheid. (Ook in dat opzicht valt Bıçakçı’s roman trouwens op: veel Turkse literatuur speelt zich af in Istanbul.) De hoofdstad van Turkije heeft iets onherbergzaams. Of het nu komt door het stempel dat het ambtenarenapparaat en het leger op de stad drukken, door de ijskoude winters en de verzengende zomers, of doordat de stad zo weinig zichtbare geschiedenis heeft – de in 1923 als hoofdstad uit de grond gestampte stad lijkt daar even snel weer in te kunnen verdwijnen, verzwolgen door de eindeloze steppe, die nog steeds tot in het centrum voelbaar is.

Dat decor van een stad die geen schuilplaats is, geen afleiding biedt voor de vergankelijkheid van het bestaan, een stad die niet oud is, maar toch te oud om nieuw te zijn, versterkt de radeloosheid van Ender en Çetin. De twee vrienden, die zichzelf graag omschrijven als ‘mannen van middelbare leeftijd, de een met buikje, de ander kaal’, zijn of voelen zich te oud voor de onbevangenheid van de tiener Nihal, te jong om zich terug te trekken uit het maatschappelijk leven en de stad en vissend de tijd door te brengen, of vanuit een leunstoel uit te kijken over zee. De grote radeloosheid uit de titel van de roman, de radeloosheid over het verstrijken van de tijd, knaagt voortdurend.

 

Taal voor poëzie van het alledaagse

Toch bleek Radeloos als we waren geen somber boek. Het heeft een sombere grondtoon, die als de dreun uit een verre machinekamer voortdurend merkbaar is. Maar Enders relaas toont ook dat Çetin en hij, desnoods tegen de klippen op, proberen die dreun te overstemmen.

Çetin, de man met het buikje, gaat de radeloosheid te lijf met koken en eten, met gezelligheid, met een biertje voor een voetbalwedstrijd. Ender biedt de radeloosheid het hoofd met de poëzie van het dagelijks leven. Dat wil zeggen: met taal. Want alleen taal brengt die poëzie aan het licht.

Hoe zou Çetin ook anders kunnen? Zijn wereld is er een van taal. Hij verkeert tussen boeken en gedichten, tussen opstellen en encyclopedieën, schrijft brieven en briefjes. De bewegingen van zijn geliefde, in de weer met een pan kokende jam, zijn voor hem ‘vloeiende letters geschreven in de lucht’. Met opgesmukte zinnen probeert hij indruk op haar te maken, met stellige richt hij zijn ingestorte vriend weer op. Hij ziet in alles taal, leeft in taal, creëert zijn werkelijkheid met taal.

Op de achtergrond kan de radeloosheid nog zo dreigend dreunen, die relativering geeft het boek iets lichtvoetigs. Nu wekt lichtvoetigheid vaak de indruk simpel tot stand te brengen te zijn, maar dat is het niet, niet in het leven zelf, niet in een tekst.

 

Dosering

En ook niet in een vertaalde tekst. Eigenlijk is het vinden van de juiste toon wat mij betreft het moeilijkst bij het vertalen van proza. Maar dat is natuurlijk alleen een verhullende manier om te zeggen dat vertalen van literair proza moeilijk is. Want de toon van een tekst is uiteindelijk het geheel van bijna alles: de woordkeus, het ritme van de zinnen, de vaart en de pauzes, de dosering van informatie.

Hoe al die verschillende componenten bij het maken van een vertaling op elkaar inwerken is tot op zekere hoogte wel te analyseren. Dat in kort bestek uitleggen is lastiger, al helemaal omdat Turks bij Nederlandstaligen meestal niet bekend is. Misschien kort iets over wat door niet-vertalers vaak over het hoofd gezien wordt: de dosering van informatie.

Het belang van een goede dosering is duidelijk: wie een grap vertelt, zorgt dat de clue aan het eind komt, anders is de grap weg. Dat geldt ook voor andere taalsituaties. Staat bepaalde informatie op de verkeerde plek, dan is het effect verpest, of komt de nadruk verkeerd te liggen. Alleen: talen hebben vaak hun eigen regels die bepalen waar bepaalde informatie in een zin komt te staan.

 

Hoofdbrekens van luchthartigheid

Bij een vertaling uit het Turks is het goed doseren van informatie vaak moeilijk doordat de grammaticale structuur van Turks (dat tot een groep van talen uit Noord- en Centraal-Azië behoort) zo verschilt van die van het Nederlands (een Indo-Europese taal). Alle informatie over wie of wat een handeling uitvoert, de tijd waarin die handeling zich afspeelt, de noodzakelijkheid of wenselijkheid daarvan, een eventuele ontkenning, is in het Turks samengebald in een werkwoordelijk predicaat, dat meestal achteraan in de zin staat. Een Nederlandse lezer of luisteraar krijgt die informatie doorgaans al aan het begin van de zin. Daarentegen staat een betrekkelijke bijzin in het Turks juist vóór het zelfstandig naamwoord waar het bij hoort, in het Nederlands erachter. Dergelijke structurele verschillen tussen de twee talen hebben tot gevolg dat de volgorde waarmee de informatie in een Turkse zin wordt gepresenteerd bij vertaling in het Nederlands volledig door elkaar gehusseld wordt. Het vergt dan ook vaak heel wat heen-en-weer geschuif met zinsdelen om grapjes in het Turks in het Nederlands niet meteen te verraden, verrassingen niet al bij voorbaat weg te geven.

Zo kan iets luchtigs een mens soms toch hoofdbrekens bezorgen, tenminste de mens die die luchthartigheid moet vertalen. Maar zoals een tolk die met een gekwelde cliënt naar een psycholoog gaat al tolkend zelf ook een kleine psychologische behandeling ondergaat, zo werd ik al vertalend aangestoken door Enders lichtvoetige poëzie.

 

Letters schrijven in de lucht

Daarbij: Ender relativeert niet alleen de zwaarte van het leven, maar ook die van het vertalen. Want tussen al zijn gedachten over Çetin, over Nihal, over het onverbiddelijke verstrijken van de tijd, over de schoonheid van herhaling, beschrijft hij ook, en met die zelfde relativerende humor, zijn dagelijkse werk.

Ender zit, zoals wij, vertalers, allemaal, op zijn knieën tussen encyclopediedelen, leest gretig over papiervisjes en hoe die zich voeden met het stijfsel in boekbanden en behang al is hij eigenlijk op zoek naar informatie over de Chinese taal Pinghua; doet ploeterend door antropologische, psychologische en filosofische teksten de deur open voor venters van geurvreters, van waterfilters, van pannensets; vraagt zich, wanneer hij bij uitzondering toch het huis verlaat, af of hij aan al dat opgesloten zitten in zijn kamer misschien een complex heeft overgehouden, of hij een probleemgeval geworden is, zo’n type dat zich van alles in het hoofd haalt en zijn ergernis oppot; hij troost zich met de warmte van kopieermachines, repareert zijn verwonde zelfbeeld met het mobiliseren van zijn geestelijke kracht en met de aanschaf van een woordenboek.

Ender gooit dan ook niet één reddingsboei uit maar twee: eentje waar alle lezers, vertaler of niet, zich aan vast kunnen klampen, een hulpmiddel om enigszins het hoofd boven water te houden in het stromen van de tijd. En eentje speciaal voor de vertalende lezer, om niet te verdrinken in het werk, niet te verdrogen op de vertalersstoel, lachend te lezen over papiervisjes al was het doel van de speurtocht eigenlijk een plaatje van een standbeeld in het Kurtuluşpark in Ankara. Zo kunnen de vingers van de vertaler, al zit de rest van zijn lijf in de ijzeren greep van zijn bureaustoel, fladderend over het toetsenbord, en kan hij licht en vloeiend zijn zinnen tikken als schreef hij letters in de lucht. Waren er maar meer romans met een vertaler als hoofdpersoon.

 

Workshop literair vertalen Turks – Nederlands (16 april 2016, Utrecht)

Altijd al eens willen weten hoe een literair vertaler zijn keuzes maakt? En waarin literair vertalen verschilt van bijvoorbeeld juridisch of technisch vertalen?

Voor iedereen met een goede kennis van Turks en Nederlands geef ik samen met mijn collega Mustafa Özen op zaterdag 16 april 2016 een workshop literair vertalen uit het Turks voor beginners.

Deelnemers aan de workshop krijgen enkele weken vóór aanvang ter vertaling een fragment uit een roman of een kort verhaal van een bekende Turkse schrijver thuis gestuurd. Aan de hand van de vertalingen van de deelnemers bespreken we tijdens de dag allerlei aspecten van literair vertalen. Waar moet je bijvoorbeeld opletten bij het vertalen van een dialoog? Zijn de namen van gerechten en kledingstukken echt zo onvertaalbaar als vaak wordt gedacht? Hoe wordt een Nederlandse tekst even soepel als het Turkse origineel?

Voor meer informatie en aanmelding, klik hier. Voor vragen, stuur een emailtje via het contactformulier op deze site, klik hier.

Datum:           16 april 2016, van 9.30 – 17.30 uur
Plaats:            Utrecht-Centrum
Docenten:      Hanneke van der Heijden en Mustafa Özen

 

‘Radeloos als we waren’ van Barış Bıçakçı genomineerd voor de Europese literatuurprijs 2016

Zojuist is bekend geworden dat de roman Radeloos als we waren van de Turkse auteur Barış Bıçakçı is genomineerd voor de Europese literatuurprijs.

Bıçakçı’s roman, in Nederland uitgegeven door uitgeverij Leesmagazijn, staat samen met negentien andere romans uit Europa op de longlist van de Europese Literatuurprijs. De twintig titels zijn door dertien Nederlandse boekhandels geselecteerd als de beste Europese romans die in 2015 in het Nederlands zijn verschenen.

Een vakjury zal uit de longlist een shortlist van vijf boeken kiezen. De shortlist wordt op 8 juni bekend gemaakt tijdens een feestelijke bijeenkomst in Spui25 in Amsterdam.

Radeloos als we waren (Turkse titel: Bizim Büyük Çaresizliğimiz) kwam in Turkije uit in 2004. Het is de lichtvoetige en ontroerende geschiedenis van twee vrienden in Ankara, Ender en Çetin, die een jonge studente als huisgenote krijgen, twee mannen van middelbare leeftijd en hun terloopse worsteling met het leven en het ouder worden. Klik hier voor meer informatie over Radeloos als we waren..

Klik hier voor een fragment uit de roman.

De volledige longlist is:

  • De Jonge Bruid van Alessandro Baricco, vertaald uit het Italiaans door Manon Smits (De Bezige Bij)
  • Radeloos als we waren van Bariş Biçakçi, vertaald uit het Turks door Hanneke van der Heijden (Leesmagazijn)
  • Het boek van wonderlijke nieuwe dingen van Michel Faber, vertaald uit het Engels door Harm Damsma en Niek Miedema (Podium)
  • Charlotte van David Foenkinos, vertaald uit het Frans door Marianne Kaas (Cossee)
  • Onderworpen van Michel Houellebecq, vertaald uit het Frans door Martin de Haan (De Arbeiderspers)
  • Wereld, wereld! van Régis Jauffret, vertaald uit het Frans door Rokus Hofstede en Martin de Haan (De Arbeiderspers)
  • De burcht van Cynan Jones, vertaald uit het Engels door Jona Hoek (Koppernik)
  • Waar vier wegen samenkomen van Tommi Kinnunen, vertaald uit het Fins door Sophie Kuiper (Prometheus)
  • De man die de taal van de slangen sprak van Andrus Kivirähk, vertaald uit het Ests door Jesse Niemeijer (Prometheus)
  • Vrouw van Karl Ove Knausgård, vertaald uit het Noors door Marianne Molenaar (De Geus)
  • Zo begint het slechte van Javier Marías, vertaald uit het Spaans door Aline Glastra van Loon (Meulenhoff)
  • Om niet te verdwalen van Patrick Modiano, vertaald uit het Frans door Maarten Elzinga (Querido)
  • De vlamberken van Lars Mytting, vertaald uit het Noors door Paula Stevens (Atlas Contact)
  • De aardappels en de staat van Oleg Pavlov, vertaald uit het Russisch door Els de Roon Hertoge en Paul van der Woerd (Cossee)
  • Misschien Esther van Katja Petrowskaja, vertaald uit het Duits door Wil Hansen (De Bezige Bij)
  • Een heel leven van Robert Seethaler, vertaald uit het Duits door Liesbeth van Nes (De Bezige Bij)
  • Nora van Colm Tóibín, vertaald uit het Engels door Anneke Bok (De Geus)
  • Zeldzame aarden van Sandro Veronesi, vertaald uit het Italiaans door Rob Gerritsen (Prometheus)
  • De Woensdagclub van Kjell Westö, vertaald uit het Zweeds door Clementine Luijten (De Geus)
  • Het duistere dal van Thomas Willmann, vertaald uit het Duits door Goverdien Hauth-Grubben (Meridiaan)

 

De ondernemende vertaler op de vertaalslag (7 maart 2016, Amsterdam)

Vertalers vertalen. Maar vaak niet alleen dat. Veel vertalers schrijven ook over de literatuur die ze vertalen, spreken erover op avonden, ze dragen ideeën voor boeken en auteurs aan bij uitgevers en tijdschriften. Of brengen hun vertalingen zingend ten gehore.

 

De Vertaalslag – een feestelijke avond over literair vertalen – staat dit jaar in het teken van de ondernemende vertaler.

Met vier sprekers:

Hans Abbing, econoom en beeldend kunstenaar, is gepromoveerd op de economie van de kunsten. Zijn studie Why Are Artists Poor? gaat onder meer over de samenhang tussen subsidieverstrekking en armoede onder kunstenaars. Is ook de ondernemende vertaler gedoemd een financiële krabbelaar te blijven?

Kiki Coumans, vertaalster Frans en redacteur van poëzietijdschrift Awater, gaat in een vraaggesprek met Jasper Henderson in op haar ervaringen met uitgevers en de soms lange adem die nodig is om een project van de grond te krijgen.

Anneke Pijnappel, vertaalster en samen met vormgever Henrik Barends oprichter van onafhankelijke uitgeverij Voetnoot. Ze vertelt over de vaak intensieve samenwerking met de vertalers van hun bijzondere uitgaven.

Jan Rot, zanger, componist en veelgeprezen hertaler van meesterwerken uit de klassieke muziek, van musicals en bekende popsongs. Hij spreekt over durven en doen, artistieke vrijheid en vertalen naar de geest. En begeleidt zichzelf op gitaar.

De Vertaalslag vindt plaats op 7 maart 2016 in De Tolhuistuin in Amsterdam.
Aanvang: 20 uur.

Kaartjes voor de avond zijn te verkrijgen bij de kassa van De Tolhuistuin en hier.

 

Een bozaventer in Istanbul – nieuwe roman van Orhan Pamuk

Eind vorig jaar verscheen na zes jaar een nieuwe roman van Orhan Pamuk, Kafamda Bir Tuhaflık. De titel (in het Nederlands: Dat vreemde in mijn hoofd) is ontleend aan een lang episch gedicht van William Wordsworth: The Prelude; or, Growth of a Poet’s Mind. Wordsworth beschrijft daarin zijn leven en zijn ontwikkeling tot dichter:  ‘strangeness in my mind, / A feeling that I was not for that hour, / Nor for that place.’

Ook Pamuks roman beschrijft een leven. Niet dat van een dichter – tenminste niet van een dichter die zijn poëzie op papier zet. Pamuks roman gaat over een straatventer, Mevlut Karataş, en over ‘de poëzie van de vreemde dingen die door zijn hoofd spelen’ wanneer hij in Taksim en andere oude wijken van Istanbul over straat loopt om yoghurt en de winterdrank boza te verkopen. Daarmee doet Mevlut enigszins denken aan Ka, de dichter die in een van Pamuks eerdere romans, Sneeuw, veelvuldig door de straten van de oostelijke stad Kars loopt terwijl hem af en toe een nieuw gedicht invalt.

Maar terwijl Ka is geboren en getogen in Istanbul en afreist naar een stad in de provincie, maakt Mevlut juist een reis andersom. In 1969, hij is dan twaalf, verhuist hij van het Anatolische dorp waar hij zijn jeugd heeft doorgebracht naar Istanbul in de hoop daar een ander bestaan op te bouwen. Het is een reis die miljoenen mensen in Turkije de afgelopen vijftig jaar hebben gemaakt.

‘Tot nu toe heb ik steeds verteld over de mensen die in Istanbul zijn geboren,’ zei Pamuk in een interview bij het verschijnen van zijn roman. ‘Toen ik geboren werd telde de stad een miljoen inwoners. Nu zijn dat er vijftien miljoen. Ik wilde die veertien miljoen beschrijven.’ Maar Pamuk haast zich te benadrukken dat zijn hoofdpersoon niet gezien moet worden als een inwisselbare representant van al die migranten in Istanbul. Pamuk: ‘In slecht geconstrueerde sociale romans zijn het meestal de middenklassen, de mensen met een goede opleiding en een culturele bagage, de rijken die een individu zijn. De anderen zijn op zijn hoogst een aandoenlijk, kleurig detail. [...] Waar ik het hardst aan heb gewerkt is het tot uitdrukking brengen van de individualiteit van mijn armoedige hoofdpersoon, ik wilde hem kunnen beschrijven als iemand die ook door dat vreemde in zijn hoofd anders is dan alle anderen, ik wilde hem kunnen beschrijven als Hamlet.’

Hier is een fragment uit de roman te lezen (in het Turks; klikken op ‘Tadımlık’).

De Nederlandse vertaling komt begin 2016 uit bij De Bezige Bij, in een vertaling van Hanneke van der Heijden en Margreet Dorleijn.

 

Nâzım Hikmet-festival in Amsterdam (29 september – 3 oktober 2015)

Theater Rast in Amsterdam viert haar 15-jarig jubileum met een multidisciplinair festival gewijd aan het werk en het leven van de Turkse dichter Nâzım Hikmet (1902-1963). Het programma omvat onder meer de vertoning van een documentaire, lezingen, een theatrale poëzieperformance en een theaterconcert. Nâzım Hikmets meesterwerk Mensenlandschappen vormt de basis voor een ‘spoken word performance’.

Het festival wordt georganiseerd door Theater Rast & reART Collective i.s.m. Podium Mozaïek, Agora Lettera en Poetry Circle Nowhere. Şaban Ol, Micha Wertheim, Can Dündar, Genco Erkal en Selim Doğru en anderen verlenen hun medewerking aan het programma.

Voor het volledige programma, klik hier.

Kaartjes zijn te verkrijgen vanaf 15 augustus – klik hier.